Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6354

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
15/01441
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6127, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:966, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Ziektekosten. Uitgaven extra kleding en beddegoed. Delegatie van regelgevende bevoegdheid. Bevoegdheid minister. Verbindendheid art. 38 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2138 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2016/1875
Belastingadvies 2016/20.4
V-N 2016/53.1.2
mr.drs. R. Steenman annotatie in NTFR 2016/2316

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01441

uitspraakdatum: 9 augustus 2016nummer /

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2015, nummer AWB 15/1768, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: de aanslag IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.787 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.823. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 34.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de aanslag IB/PVV verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.008. De daarbij genomen beschikking belastingrente is verminderd tot € 11. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.365 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.823. De Rechtbank heeft de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2016 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende. Namens de Inspecteur zijn verschenen [A] en mr. [B] .

1.7.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [C] (hierna: de echtgenote). Zij hebben een zoon en een dochter. De zoon was in 2013 uitwonend. De dochter, geboren [in] 1993, woonde in 2013 bij haar ouders. Zij studeerde in 2013 en ontving studiefinanciering.

2.2

De echtgenote van belanghebbende is door ziekte afhankelijk van extra gezinshulp. De dochter heeft haar ouders met huishoudelijke hulp ondersteund. Zij heeft daarvoor geen inkomsten aangegeven in 2013.

2.3

Met dagtekening 28 maart 2014 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PVV 2013 ingediend. In deze aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 7.493 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen, waarbij hij de extra uitgaven gezinshulp op € 5.250 en de extra uitgaven voor kleding en beddengoed van de echtgenote op € 775 heeft gesteld.

2.4

Nadien heeft belanghebbende in een brief van 12 november 2014 onder meer (gemotiveerd) verzocht om de extra uitgaven voor kleding en beddengoed van de echtgenote vast te stellen op € 1.775. De brief van 12 november 2014 is in eerste aanleg niet door de Inspecteur ingebracht. Belanghebbende heeft de brief in hoger beroep, als bijlage van het hogerberoepschrift, ingebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur de brief gelet op artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had dienen in te brengen.

2.5

Met dagtekening 3 januari 2015 is de onderhavige aanslag opgelegd, waarbij met uitgaven voor extra gezinshulp van € 2.293 rekening is gehouden (te weten: € 5.250 verminderd met een drempelbedrag van € 2.957) en de extra uitgaven voor kleding en beddengoed van de echtgenote op € 775 zijn gesteld. De belastingrente is dienovereenkomstig vastgesteld.

2.6

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt en heeft verzocht de uitgaven voor extra gezinshulp vast te stellen op € 5.750 en de extra uitgaven voor kleding en beddengoed van de echtgenote op € 1.775. In zijn bezwaarschrift van 7 januari 2015 verzoekt belanghebbende te worden gehoord voordat de Inspecteur op zijn bezwaar beslist. De Inspecteur heeft belanghebbende niet uitgenodigd voor een hoorgesprek. Er heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden.

2.7

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslag verminderd, waarbij de uitgaven voor extra gezinshulp op € 3.607 zijn vastgesteld en de extra uitgaven voor kleding en beddengoed van de echtgenote op € 775. De belastingrente is dienovereenkomstig vastgesteld.

2.8

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van het vertrouwensbeginsel recht heeft op in aanmerking te nemen uitgaven voor extra gezinshulp van € 5.250. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat de door belanghebbende verzochte extra aftrek van € 1.000 voor kleding en beddengoed van de echtgenote niet wordt toegestaan.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil de omvang van de in aanmerking te nemen specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17 Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2013, hierna: Wet IB 2001). In het bijzonder is in geschil:

( a) of de Inspecteur vertrouwen heeft gewekt dat naast de reeds door de Rechtbank in aanmerking genomen uitgaven voor extra gezinshulp – zoals bedoeld in artikel 6.17 lid 3 Wet IB 2001 – van € 5.250, een extra bedrag van € 500 in aanmerking kan worden genomen. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur deze vraag alsnog bevestigend beantwoord, zodat het hoger beroep reeds om die reden gegrond is;

( b) of naast de voor de echtgenote van belanghebbende in aanmerking genomen uitgaven voor extra kleding en beddengoed – zoals bedoeld in artikel 6.17 lid 1 onder g – van € 775 een extra bedrag van € 1.000 in aanmerking kan worden genomen. Belanghebbende stelt in dit kader dat artikel 38 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2013, hierna: de Uitvoeringsregeling) onverbindend is. Voorts stelt hij dat hij de extra kosten voldoende heeft onderbouwd. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvattingen toegedaan.

