Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6255

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
200.170.786
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 7:376, 3:308 en 7:322 BW. Aanvang verjaringstermijn van verschenen pachtpenningen bij late goedkeuring pachtovereenkomst.

Verpachter, zus van pachter, vordert ontbinding wegens stelselmatig te late betaling door haar broer, de pachter. Hof oordeelt dat de te late betalingen de ontbinding niet rechtvaardigen. Verpachter vordert daarnaast achterstallige betaling uit hoofde van een pachtovereenkomst uit 1995 die pas onlangs is goedgekeurd. Pachter beroept zich op verjaring. Dat beroep slaagt.

Het gaat namelijk om jaarlijkse pachtbetalingen waarop artikel 3:308 BW van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat rechtsvorderingen tot betaling van periodieke vorderingen, waaronder pachten, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Voor de aanvang van de verjaring moet dus aansluiting gezocht worden bij de opeisbaarheid van de pachtsom. Opeisbaar worden pachtpenningen conform de regels van artikel 6:38 en 6:39 BW uiterlijk op de afgesproken datum van de periodieke betaling. Op grond van de pachtovereenkomst van 1995 diende pachter de pacht jaarlijks te voldoen voor of op 1 november van dat jaar (dus achteraf). De gevorderde achterstallige pacht ziet op de periode 1 november 2008 – 8 februari 2009 waarvan de betaling verschuldigd en daarmee opeisbaar was uiterlijk 1 november 2009. De verjaring was daarmee op 1 november 2014 voltooid. Nu de inleidende dagvaarding dateert van 5 november 2014 en verpachter zich niet erop heeft beroepen dat de verjaring voordien is gestuit (Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663), is de vordering verjaard.

Hieraan doet niet af dat verpachter pas na de goedkeuring van de pachtovereenkomst van 1995 een rechtsvordering toekwam (artikel 7:322 BW). Het begrip “rechtsvordering” wordt in de wet niet eenduidig gebruikt. Of met dat begrip het (subjectieve) vorderingsrecht wordt bedoeld of het recht om in rechte aanspraak te maken op een subjectief recht, moet worden afgeleid uit de strekking van de bepaling en de context waarin het begrip is gebruikt. In artikel 7:322 BW heeft het begrip rechtsvordering louter de betekenis van het instellen van een vordering in rechte tot betaling van de pachtprijs. Artikel 7:322 BW heeft niet de strekking om iets af te doen aan het moment van verschuldigdheid van de pachtprijs maar is alleen bedoeld als een prikkel om de pachtovereenkomst ter goedkeuring aan de grondkamer in te zenden. Het is in dat verband en met die strekking dat de sanctie van artikel 7:322 BW verhindert dat de verpachter zijn aanspraken op achterstallige pacht in rechte geldend kan maken.

De verpachter heeft op grond van een niet-goedgekeurde maar wel bestaande pachtovereenkomst steeds materieel aanspraak op de pachtpenningen en de pachter heeft steeds de verplichting de pachtprijs te betalen. Ook zolang de pachtovereenkomst nog niet is goedgekeurd, zijn de pachtpenningen dus wel op de afgesproken datum van betaling verschuldigd en opeisbaar (in de zin van art. 3:308 BW) maar nog niet in rechte opvorderbaar. De verjaringstermijn voor het kunnen vorderen van nakoming van de periodieke verplichting tot betaling van de pachtprijs vangt dus telkens aan op het afgesproken moment van betaling. Dat de overeengekomen pachtprijs kan afwijken van hetgeen door de grondkamer wordt goedgekeurd - en dat in zoverre de hoogte van het verschuldigde bedrag nog niet vaststaat - doet aan de aanvang van de verjaringstermijn op zichzelf niet af. Art. 3:308 BW heeft betrekking op alle periodieke verplichtingen, ongeacht of het gaat om nog niet vaststaande bedragen (vergelijk voor het oude recht Hoge Raad 5 mei 1944, NJ 1944, 357).

