Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6308

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
200.177.816/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een loonwerker beschadigt tijdens het maaien van de berm / groenstrook met een klepelmaaier een door de netbeheerder in de berm van de weg geplaatste gasverdeelkast met een hoogte van 50 cm. De netbeheerder vordert vergoeding van de kosten van herstel. Onzorgvuldig handelen van de loonwerker door niet voorafgaand aan de maaiwerkzaamheden het terrein, waarop het gras een hoogte van 1 meter had bereikt, te controleren op de aanwezigheid van obstakels, zoals gasverdeelkasten. Het beroep van de loonwerker op eigen schuld van de netbeheerder wordt verworpen. Er was voor de netbeheerder geen geronde reden om het kastje op een andere plaats neer te zetten, voor de aanwezigheid van het kastje te waarschuwen of een beschermingsbeugel rond het kastje te plaatsen. Aan de door de netbeheerder bij de loonwerker in rekening gebrachte factuur ligt de door de netbeheerder gehanteerde “notitie kosten bij storingen” ten grondslag. De kosten van materiaal en de kosten van de door de netbeheerder ingeschakelde aannemer komen voor vergoeding in aanmerking, evenals de administratiekosten en coördinatiekosten. Het beroep van de loonwerker op een aftrek wegens nieuw voor oud faalt, omdat de netbeheerder geen voordeel heeft gehad van het vervangen van de gasverdeelkast. Deze kasten hebben in beginsel een onbeperkte levensduur. De vordering van de netbeheerder wordt afgewezen voor zover het betreft een magazijntoeslag van 10% op de kosten van het materiaal in verband met het op voorraad houden van materiaal. De netbeheerder heeft deze kosten niet voldoende inzichtelijk gemaakt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/141
AR 2016/2297

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.177.816/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3676623 LC 14-5662)

arrest van 2 augustus 2016

in de zaak van

Liander N.V.,

gevestigd te Arnhem,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Liander,

advocaat: mr. F.J. van Velsen, kantoorhoudend te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg, kantoorhoudend te Arnhem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 april 2016 hier over.

1.2

Na het genoemde tussenarrest heeft op 28 juni 2016 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.3

Vervolgens is arrest bepaald op de stukken die ter voorbereiding op de comparitie van partijen zijn overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 van het vonnis de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken, zodat het hof van de door de kantonrechter vastgestelde feiten kan uitgaan. deze feiten komen, aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, op het volgende neer.

2.2

[geïntimeerde] exploiteert een hoveniersbedrijf. KFC heeft [geïntimeerde] opdracht gegeven het gras te maaien op een groenstrook naast de toegangsweg naar het KFC Restaurant [A] . Op deze groenstrook bevindt zich een zogenaamde gasverdeelkast. Deze gasverdeelkast, die ongeveer 50 cm hoog is, maakt onderdeel uit van het gasnet dat wordt beheerd door Liander.

2.3

Op 21 mei 2014 heeft een werknemer van [geïntimeerde] met een tractor met een zogenaamde klepelmachine het toen circa een meter hoge gras verwijderd op die groenstrook. De werknemer heeft daarbij de vermelde gasverdeelkast omver gereden. Liander heeft nog diezelfde dag de gasverdeelkast en circa 15 meter aan leidingen vervangen.

2.4

Liander heeft [geïntimeerde] bij brief van 26 mei 2014 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en haar een factuur in het vooruitzicht gesteld betreffende deze schade. Vervolgens heeft zij [geïntimeerde] een factuur d.d. 23 juni 2014 gestuurd, die sluit op een bedrag van € 4.490,64.