Voorts is tussen partijen in geschil:

( c) of sprake is van schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb en of daaraan gevolgen moeten worden verbonden;

( d) of gevolgen moeten worden verbonden aan schending van artikel 8:42 Awb (zie 2.4);

( e) of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding wegens onrechtmatige voorbereidingshandelingen ter zake van onderhavige aanslag, te weten (i) machtsmisbruik door de Inspecteur door de aangifte van 2013 volledig te controleren, (ii) schending van de geheimhoudingsplicht door privacy-gevoelige informatie zonder toestemming van belanghebbende naar de Ombudsman te zenden.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.865. Voorts verzoekt hij om een schadevergoeding ter grootte van € 5.000.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.865.

4 Beoordeling van het geschil

Het Hof zal allereerst de geschilpunten zoals genoemd in 3.1 onder c (schending hoorplicht) en d (schending artikel 8:42 Awb) behandelen.

Schending hoorplicht

4.1

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift te kennen gegeven door de Inspecteur te willen worden gehoord. De Inspecteur is dan gelet op artikel 7:2 Awb in verbinding met artikel 25, eerste lid, van de AWR gehouden belanghebbende daartoe in de gelegenheid te stellen, hetgeen kan gebeuren door belanghebbende uit te nodigen op een door de Inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats (vgl. HR 15 mei 2009, nr. 08/00437, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, BNB 2009/169).

4.2

De Inspecteur heeft nagelaten belanghebbende uit te nodigen voor een hoorgesprek. Er heeft geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Naar uit de gedingstukken volgt verschillen de Inspecteur en belanghebbende van mening omtrent de van belang zijnde feiten en omtrent de waardering daarvan bij de vaststelling van de hoogte van de aanslag en is de Inspecteur niet volledig aan belanghebbendes grieven tegemoetgekomen. In zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraken op het bezwaar niet in stand kunnen worden gelaten (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267). De uitspraken op bezwaar zijn reeds op die grond – naar tussen partijen niet in geschil is – terecht door de Rechtbank vernietigd.

4.3

De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie (vgl. het hiervoor genoemde arrest van HR 18 april 2003, nr. 37790) het belang van het horen in bezwaar benadrukt en heeft geoordeeld dat, wanneer de hoorplicht is geschonden, de zaak onder omstandigheden moet worden teruggewezen naar het bestuursorgaan met de opdracht de belanghebbende alsnog volgens de regels te horen. Gelet hierop en gelet op hetgeen het Hof hierna in 4.16 over de toepassing van artikel 38 van de Uitvoeringsregeling overweegt, en het bewijsaanbod ter zitting van het Hof door belanghebbende, is het Hof van oordeel dat terugwijzing naar de Inspecteur dient te volgen.

Schending artikel 8:42 Awb

4.4

De Inspecteur heeft – naar niet in geschil is, zie 2.4 – ten onrechte aan de Rechtbank niet (een afschrift van) de in zijn bezit zijnde brief van belanghebbende van 12 november 2014 overgelegd. Dit zou aanleiding kunnen geven voor het Hof, omdat de Inspecteur niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 8:42 Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, op grond van artikel 8:31 van de Awb daaruit de gevolgtrekkingen te maken die het Hof geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie HR 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46). De rechter mag geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 8:31 Awb zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten (zie HR 3 april 2015, nr. 14/04129, ECLI:NL:HR:2015:740, BNB 2015/119). Belanghebbende heeft daarop ter zitting gesteld dat aan de bedoelde schending van artikel 8:42 Awb de conclusie moet worden verbonden dat € 1.000 aftrek van extra kleding en beddengoed alsnog moet worden verleend of dat de zaak moet worden teruggewezen naar de Rechtbank. De brief van 12 november 2014 is inmiddels door belanghebbende zelf aan het Hof overgelegd. Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen dient reeds op de daar vermelde gronden terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur te volgen. Op grond van het voorgaande acht het Hof het met toepassing van artikel 8:31 Awb, niet geboden nog verdergaande gevolgen aan de bedoelde schending van artikel 8:42 Awb te verbinden.