Anders dan ten aanzien van verjaringstermijn van art. 3:309 en 3:310 BW (vergelijk Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052) of ten aanzien van de verjaring van niet verifieerbare rentevorderingen tijdens faillissement (vergelijk Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1294) bestaat er geen grond om in het geval van de verjaring van de periodieke verplichting tot betaling van de pachtprijs aan te nemen dat deze termijn pas begint te lopen op de dag na die waarop de schuldeiser (na goedkeuring van de overeenkomst door de grondkamer) daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot betaling in te stellen of nadat de vorderingen daadwerkelijk verhaalbaar zijn. Dit volgt ook uit de strekking van de artikelen 3:308 en 7:322 BW. Artikel 3:308 BW brengt mee dat de schuldeiser slechts vijf jaren achterstallige termijnen kan incasseren. De strekking is de schuldenaar bescherming te bieden tegen een te sterk oplopen van het door hem verschuldigde bedrag, doordat de schuldeiser (een aantal) termijnen niet opvordert. Bij pachtovereenkomsten heeft (ook) de verpachter het in de hand om tijdig goedkeuring te verzoeken van de pachtovereenkomst waardoor hij in rechte (tot vijf jaar terug) achterstallige pacht kan vorderen en aldus kan voorkomen dat de vordering verjaart, dan wel om tijdig de verjaring ervan te stuiten. Ook daarin vindt het hof de rechtvaardiging om niet aan te sluiten bij het moment waarop de verpachter in rechte de achterstallige pacht kan vorderen: in dat geval zou de verpachter namelijk gerechtigd zijn om in een voorkomend geval achterstallige pacht tot in lengte van jaren terug te vorderen - namelijk alle jaren dat de niet-goedgekeurde pachtovereenkomst heeft gelopen tot vijf jaren na de goedkeuring ervan -, wat in strijd is met de ratio van verjaring van periodieke vorderingen ex artikel 3:308 BW. Bovendien zou het karakter van de sanctie, besloten in artikel 7:322 BW, in dat geval aanzienlijk worden ondergraven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2016/432
G.M.F. Snijders annotatie in TvAR 2017/5879, UDH:TvAR/14295

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.170.786

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3579192)

arrest van de pachtkamer van 2 augustus 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. H.J. Schaatsbergen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P. Sipma.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 april 2016 hier over. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. Aan het slot van de comparitie heeft het hof arrest bepaald.

1.2

[appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat en na vermindering van eis - de vernietiging van het vonnis van 21 april 2015 van de pachtkamer te Assen en alsnog toewijzing van de vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming van het gepachte, alsmede de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 1.097,76 en de proceskosten.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

2.1

Partijen zijn broer en zuster van elkaar. In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader heeft [appellante] aan [geïntimeerde] met ingang van 1 november 1995 verpacht de percelen kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] sectie C, nrs. 2879, 2881, 275, 276, 1567, 2054, 2685, 2918 en 3015, tezamen groot 20.95.71 ha. De pachtprijs bedroeg de som die [appellante] aan rente aan haar moeder diende te betalen, jaarlijks € 2.316,84, te betalen voor of op 1 november van dat jaar. Deze pachtovereenkomst is op 6 november 2015 door de Grondkamer Noord gewijzigd goedgekeurd.

2.2

Na het overlijden van hun moeder hebben partijen op 9 februari 2009 een nieuwe pachtovereenkomst gesloten ter zake van dezelfde percelen die wegens ruilverkaveling zijn vernummerd tot gemeente [naam gemeente] , sectie K, nrs. 00414, 00435, 00520, 00531 en 00762, tezamen groot 20.29.55 ha. Deze overeenkomst is door de Grondkamer Noord goedgekeurd op 6 december 2010. De nieuwe pachtprijs bedroeg € 6.575,42 exclusief waterschapslasten.

2.3

[geïntimeerde] exploiteert een akkerbouwbedrijf en een schapenhouderij.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd de ontbinding van de pachtovereenkomst tussen partijen en veroordeling van [geïntimeerde] het gepachte te ontruimen alsmede de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 6.414,80, met rente, en van de proceskosten.