2.5

[geïntimeerde] heeft de aansprakelijkheidsstelling gemeld bij haar verzekeraar ASR. ASR heeft ing. [B] (hierna: [B] ) van [C] registerexperts opdracht gegeven onderzoek te verrichten. In dat verband heeft [B] in een e-mailbericht van 2 juli 2014 verzocht om de ouderdom van de gasverdeelkast door te geven. Liander heeft dat geweigerd, omdat de ouderdom van de beschadigde kast volgens haar niet relevant is voor de begroting van de schade. Nadat [B] in een e-mailbericht van
12 augustus 2014 nog een toelichting had gevraagd op enkele onderdelen van de factuur van 23 juni 2014 en ook had gevraagd om een urenspecificatie ontving hij die dag een e-mailbericht namens Liander, waarin onder meer was vermeld:
"Alvorens Liander meewerkt aan een onderzoek naar de schadeomvang verzoek ik u c.q. verzekeraars eerst om aansprakelijkheid in dezen te beoordelen. Na de aansprakelijkheidsbeoordeling van de verzekeraar zal ik uw vragen omtrent de schadeomvang meteen beantwoorden."

2.6

[B] heeft op22 augustus 2014 een rapport uitgebracht. In dat rapport is onder meer vermeld:
"Van de zijde van [geïntimeerde] BV is ons gemeld dat de netbeheerder rondom de kast geen beveiliging had geplaatst in de vorm van een buizenframe of betonpaaltjes. Ons inziens was hiermee de nu ontstane schade voorkomen.
(…)
wederpartij plaatste een nieuwe verdeelkast, maar weigerde ons op te geven welke ouderdom het beschadigde exemplaar had. (…) Wederpartij claimde een bedrag van EUR 4.490,64 vrij van btw voor het herstel, bestaande uit 35 werkuren voor het vervangen van de gasverdeelkast. de dagwaarde van het object bepaalden wij bij het ontbreken van de juiste ouderdom op basis van schatting: EUR 3.000,00 vrij van BTW."

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

Liander heeft [geïntimeerde] gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van
€ 5.147,59 (het bedrag van de onbetaald gebleven factuur, vermeerderd met wettelijke rente tot aan de datum van de dagvaardingen € 600,00 buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met rente en proceskosten. Aan deze vordering heeft zij - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat een werknemer van [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar gehandeld door bij de maaiwerkzaamheden onvoldoende oplettendheid te betrachten en onvoldoende voorzorgsmaatregelen te treffen, waardoor de gasverdeelkast is beschadigd en zij het gevorderde bedrag aan schade heeft geleden.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Volgens haar heeft haar werknemer niet onzorgvuldig gehandeld, omdat hij redelijkerwijs niet hoefde te verwachten dat tussen het hoge gras een gasverdeelkast was verstopt. Ook was volgens [geïntimeerde] sprake van eigen schuld bij Liander. Liander heeft ten onrechte nagelaten de kast te beschermen met een buizenframe. Ten slotte heeft [geïntimeerde] de omvang van de door Liander gevorderde schade betwist.

3.3

De kantonrechter heeft, nadat een comparitie van partijen had plaatsgevonden, de vorderingen van Liander afgewezen. Volgens de kantonrechter hoefde de werknemer van [geïntimeerde] geen rekening te houden met de aanwezigheid van de gasverdeelkast. Hij hoefde dan ook geen voorzorgsmaatregelen te treffen in verband met de mogelijke aanwezigheid van de kast in het te maaien perceel en heeft om die reden niet in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en toerekenbaar onrechtmatig gehandeld.

4 De bespreking van de grieven

4.1

Met grief 1 komt Liander op tegen het oordeel van de rechtbank dat de werknemer van [geïntimeerde] niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens Liander heeft hij dat wel en is [geïntimeerde] om die reden aansprakelijk voor de door Liander geleden schade. Liander voert daartoe aan dat algemeen bekend is dat zich in bermen en groenstroken nutsvoorzieningen als de gasverdeelkast bevinden. Wie beroepsmatig bermen maait, is daarmee zeker bekend en dient rekening te houden met de potentiële aanwezigheid ervan. In dit geval vond het maaiwerk plaats op een veld waar het gras zeer hoog stond. De medewerker van [geïntimeerde] had het gras om die reden zorgvuldig moeten inspecteren op de eventuele aanwezigheid van obstakels. Door dat na te laten, heeft hij onzorgvuldig gehandeld, aldus Liander.