Uitgaven extra kleding en beddengoed

4.5

Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet (artikel 104 Grondwet). Dit houdt echter geen verbod in om regelingen op het gebied van het belastingrecht te laten vaststellen door een ander dan de formele wetgever. In het belastingrecht is sprake van delegatie indien “het tot het belastingheffing bevoegde orgaan de uitwerking van bepaalde, in zijn wettelijke regeling omschreven, onderwerpen, opdraagt of overlaat aan een ander overheidsorgaan, dat zonder deze uitdrukkelijke opdracht of machtiging de bevoegdheid daartoe mist” (H.J. Hofstra, in: R.E.C.M. Niessen, Inleiding tot het Nederlandse belastingrecht, Fiscale Handboeken, nr.1, Deventer: Kluwer 2010, blz 161).

4.6

De tekst van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet) luidt als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor (…)

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven volgens bij ministeriële regels te stellen regels”.

Uit deze formulering volgt dat de formele wetgever regelgevende bevoegdheid heeft gedelegeerd aan de Minister. Aan deze delegatiebevoegdheid is in artikel 38 van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) uitvoering gegeven. Dit artikel luidt als volgt:

“Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 310 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 620 te boven gaan, voor een bedrag van € 775, indien:

a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort; en

b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.”

4.7

De Inspecteur heeft voor de echtgenote van belanghebbende een bedrag van € 775 in aanmerking genomen, derhalve het hoge forfaitaire bedrag zoals genoemd in artikel 38 Uitvoeringsregeling. Belanghebbende wil dit bedrag verhoogd zien met € 1.000, derhalve tot € 1.775. Hij stelt zich op het standpunt dat het bepaalde in artikel 6.17, eerste lid, onder g, van de Wet de ministeriële regelgever niet de ruimte geeft de aftrek in artikel 38 Uitvoeringsregeling te beperken tot een forfaitair bedrag, aangezien in artikel 6.17, eerste lid, onder g, niet is bepaald dat de aftrek in de ministeriële regeling mag worden begrensd. Belanghebbende is daarom van mening dat artikel 38 van de Uitvoeringsregeling onverbindend is, omdat deze niet kan worden gedragen door de wet waarop zij berust. Voorts stelt belanghebbende dat een forfaitaire begrenzing van de aftrek in strijd is artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) alsmede met ongeschreven rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel, het draagkrachtbeginsel en het legaliteitsbeginsel.

4.8

Buitengewone lasten ter zake van ziekte waren reeds aftrekbaar onder het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941. De aftrekbaarheid van deze uitgaven is voortgezet in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Art. 46 Wet IB 1964, oorspronkelijke tekst, hield in:

"1. Buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven: (...)

b. ter zake van ziekte, invaliditeit, bevalling en overlijden van de belastingplichtige [en] diens (...) kinderen (...), met dien verstande dat uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij meer bedragen dan f 750 (...)

2. De buitengewone lasten komen slechts in aanmerking, indien zij gezamenlijk meer bedragen dan vier percent van het onzuivere inkomen (...)"

Het advies van de commissie Hofstra vormde het uitgangspunt voor een nieuwe regeling zoals deze werd opgenomen in het tweede lid van artikel 46 (Kamerstukken II 1969/70, 10 027, nr. 3, bijlage blz 6):

"(...) De huidige formulering, die de fiscus herhaaldelijk doet meedragen in de kosten van een dieet, van reizen voor ziekenbezoek, van moeilijk te beoordelen vakantiereizen op medisch advies, enz. gaat naar het oordeel van de commissie de strekking van het begrip buitengewone lasten, mede gezien tegen de achtergrond van de gestegen welvaart, te buiten. Beperking van het kostenbegrip tot de kosten van medische bijstand en behandeling, van geneesmiddelen, verpleging en medische apparatuur, zomede van extra gezinshulp wegens ziekte, invaliditeit en bevalling, kan bovendien het aantal geschillen en procedures aanmerkelijk verminderen. (...)"