3.2

De pachtkamer heeft bij vonnis van 21 april 2015 de ontbinding en ontruiming afgewezen en een bedrag van € 4.265,53, met rente, toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4 Debeoordelingvandegrievenendevordering

4.1

Aan haar vordering tot ontbinding legt [appellante] stelselmatig te late en/of onvolledige betaling van de pachtprijs ten grondslag. In eerste aanleg heeft zij achterstallige pachtpenningen gevorderd krachtens beide overeenkomsten. Omdat de pachtovereenkomst van 1995 toen nog niet was goedgekeurd en [appellante] daarom in rechte geen achterstallige betaling kon vorderen, heeft de pachtkamer in eerste aanleg louter het verschuldigde krachtens de pachtovereenkomst van 2009 toegewezen. Aangezien de pachtovereenkomst van 1995 inmiddels is goedgekeurd, kan [appellante] in hoger beroep in beginsel in rechte achterstallige betalingen uit hoofde van die overeenkomst vorderen.

4.2

Als onvoldoende weersproken gaat het hof uit van het volgende verloop van de pachtbetalingen. Van 1995 tot 2005 heeft [geïntimeerde] de pacht tijdig voldaan. De pacht voor de jaren 2005 en 2006 heeft hij eerst op 22 mei 2007 voldaan. De pacht voor het jaar 2007 en 2008 is nagenoeg tijdig voldaan.

4.3

Het verschuldigde bedrag voor het (gebroken) pachtjaar 2009 heeft [geïntimeerde] voor de periode ná het aangaan van de nieuwe overeenkomst pas voldaan na het vonnis in eerste aanleg. De pachtsom die verschuldigd was voor de periode van 1 november 2008 tot 8 februari 2009 tot een bedrag van € 634,75 heeft [geïntimeerde] nog niet voldaan, evenmin als de waterschapslasten ad € 267,90 en de wettelijke rente vanaf 8 februari 2009. [appellante] heeft deze bedragen tot een totaal van € 1.097,76 - na de vermindering van eis tijdens de comparitie van 21 juni 2016 - gevorderd.

4.4

Ook de pacht over de jaren 2010 en 2011 heeft [geïntimeerde] te laat voldaan, namelijk pas op 28 juni 2012. Op 21 november 2012 heeft [geïntimeerde] vervolgens de pacht voor 2012 en de verschuldigde rente over te late pachtbetalingen voldaan. Vanaf 2012 voldoet [geïntimeerde] jaarlijks de pacht, zij het incidenteel een maand te laat.

4.5

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat partijen na het overlijden van moeder de nalatenschap afhandelden en een nieuwe pachtovereenkomst sloten die eind december 2010 is goedgekeurd, wat de te late betalingen mede verklaart. Daarnaast had hij van de boekhouder begrepen dat de pacht over 2009 al was voldaan. De keren dat [geïntimeerde] niet tijdig aan de betalingsverplichtingen heeft voldaan, is onvoldoende zwaarwegend om een ontbinding te rechtvaardigen, aldus [geïntimeerde] . De gevolgen van de ontbinding zijn ingrijpend omdat de gepachte 20 ha een aanzienlijk deel uitmaken van zijn bedrijf.

4.6

Het hof oordeelt dat de tekortkomingen van [geïntimeerde] ieder voor zich en in onderling verband bezien gezien hun geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de te late betalingen dateren van jaren terug - wat het karakter van een tekortkoming niet wegneemt, maar wel de ernst ervan relativeert - en [geïntimeerde] sedert 2012 de pacht steeds voldoende tijdig voldoet. De late betalingen in de periode 2009 – 2012 kunnen verder mede gerelateerd worden aan de afwikkeling van de nalatenschap tussen partijen. Thans is alleen nog sprake van een beperkt openstaand bedrag over een gedeelte van 2009 (waarover in rov. 4.9 meer).