4.2

Het hof neemt bij het antwoord op de vraag of de medewerker van [geïntimeerde] onzorgvuldig heeft gehandeld het volgende in aanmerking:
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het gras op het door de medewerker van [geïntimeerde] te maaien veld erg hoog - ongeveer 1 meter hoog - stond en dat [geïntimeerde] niet eerder de opdracht had gekregen het veld te maaien. De medewerker diende dan ook maaiwerkzaamheden te verrichten op een hem onbekend terrein, dat bovendien zodanig begroeid was dat eventuele obstakels in dat terrein niet direct zichtbaar waren. Door het terrein voorafgaand aan de maaiwerkzaamheden niet te inspecteren nam de medewerker het risico dat hij gedurende de maaiwerkzaamheden op een moeilijk zichtbaar obstakel zou stuiten, waarbij een beschadiging zou kunnen optreden, aan zijn maaiinstallatie en/of aan dat
obstakel.
Dat zich in de te maaien berm een vanwege de hoge begroeiing een niet goed zichtbaar bovengronds netonderdeel zou bevinden, was niet slechts een theoretische mogelijkheid. Liander heeft, niet (voldoende) weersproken door [geïntimeerde] , aangevoerd dat in haar verzorgingsgebied ruim 90.000 bovengrondse netonderdelen staan, waarvan 18.000 gaskasten. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep heeft de directeur van [geïntimeerde] ook aangegeven dat er vaker kastjes staan in te maaien terrein.
Het kastje was weliswaar lager dan het omliggende gras, maar had een grijze kleur. Het hof acht het dan ook alleszins aannemelijk dat het bij een zorgvuldige visuele inspectie van het te maaien terrein zou zijn opgemerkt.

4.3

Gelet op enerzijds de onbekendheid met en de onoverzichtelijkheid van het te maaien terrein en anderzijds het geenszins denkbeeldige risico dat bij het maaiwerk obstakels in het terrein, waaronder daar aanwezige onderdelen van het bovengrondse leidingnetwerk, zouden worden geraakt, mocht van de medewerker van [geïntimeerde] worden verwacht dat hij het terrein zorgvuldig inspecteerde alvorens met de maatwerkzaamheden te beginnen, bij welke inspectie hij het kastje had behoren op te merken. Nu voldoende aannemelijk is dat een dergelijke inspectie achterwege is gebleven, heeft de medewerker onzorgvuldig gehandeld. Het hof overweegt in dit verband dat de stellingen van [geïntimeerde] over de vraag of een inspectie heeft plaatsgevonden weinig helder zijn. Enerzijds heeft zij in de memorie van antwoord betoogd dat van haar niet mag worden verlangd dat zij voorafgaand aan het werk het terrein "Gaat afspeuren naar eventueel in het zand of tussen het onkruid liggende objecten", anderzijds heeft haar directeur tijdens de genoemde comparitie verklaard dat er met de opdrachtgevers op het te maaien gebied is rondgelopen. Hij heeft toen ook verklaard dat het geen doen is om elke meter van het terrein te controleren. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] aldus niet heeft onderbouwd dat het terrein zorgvuldig is geïnspecteerd, hetgeen wel van [geïntimeerde] had mogen verwacht.

4.4

De slotsom is dat de grief slaagt.

4.5

Met grief 2 komt Liander op tegen de afwijzing van haar vorderingen. In de toelichting op deze grief gaat zij in op de verweren van [geïntimeerde] die het hof op grond van de devolutieve werking van het appel dient te bespreken indien het hof grief 1 gegrond acht. Het hof zal deze verweren hierna bespreken en daarbij ook betrekken hetgeen [geïntimeerde] in aanvulling en ter toelichting op deze verweren in appel nog heeft aangevoerd.

4.6

[geïntimeerde] heeft allereerst een beroep gedaan op eigen schuld van Liander. Het hof stelt bij de bespreking van dit beroep voorop dat op [geïntimeerde] stelplicht en bewijslast rusten ten aanzien van de feiten die zij aan haar beroep op eigen schuld ten grondslag legt.