In de Memorie van Blijkens de memorie van toelichting was voor de kwalificatie van buitengewone lasten als uitgaven ter zake van ziekte van doorslaggevend belang de aanwezigheid van een direct verband (c.q. causaal verband) tussen lasten en ziekte en de aanwezigheid van een medische noodzaak van behandeling (Kamerstukken II 1969/70, 10 790, nr. 3, blz. 8 en 17)

“Met betrekking tot het begrip uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling is in het ontwerp het advies van de commissie-Hofstra overgenomen. Ook naar de mening van de ondergetekenden is dit begrip bij de huidige wetgeving uitgegroeid tot buiten de door de grondgedachten van de regeling aangegeven grenzen. Met name ten aanzien van reiskosten, bezoekkosten en de kosten van een dieet zijn in de voorgestelde regeling de contouren van wat als ziekte-uitgaven mag gelden, duidelijk aangegeven.

(...)

Voor wat betreft de in het eerste lid, onder letter b, van art. 46 opgesomde soorten uitgaven, achten de ondergetekenden een nadere precisering noodzakelijk.”

Bij Wet van 24 december 1970, Stb. 604, werd art. 46 Wet IB 1964 met ingang van 1971 geredigeerd:

"1. Buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende: (...) b. uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie en overlijden van de belastingplichtige [en] diens (...) kinderen (...), tot een en een kwart maal het bedrag van die uitgaven voor zover zij meer bedragen dan: (...) f 2500 (...); met dien verstande dat geen hoger bedrag in aanmerking wordt genomen dan het gezamenlijke bedrag van die uitgaven; (...)

2. Als uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling worden uitsluitend aangemerkt de daarmede verband houdende:

a. uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulp- en kunstmiddelen en vervoer;

b. uitgaven voor extra gezinshulp;

c. extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet, tot een bedrag bepaald volgens door Onze Minister te geven regelen (…)"

4.9

De huidige bepaling met betrekking tot de aftrek van extra uitgaven van voor kleding en beddengoed is sedert 1 januari 1974 in de Wet IB 1964 opgenomen. De toevoeging aan artikel 46 Wet IB, tweede lid luidde:

“d. extra uitgaven voor kleding en beddegoed, volgens door Onze Minister te geven regelen.”

4.10

Bij de totstandkoming van deze bepaling in de wet “Aanpassing van de ziektekostendrempel in de buitengewone lastenregeling van de inkomstenbelasting en de loonbelasting” per 1 januari 1974, is tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer der Staten Generaal hierover onder meer het navolgende opgemerkt:

“Thans noemt de wet in het bijzonder extra uitgaven voor voeding (dieet). Is het niet mogelijk ook kleding e.d. in aanmerking te nemen, bij voorbeeld voor zwakzinnige, motorisch gestoorde en incontinente gezinsleden? Zeer vele mensen brengen ontzaglijke offers ten behoeve van thuiswonende kinderen, ouders of andere familieleden – offers van aandacht, geduld, tijd, maar ook in geld. Een enigszins volledige beschrijving van mogelijke financiële offers zal ongetwijfeld uitgesloten blijven. Voor kleding en beddegoed moet evenwel een norm op te stellen zijn, even goed als voor voeding. “ (TK, 1973-1974, 12 471, nr 4 (Voorlopig Verslag), blz 3 r.k.)

De Minister van Financiën antwoordde daarop, onder meer:

“Zeer vele leden en zeer vele andere leden vestigen de aandacht op tal van kosten voor zwakzinnige, motorisch gestoorde en incontinente gezinsleden zoals aangeduid in het request van de Bond voor motorisch gehandicapten, gezien de offers die worden gebracht ten behoeve van thuiswonende kinderen, ouders of andere familieleden – offers in aandacht, geduld, tijd, maar ook in geld. Zeer vele leden merken op dat slechts een klein deel van de extra uitgaven voor aftrek in aanmerking komt en vragen de bewindsman of dit een bevredigende situatie is. Zeer vele andere leden suggereren een norm voor kosten van kleding en beddegoed in deze gevallen zoals ook voor extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet normen zijn vastgesteld. De ondergetekende is zich er terdege van bewust dat de in de hierboven bedoelde gevallen grote offers worden gebracht. (…) Wat betreft de vraag inzake een norm voor kosten van kleding en beddegoed is het zo dat de kosten die buiten de limitatieve opsomming van de buitengewone lastenregeling vallen zo verschillen van aard en omvang, afhankelijk van de ziekte of invaliditeit in individuele gevallen, dat het stellen van afzonderlijke normen voor deze kosten zoals voor extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet, niet mogelijk lijkt.” (TK, 1973-1974, 12 471, nr 5 (Memorie van Antwoord), blz 5 r.k.)