4.7

Verder neemt het hof het volgende in aanmerking. Volgens de overgelegde opgaven gewaspercelen 2013 – 2015 en de boekhoudrapporten 2012, 2013 en 2014 exploiteert [geïntimeerde] een bedrijf van bijna 54 hectare waarvan 13.30 ha eigendom, 25 ha reguliere pacht en 12 ha kortdurende reguliere pacht. Het areaal wordt grotendeels aangewend voor akkerbouw (zomergerst, zetmeelaardappelen, suikerbieten) en een deel blijvend grasland. Hij beschikt verder over inmiddels ruim 100 schapen. Het wegvallen van 20 ha bij een bedrijf van 54 ha heeft in het algemeen aanzienlijke gevolgen. Dat nog immer sprake is van een landbouwkundige exploitatie is het hof voldoende gebleken uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken. Daarbij komt dat [geïntimeerde] , thans 71 jaar oud, vasthoudt aan zijn plannen nog jaren te blijven boeren en dat hij investeert in gebouwen, machines en uitbreiding van zijn productierechten. Zijn maatschappelijk bestaan is afhankelijk van zijn bedrijf. Het verlies van het gepachte heeft voor [geïntimeerde] dus zwaarwegende gevolgen, bijvoorbeeld ook voor het kunnen terugverdienen van de gedane investeringen. In het licht van deze feiten en omstandigheden legt de mededeling van [geïntimeerde] bij brief van 28 januari 2012 dat hij tot en met zijn 70ste zou doorgaan, waarna verkoop van de pachtgronden mogelijk zou worden, onvoldoende gewicht in de schaal. Dat geldt tevens voor het gestelde belang van [appellante] bij ontbinding van de pacht. Naar het hof begrijpt, wenst zij voornamelijk de moeizame pachtrelatie met haar broer te beëindigen. In elk geval heeft [appellante] onvoldoende aangevoerd om een dringend belang aan te nemen bij verkoop in onverpachte staat. De pachtrelatie met [geïntimeerde] kan zij beëindigen door verkoop van de gronden aan een veilige verpachter. Tot slot is ter zitting gebleken dat [geïntimeerde] het slootonderhoud weliswaar niet altijd tijdig maar wel jaarlijks laat doen, zonder dat bestuursrechtelijk behoeft te worden ingegrepen. Voor zover hierbij al sprake is van een tekortkoming, is ook deze van te geringe betekenis om een ontbinding van de pachtovereenkomst te rechtvaardigen.

4.8

De conclusie is dat de vorderingen tot ontbinding en ontruiming terecht zijn afgewezen en het hoger beroep in zoverre faalt.

4.9

Ten aanzien van de gevorderde achterstallige betaling uit hoofde van de pachtovereenkomst uit 1995 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing daarvan. Nu de overeenkomst inmiddels is goedgekeurd, is grief IV terecht voorgesteld. Ter zitting heeft zij haar vordering nader gepreciseerd, hetgeen leidt tot een eisvermindering. In een en ander ligt besloten dat [geïntimeerde] zich niet kan verzetten tegen deze eiswijziging.

4.10

[geïntimeerde] heeft zich beroepen op verjaring van de vordering uit hoofde van de pachtovereenkomst uit 1995, onder meer omdat die overeenkomst al meer dan vijf jaren geleden is beëindigd.

4.11

Het hof oordeelt als volgt. Het gaat in deze om jaarlijkse pachtbetalingen waarop artikel 3:308 BW van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat rechtsvorderingen tot betaling van periodieke vorderingen, waaronder pachten, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Voor de aanvang van de verjaring moet dus aansluiting gezocht worden bij de opeisbaarheid van de pachtsom. Opeisbaar worden pachtpenningen conform de regels van artikel 6:38 en 6:39 BW uiterlijk op de afgesproken datum van de periodieke betaling. Op grond van de pachtovereenkomst van 1995 diende [geïntimeerde] de pacht jaarlijks te voldoen voor of op 1 november van dat jaar (dus achteraf). De gevorderde achterstallige pacht ziet op de periode 1 november 2008 – 8 februari 2009 waarvan de betaling verschuldigd en daarmee opeisbaar was uiterlijk 1 november 2009. De verjaring was daarmee op 1 november 2014 voltooid. Nu de inleidende dagvaarding dateert van 5 november 2014 en [appellante] zich niet erop heeft beroepen dat de verjaring voordien is gestuit (Hoge Raad 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663), is de vordering verjaard.