4.7

[geïntimeerde] heeft in het kader van haar beroep op eigen schuld aangevoerd dat Liander heeft nagelaten voorzorgsmaatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan de gasverdeelkast. Als een gasverdeelkast, zoals hier, wordt geplaatst op een niet goed zichtbare plaats, dienen maatregelen te worden genomen om aanrijdingen te voorkomen en dient een bescherming te worden aangebracht. Volgens [geïntimeerde] schrijft de toepasselijke NEN-norm,
NEN 1059:2010, het treffen van dergelijke maatregelen ook voor en heeft Liander zich ten onrechte niet aan die norm gehouden.

4.8

Liander heeft bestreden dat zij in strijd heeft gehandeld met de toepasselijke normen. Volgens Liander is NEN 1059:2010, die dateert uit 2010, niet van toepassing omdat de gasverdeelkast in 2010 al bestond en in genoemde NEN-norm is aangegeven dat de norm niet van toepassing is op bestaande gasdrukregel- en meetstations. Voor die stations bleef de oude norm, NEN 1059:1994, gelden. Het toepassingsgebied van NEN 1059:1994 is beperkt tot stations van de categorieën B en C. Volgens Liander was de gasverdeelkast een kast van categorie A.

4.9

Indien [geïntimeerde] al heeft willen betogen dat de kast een categorie B kast is - helemaal duidelijk is dat niet, omdat [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord aangeeft dat de kast van “categorie B of A8” is - heeft zij dit betoog in het licht van het gemotiveerde verweer van Liander onvoldoende onderbouwd. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat op de kast de normen van NEN 1059:1994 (en al helemaal niet die van NEN 1059:2010) van toepassing zijn.

4.10

Overigens is het hof van oordeel dat indien NEN 1059:2010 van toepassing zou zijn de door [geïntimeerde] aangehaalde voorschriften niet zijn overtreden. NEN 1059:2010 schrijft voor dat plaatsen met een verhoogd risico van uitwendige beschadiging moeten worden vermeden. De onderhavige kast was midden in een groenstrook geplaatst. Die strook wordt, uit de aard der zaak, niet gebruikt voor het verkeer, zodat de kans op een aanrijding met een auto of een (brom)fietser uiterst minimaal is. Het enige voertuig dat enkele malen per jaar op de groenstrook mag worden verwacht, is een grasmaaier. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd risico op aanrijdingen, maar van een uiterst gering risico - enkele malen per jaar passeert een voertuig dat het kastje kan beschadigen -, ook als ervan moet worden uitgegaan dat de bestuurder van de grasmaaier het te maaien terrein niet kent. Als bij een verhoogd risico toch een kast wordt geplaatst, dienen ingevolge de genoemde NEN-norm deugdelijke maatregelen tegen beschadigingen te worden genomen. Nu van zo’n verhoogd risico geen sprake is, kon Liander het nemen van beschermingsmaatregelen achterwege laten.
Liander diende, bij wijze van veronderstelling uitgaande van de toepasselijkheid van de NEN-norm, begroeiing die de bereikbaarheid van de installatie hindert en wortelgroei die de behuizing of fundering ontwricht tijdig te verwijderen. Van dergelijke begroeiing was, gelet op hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd over de situatie van de groenstrook, naar het oordeel van het hof geen sprake. De gasverdeelkast kon ondanks de begroeiing goed worden bereikt
- er was geen sprake van struiken of bomen maar van hoog gras - en de wortelgroei van het gras vormde geen bedreiging voor de fundering.

4.11

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat er ook afgezien van de toepasselijkheid van de NEN-norm geen gegronde reden voor Liander was om het kastje op een andere plaats neer te zetten, voor de aanwezigheid van het kastje te waarschuwen of om een bescherming om het kastje aan te brengen. Evenmin was er een reden voor Liander om het gras op de directe omgeving rond het kastje zelf te maaien. Het beroep op eigen schuld faalt dan ook.