4.11

Het Hof constateert dat leden van de Tweede kamer de bewindsman hebben verzocht met betrekking tot de aftrekbaarheid van extra uitgaven voor kleding en beddengoed een regeling mogelijk te maken waarbij die extra kosten op overeenkomstige wijze als de uitgaven voor voeding (dieet) – waarvoor de wettekst uitdrukkelijk aan de Minister de bevoegdheid gaf daarvoor een normbedrag te stellen – in aftrek konden worden gebracht. De Minister achtte een dergelijke norm voor kleding en beddengoed echter niet goed mogelijk omdat “… de kosten (…) zo verschillen van aard en omvang, afhankelijk van de ziekte of invaliditeit in individuele gevallen, dat het stellen van afzonderlijke normen voor deze kosten zoals voor extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet, niet mogelijk lijkt.”

4.12

De bepaling met betrekking tot de aftrek voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed, werd – niettegenstaande het hiervoor onder 4.10 opgenomen antwoord van de Minister – in de wet opgenomen na aanvaarding van het amendement Dolman (TK 1973-1974, 12 741, nr 8.) dat – voor zover hier van belang – luidde:

“ I Aan artikel I wordt, onder vernummering van het enige lid als eerste lid, toegevoegd:

2. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een

puntkomma, toegevoegd:

d. extra uitgaven voor kleding en beddegoed, volgens door Onze Minister te geven

regelen.

Toelichting

Deze amendementen beogen tegemoet te komen aan extra hoge uitgaven voor thuisverpleegde gezinsleden.”

4.13

Daarbij springt in het oog dat in de destijds tot stand gekomen wettelijke regeling voor aftrek van uitgaven voor extra kleding en beddengoed aan de Minister wel de bevoegdheid wordt gegeven om regelen te geven volgens welke de extra uitgaven voor kleding en beddengoed aftrekbaar zijn doch – zulks in tegenstelling in zoverre tot de regeling voor de aftrek voor extra kosten van voeding (dieet), en tevens in zoverre in afwijking van de destijds geldende regelingen met betrekking tot de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar en uitgaven ter zak van adoptie – aan de Minister niet de bevoegdheid wordt gegeven om bij afzonderlijke regeling tevens het bedrag van die extra kosten te normeren. Het Hof acht zulks in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling ook voor de hand te liggen, nu immers de Minister zelf reeds had aangegeven dat het stellen van een dergelijke norm niet goed mogelijk was.

4.14

Uit de hierboven vermelde vraagstelling, de beantwoording door de Minister daarvan en het tekst van het daarop volgende aangenomen amendement dient naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs de conclusie te worden getrokken dat de wetgever voor de beoordeling van de aftrekbaarheid van de uitgaven voor extra kleding- en beddengoed aan de Minister niet de bevoegdheid heeft gegeven, en ook niet heeft willen geven, om daarvoor een nadere (absolute) drempel voor de aftrekbaarheid van die uitgaven te bepalen. Kennelijk heeft de wetgever aan normering van de hoogte van de aftrek van die uitgaven niet meer eisen willen stellen dan de in de bestaande vaste rechtspraak gehanteerde algemene gedachte van de extra-kosten. Daarbij worden als buitengewone lasten slechts in aanmerking genomen, die uitgaven die naar objectieve maatstaven gemeten als extra moeten worden aangemerkt en derhalve alleen voor zover die uitgaven hoger zijn dan zonder de ziekte, invaliditeit of bevalling in een gezin als dat van de betrokken belastingplichtige en in zijn financiële omstandigheden normaal is. In dat verband wijst het Hof nog op de toelichting op het (aangenomen) amendement, dat beoogt “ tegemoet te komen aan extra hoge [cursivering: Hof] uitgaven….”.

4.15

Met ingang van 1980 werd art. 46, lid 2, Wet IB 1964 vernummerd tot artikel 46, lid 3, Wet IB 1964. Deze bepaling is sindsdien in (nagenoeg) ongewijzigde vorm voortgezet, zowel in de Wet IB 1964 als in de Wet IB 2001.

4.16

Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de ministeriële regelgever met voormeld artikel 38 van de Uitvoeringsregeling, waarbij absolute beperkingen worden gesteld aan de hoogte van de in aftrek te brengen bedragen voor in verband met ziekte of invaliditeit verrichte extra uitgaven voor kleding- en beddengoed, buiten de aan hem gedelegeerde bevoegdheid is getreden, en dat deze regeling daarom onverbindend is voor zover daarin wordt bepaald dat nimmer meer dan een bedrag van € 775 (2013) in aanmerking kan worden genomen.