4.12

Hieraan doet niet af dat [appellante] pas na de goedkeuring van de pachtovereenkomst van 1995 een rechtsvordering toekwam (artikel 7:322 BW). Het begrip “rechtsvordering” wordt in de wet niet eenduidig gebruikt. Of met dat begrip het (subjectieve) vorderingsrecht wordt bedoeld of het recht om in rechte aanspraak te maken op een subjectief recht, moet worden afgeleid uit de strekking van de bepaling en de context waarin het begrip is gebruikt. In artikel 7:322 BW heeft het begrip rechtsvordering louter de betekenis van het instellen van een vordering in rechte tot betaling van de pachtprijs. Artikel 7:322 BW heeft niet de strekking om iets af te doen aan het moment van verschuldigdheid van de pachtprijs maar is alleen bedoeld als een prikkel om de pachtovereenkomst ter goedkeuring aan de grondkamer in te zenden. Het is in dat verband en met die strekking dat de sanctie van artikel 7:322 BW verhindert dat de verpachter zijn aanspraken op achterstallige pacht in rechte geldend kan maken.

4.13

De verpachter heeft op grond van een niet-goedgekeurde maar wel bestaande pachtovereenkomst steeds materieel aanspraak op de pachtpenningen en de pachter heeft steeds de verplichting de pachtprijs te betalen. Ook zolang de pachtovereenkomst nog niet is goedgekeurd, zijn de pachtpenningen dus wel op de afgesproken datum van betaling verschuldigd en opeisbaar (in de zin van art. 3:308 BW) maar nog niet in rechte opvorderbaar. De verjaringstermijn voor het kunnen vorderen van nakoming van de periodieke verplichting tot betaling van de pachtprijs vangt dus telkens aan op het afgesproken moment van betaling. Dat de overeengekomen pachtprijs kan afwijken van hetgeen door de grondkamer wordt goedgekeurd - en dat in zoverre de hoogte van het verschuldigde bedrag nog niet vaststaat - doet aan de aanvang van de verjaringstermijn op zichzelf niet af. Art. 3:308 BW heeft betrekking op alle periodieke verplichtingen, ongeacht of het gaat om nog niet vaststaande bedragen (vergelijk voor het oude recht Hoge Raad 5 mei 1944, NJ 1944, 357).

4.14

Anders dan ten aanzien van verjaringstermijn van art. 3:309 en 3:310 BW (vergelijk Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052) of ten aanzien van de verjaring van niet verifieerbare rentevorderingen tijdens faillissement (vergelijk Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1294) bestaat er geen grond om in het geval van de verjaring van de periodieke verplichting tot betaling van de pachtprijs aan te nemen dat deze termijn pas begint te lopen op de dag na die waarop de schuldeiser (na goedkeuring van de overeenkomst door de grondkamer) daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot betaling in te stellen of nadat de vorderingen daadwerkelijk verhaalbaar zijn. Dit volgt ook uit de strekking van de artikelen 3:308 en 7:322 BW. Artikel 3:308 BW brengt mee dat de schuldeiser slechts vijf jaren achterstallige termijnen kan incasseren. De strekking is de schuldenaar bescherming te bieden tegen een te sterk oplopen van het door hem verschuldigde bedrag, doordat de schuldeiser (een aantal) termijnen niet opvordert. Bij pachtovereenkomsten heeft (ook) de verpachter het in de hand om tijdig goedkeuring te verzoeken van de pachtovereenkomst waardoor hij in rechte (tot vijf jaar terug) achterstallige pacht kan vorderen en aldus kan voorkomen dat de vordering verjaart, dan wel om tijdig de verjaring ervan te stuiten. Ook daarin vindt het hof de rechtvaardiging om niet aan te sluiten bij het moment waarop de verpachter in rechte de achterstallige pacht kan vorderen: in dat geval zou de verpachter namelijk gerechtigd zijn om in een voorkomend geval achterstallige pacht tot in lengte van jaren terug te vorderen - namelijk alle jaren dat de niet-goedgekeurde pachtovereenkomst heeft gelopen tot vijf jaren na de goedkeuring ervan -, wat in strijd is met de ratio van verjaring van periodieke vorderingen ex artikel 3:308 BW. Bovendien zou het karakter van de sanctie, besloten in artikel 7:322 BW, in dat geval aanzienlijk worden ondergraven.

Slotsom

4.15

Grief IV is terecht voorgesteld maar kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. De overige grieven falen zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 311 voor griffierecht en op € 2.682 voor salaris advocaat (3 punten x tarief II).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer te Assen (Rechtbank Noord-Nederland) van 21 april 2015;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 311 voor griffierecht en op € 2.682 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, F.J.P. Lock en H.L. Wattel en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016.