4.12

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de omvang van de schade door kanttekeningen te plaatsen bij diverse onderdelen van de factuur van 23 juni 2014, waarin Liander haar vordering heeft gespecificeerd. Het hof zal de kritiek van [geïntimeerde] op de factuur bespreken en stelt bij deze bespreking voorop dat stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de schade op Liander rusten.

4.13

Liander heeft een bedrag van € 1.610,38 aan materiaalkosten in rekening gebracht en daarnaast kosten voor de inzet van haar eigen monteurs die de reparatie hebben uitgevoerd, kosten van de ingeschakelde aannemer en indirecte kosten, zoals administratiekosten en storingscoördinatie. In dit bedrag is een opslag van 10% begrepen, de zogenaamde magazijntoeslag. Volgens [geïntimeerde] wordt deze opslag ten onrechte berekend en is ten onrechte geen rekening gehouden met een aftrek wegens nieuw voor oud. Ook heeft [geïntimeerde] kritiek geuit op het aantal in rekening gebrachte uren en op de kosten voor de storingscoördinatie en de administratiekosten.

4.14

Liander heeft aangevoerd dat zij standaard een magazijntoeslag in rekening brengt. Zij heeft daartoe verwezen naar haar “notitie kosten bij storingen”, waarin over deze opslag het volgende is vermeld:
“De voor reparatie nodige materialen moeten op voorraad worden gehouden (ze kunnen niet pas worden besteld als er storing is: alles moet in iedere regio op voorraad zijn). Daarvoor is er een voorraad- en besteladministratie; er is renteverlies; er ligt voor miljoenen Euro’s aan materiaal opgeslagen; de opslag kost magazijnruimte en loonkosten voor het beheer. De materialen moeten ook van en naar het magazijn worden vervoerd (kabel met haspelwagen). Voor deze kosten wordt een vaste opslag van 10% op de materiaalkosten berekend.”
Ook heeft Liander bestreden dat in dit geval een aftrek wegens nieuw voor oud dient te worden toegepast.
Voor wat betreft de administratiekosten c.a. heeft Liander verwezen naar de hiervoor vermelde notitie, waarin over deze kosten het volgende is opgemerkt:
“Bij de reparatie moeten administratieve handelingen worden verricht, zoals het invullen van het storingsrapport, werkbonnen e.d. en de verwerking daarvan door derden. Dan is er de afzonderlijke storingsregistratie (KLAK) waarin het verloop van de storing stap voor stap wordt vastgelegd: het moment van melding; persoon van de melder (…). Ook moet er volgens voorschrift van de ACM een nauwkeurig omschreven melding worden gedaan in et landelijk registratiesysteem NESTOR. Er moet veelal een externe aannemer voor het çiviele’werk worden ingeschakeld; die moet worden opgeroepen; zijn factuur moet worden gecontroleerd en administratief verwerkt etc. Na reparatie moet een revisietekening worden gemaakt. Voor dit type van reparatiegebonden administratieve kosten, die dus onderdeel zijn van de herstelkosten, worden op de schadenota forfaitaire, gestaffelde bedragen in rekening gebracht.”
Betreffende de coördinatiekosten is in het rapport opgemerkt:
“Bij storingen wordt de afwikkeling door leidinggevenden gemonitord en waar nodig aangestuurd. Omdat zij hierbij geen ‘tijd schrijven’ worden op basis van de gemiddelde tijdsbesteding per type storing hiervoor vaste (kleine) bedragen in rekening gebracht.”