4.17

Op grond van hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.16 dient belanghebbende dient alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om aannemelijk te maken dat en tot welk bedrag hij in het onderhavige jaar dergelijke extra kosten als bedoeld in 4.14 voor kleding- en beddengoed heeft gemaakt.

Schadevergoeding

4.18

Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding van € 5.000. Hij stelt dat de Inspecteur in voorbereiding op de onderhavige aanslag onrechtmatig heeft gehandeld door, naar aanleiding van een door hem bij de Nationale Ombudsman ingediende klacht over het niet toelaten van een aftrek wegens kosten voor extra gezinshulp voor de belastingjaren 2002 tot en met 2008, een algehele controle uit te voeren naar de aangifte van onderhavige belastingjaar 2013. Voorts heeft hij aangevoerd dat het doorzenden van privacy-gevoelige informatie naar de Ombudsman, zonder dat daarvoor zijn toestemming is gevraagd, een schending van de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR oplevert. Belanghebbende baseert zijn verzoek om schadevergoeding op het bepaalde in artikel 8:88 Awb.

4.19

Het Hof komt, in navolging van de Rechtbank, tot het volgende oordeel. Ingevolge de artikelen IV en V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50, geldt titel 8.4 van de Awb (nog) niet voor besluiten van de Belastingdienst, met uitzondering van besluiten betreffende de vennootschapsbelasting. Een verzoek om schadevergoeding kan alleen worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 8:73 Awb (in de tot 1 juli 2013 geldende tekst).

4.20

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:73 Awb (oud) kan het Hof, indien hij het beroep gegrond verklaart, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Op grond van het bepaalde in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Inspecteur niet onrechtmatig gehandeld door de aangifte voor het onderhavige jaar aan een controle te onderwerpen en daarover vragen te stellen. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur tijdens deze controle heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur noch dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. In het kader van een eventuele schending van de geheimhoudingsplicht in de zin van artikel 67 AWR merkt het Hof op dat het verstrekken van privacy-gevoelige informatie aan de Ombudsman niet een handeling betreft in voorbereiding op onderhavige aanslag noch enige andere beschikking in de zin van artikel 26 AWR op grond waarvan het Hof is bevoegd daarover te oordelen. Het Hof wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. Voor zover belanghebbende anderszins van mening mocht zijn dat hij schade heeft geleden als gevolg van een eventuele schending van de geheimhoudingsplicht door de Inspecteur dient hij zich daarvoor tot de civiele rechter te wenden.

4.21

Belanghebbende heeft voorts het Hof verzocht voor recht te verklaren dat het onbehoorlijk is dat de klachtencommissie van de Belastingdienst, die de klacht van belanghebbende over het verstrekken van privacy-gevoelige gegevens aan de Ombudsman in behandeling heeft genomen, de klacht nog steeds niet heeft afgehandeld. Er is geen rechtsgrond op basis waarvan het Hof tot een dergelijke verklaring zou kunnen komen, zodat het verzoek van belanghebbende wordt afgewezen.

Slotsom

Op grond van al het bovenstaande komt het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is, dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de Inspecteur voor de verdere afhandeling van de bezwaren van belanghebbende met betrekking tot aftrek voor uitgaven voor extra kleding- en beddengoed, waarbij belanghebbende door de Inspecteur tevens in de gelegenheid zal worden gesteld te worden gehoord, een en ander met inachtneming van deze uitspraak.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 279,80 voor de kosten in eerste aanleg (€ 259 verletkosten en € 20,80 reiskosten) en € 282,40 voor de kosten in hoger beroep (€ 261 verletkosten en € 21,40 reiskosten), ofwel in totaal op € 562,20.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- wijst het verzoek van belanghebbende om toekenning van een schadevergoeding en de verklaring voor recht af;

- wijst de zaak voor verdere behandeling van de bezwaren van belanghebbende met betrekking tot de aftrek van extra uitgaven voor kleding- en beddengoed, met inachtneming van deze uitspraak, terug naar de Inspecteur;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 562,20;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 123 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. M.G.J.M. van Kempen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is op 9 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Het lid van de enkelvoudige kamer,

(M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 9 augustus 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.