4.15

In geval van zaaksbeschadiging geldt als regel dat de eigenaar van de beschadigde zaak vóór en onafhankelijk van herstel van de zaak een nadeel in zijn vermogen lijdt, gelijk aan de waardevermindering van die zaak. Die waardevermindering zal, wanneer reparatie mogelijk en verantwoord is, in zijn algemeenheid zijn te stellen op de naar objectieve maatstaven te berekenen herstelkosten. Dat is ook het geval wanneer het herstel (grotendeels) wordt uitgevoerd door het eigen personeel van de eigenaar van de beschadigde zaak (vgl. in die zin al Hoge Raad 16 juni 1961, NJ 1961, 444). In zo’n geval, waarin de (interne) reparatiekosten kunnen worden verhaald, valt niet in te zien waarom de rechtstreeks met die reparatie samenhangende kosten van de administratieve afhandeling niet voor vergoeding in aanmerking komen (vgl. Hoge Raad 19 december 1975, NJ 1976, 280). De aard van deze schade rechtvaardigt dat de rechter bij het begroten daarvan in beginsel abstraheert van omstandigheden die de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffen, terwijl terughoudendheid dient te worden betracht met het aanvaarden van uitzonderingen op het voormelde uitgangspunt (Hoge Raad 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357). Het hof zal met inachtneming van het bovenstaande de tussen partijen bestaande geschilpunten beoordelen.

4.16

In dit geval bestonden de directe herstelkosten uit de kosten van materiaal - de gasverdeelkast zelf en leidingen van en naar die kast dienden te worden vervangen - en kosten van het personeel dat de reparatie diende te verrichten. Liander heeft in eerste aanleg een specifieke verstrekt van de uren van haar monteurs en ander technisch personeel. De specificatie, die sluit op 35 uren, is aanvankelijk voor 6,5 uren door [geïntimeerde] bestreden. Volgens [geïntimeerde] betrof het uren zouden zijn besteed aan de schadeafwikkeling. Nadat Liander had aangegeven dat de 6,5 uren waren verricht door een technicus, is [geïntimeerde] daar niet meer op teruggekomen. Er kan dan ook worden uitgegaan van de 35 uren en van het door Liander berekende uurtarief, dat door [geïntimeerde] niet is bestreden. Ook de kosten van de aannemer staan niet ter discussie, evenmin als de materiaalkosten (afgezien van de opslag).

4.17

Indien Liander inderdaad, zoals zij stelt, voorraden dient aan te houden ter vervanging van door derden beschadigde installaties, komen de kosten die verband houden met het aanhouden van deze voorraad in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Er kan dan worden uitgegaan van een redelijk percentage van de inkoopprijs van de voor de reparatie gebruikte materialen. Dat die situatie zich voordoet, en dat het door haar gehanteerde percentage redelijk is, heeft Liander in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] echter onvoldoende aannemelijk gemaakt. Liander heeft voornamelijk verwezen naar de hiervoor aangehaalde interne notitie. Uit die notitie volgt echter niet dat Liander speciaal ten behoeve van door derden veroorzaakte beschadigingen materialen worden aangehouden, of dat vanwege het risico op dergelijke beschadigingen meer materialen worden aangehouden dan anders het geval zou zijn. Daarmee heeft Liander het betoog van [geïntimeerde] , dat Liander ook vanwege het reguliere onderhoud en de geplande vervanging van haar netwerk voorraden dient aan te houden, onvoldoende weerlegd. Liander heeft niet inzichtelijk gemaakt dat zij om beschadigingen door derden snel te kunnen herstellen kosten maakt die zij anders niet zou hebben gemaakt. Dat volgt ook niet uit de notitie. Daarin wordt niet aangegeven welke voorraden Liander heeft en of een, en zo ja welk, deel daarvan bestemd is om noodreparaties te kunnen verrichten. Een onderbouwing van het door Liander gehanteerde opslagpercentage ontbreekt in die notitie. Dat had, gelet op het op het eerste gezicht forse, percentage dat Liander hanteert, wel voor de hand gelegen. Liander heeft dit deel van haar vordering dan ook onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat van het bedrag aan materiaalkosten 1/11 deel - een bedrag van € 146,40 - niet voor vergoeding in aanmerking komt. Er resteert dan een bedrag van € 1.463,98.

4.18

De in rekening gebrachte administratiekosten en coördinatiekosten komen het hof, mede gelet op het totale schadebedrag, in het licht van hetgeen het hof hiervoor in zijn algemeenheid heeft overwogen over de kosten van de administratieve afhandeling van de reparatiekosten niet onredelijk voor. De vordering betreffende deze kosten zijn toewijsbaar.

4.19

[geïntimeerde] heeft betoogd dat op de reparatiekosten een aftrek moet worden toegepast wegens nieuw voor oud. Aldus beroept zij zich op voordeelsverrekening; zij stelt immers dat de positie van Liander is verbeterd, doordat Liander na de beschadiging en reparatie beschikt over een nieuwe gasverdeelkast. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een dergelijk beroep rusten op [geïntimeerde] .

4.20

Voor een aftrek wegens nieuw voor oud bestaat mogelijk aanleiding wanneer de gasverdeelkast ten gevolge van de reparatie een verbetering heeft ondergaan vergeleken met de toestand van vóór de beschadiging, waardoor de levensduur van de installatie is verlengd. In dat geval heeft Liander door de reparatie in beginsel een voordeel behaald. Liander heeft er echter op gewezen dat de gasverdeelkast en de bijbehorende leidingen in beginsel een onbeperkte levensduur hebben. Ze zijn niet aan slijtage onderhevig. Indien ze worden vervangen, is dat niet vanwege slijtage, of het bereiken van de maximale technische levensduur, maar vanwege externe factoren, zoals wijzigingen in het gasnet. De ouderdom van de in dat geval te vervangen installaties speelt daarbij geen rol. Volgens Liander heeft zij dan ook geen voordeel behaald door het vervangen van de gasverdeelkast. De vervanging heeft niet tot gevolg dat de gasverdeelkast ‘langer meegaat’. [geïntimeerde] heeft in het licht van dit op zich plausibele betoog van Liander haar stelling dat Liander wel een voordeel heeft gehad door de vervanging onvoldoende onderbouwd. Het beroep op een aftrek wegens nieuw voor oud faalt dan ook.

4.21

Gelet op het bovenstaande is de vordering van Liander in hoofdsom toewijsbaar tot een bedrag van € 4.490,64 -/- € 8,26 (de eisvermindering in eerste aanleg) -/- € 146,40 =
€ 4.335,78. Over dit bedrag is, zoals gevorderd, wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van het ontstaan van de schade, 21 mei 2014.

4.22

Liander maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Ook tegen deze vordering heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd. Dat verweer slaagt. Daartoe is redengevend dat de buitengerechtelijke werkzaamheden van Liander, gelet op de overgelegde correspondentie, beperkt zijn gebleven. Liander heeft, om haar moverende redenen, ervoor gekozen om de op zichzelf voorspelbare vragen van de verzekeraar van [geïntimeerde] over de schadeomvang onbeantwoord te laten zolang geen aansprakelijkheid werd erkend. Daarmee heeft zij de discussie buiten rechte, en ook haar buitengerechtelijke activiteiten, beperkt gehouden. Liander heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij buiten rechte werkzaamheden heeft verricht die niet vallen binnen het bereik van de proceskostenveroordeling. In dit verband tekent het hof aan dat Liander, blijkens meergenoemde notitie bewust, de tijd die gemoeid is geweest met de buitengerechtelijke contacten met (de verzekeraar van) [geïntimeerde] niet gespecificeerd.

4.23

De vordering betreffende de buitengerechtelijke kosten is dan ook niet toewijsbaar.

4.24

De slotsom is dat grief 2 grotendeels slaagt. Het hof al het vonnis van de rechtbank dan ook vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Liander toewijzen tot een bedrag van € 4.335,78 met wettelijke rente. Liander is grotendeels in het gelijk gesteld. Het hof zal [geïntimeerde] om die reden veroordelen in de proceskosten van het geding in eerste aanleg (salaris gemachtigde € 500,-) en in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief 1).

5De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan Liander te betalen een bedrag van € 4.335,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2014 tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van Liander gevallen:
voor de procedure in eerste aanleg op € 543,44 aan verschotten en op € 500,- voor de kosten van de gematigde;
voor de procedure in hoger beroep op € 793,63 aan verschotten en op € 1.264,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J.H. Kuiper en mr. B.J.H. Hofstee en is uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 2 augustus 2016.