Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:6123

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
200.186.207/01, 200.191.093/01 en 200.193.061/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Bevoegdheid rechter op grond van Brussel II-bis. Invulling begrip gewone verblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.186.207/01, 200.191.093/01 en 200.193.061/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/17/145094 / FJ RK 15-1089 respectievelijk C/17/145407 / FJ RK 15-1145 en C/17/145863 / FJ RK 15-1231)

beschikking van 23 juni 2016

in zaak 200.186.207/01 en in zaak 200.191.093/01 van

[verzoeker] en [verzoekster],

wonende te [A] , Hongarije,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. M. Broersma te Putten,

en

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en in zaak 200.193.061/01 van

[verzoeker] en [verzoekster],

wonende te [A] , Hongarije,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. M. Broersma te Putten,

en

Leger des Heils Jeugdzorg en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verder te noemen: LJ&R,

voorheen Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verder te noemen: RBV,

verweerster in hoger beroep.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de pleegouders van [de minderjarige2] ,

2 de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige3] .

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter, rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 20 november 2015 alsmede die van 27 januari 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in zaak 200.186.207/01 blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 februari 2016;

- het verweerschrift van de raad met producties;

- het proces-verbaal van de rechtbank van de zitting van 20 november 2015;

- een journaalbericht van mr. Broersma van 4 maart 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Broersma van 11 maart 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Broersma van 25 april 2016 met producties.

Het verloop van de procedure in de zaken 200.191.093/01/01 en 200.193.061/01 blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 april 2016;

- een journaalbericht van mr. Broersma van 17 mei 2016 met productie(s).

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 20 mei 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn, de ouders bijgestaan door hun advocaat en vergezeld van haar stagiaire mevrouw [B] , de heer [C] namens de raad, mevrouw [D] namens LJ&R en mevrouw [E] namens RBV. Mr. Broersma heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2.5

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft RBV op verzoek van het hof een aantal stukken in het geding gebracht, te weten de drie verzoekschriften tot uithuisplaatsing van de kinderen d.d. 11 december 2015 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren [in] 2009 [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), [in] 2011 [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ) en [in] 2013 [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ).

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over deze kinderen.

3.2

Bij beschikking van 3 november 2015 heeft de kinderrechter deze kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van RBV tot 3 februari 2016 en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor crisisopvang van 3 november 2015 voor de duur van vier weken.

Bij de bestreden beschikking van 20 november 2015 heeft de kinderrechter op verzoek van de raad een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg tot 3 februari 2016.

Bij de bestreden beschikking van 27 januari 2016 heeft de kinderrechter op verzoek van de raad de kinderen onder toezicht gesteld van LJ&R met ingang van 3 februari 2016 tot 3 februari 2017.

Bij afzonderlijke beschikking van 27 januari 2016, die eveneens bestreden wordt, heeft de kinderrechter op verzoek van RBV de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 3 februari 2016 tot uiterlijk 3 augustus 2016.

4 De motivering van de beslissing

4.1. Ter zitting hebben de ouders bevestigd dat zij geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing van de kinderen bij beschikking van de kinderrechter van 3 november 2015.

De ouders kunnen zich met de nadien gegeven (verlenging van) de ondertoezichtstelling en de (verlenging van) de uithuisplaatsing van de kinderen evenwel niet verenigen.

* de bevoegdheid van de Nederlandse rechter

4.2. Ter zitting hebben de ouders naar voren gebracht dat de kinderen in Hongarije ingeschreven zijn en zij niet begrijpen dat zij in Nederland uit huis zijn geplaatst. De uitvoering van de ondertoezichtstelling kan volgens hen worden overgedragen aan het Leger des Heils in Hongarije, eventueel via het Leger des Heils in Zwitserland. Voor zover zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de orde hebben willen stellen, overweegt het hof het volgende.

4.3. Het hof overweegt dat ingevolge art. 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (hierna: Brussel II-bis) bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend (art. 8 lid 1 jo art. 16 lid 1, sub a, Brussel II-bis). Dit betekent dat bij de toepassing van de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel II-bis wijziging van de gewone verblijfplaats van het kind nadat de zaak aanhangig is gemaakt, geen invloed heeft op de bevoegdheid van het gerecht (het zgn. perpetuatio fori-beginsel).

Het begrip “gewone verblijfplaats” in art. 8 lid 1 Brussel II-bis moet volgens het Hof van Justitie van de EU aldus worden uitgelegd dat het de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat.

4.4. Het hof beantwoordt de vraag waar de kinderen hun gewone verblijfplaats hadden ten tijde van het indienen van de inleidende verzoekschriften ontvangen door de rechtbank op 3 november 2015, 15 december 2015 en 24 december 2015 als volgt.

De ouders hadden en hebben het voornemen om zich blijvend te vestigen in Hongarije met de kinderen. De ouders stellen dat de kinderen inmiddels in Hongarije staan ingeschreven en dat de ouders sinds begin december 2015 Hongaars staatsburger zijn, maar of dat al zo was ten tijde van het indienen van de verzoekschriften is niet gebleken. Weliswaar waren de ouders bezig met de voorbereiding van hun vertrek uit Nederland naar Hongarije, maar de kinderen waren op voornoemde data in Nederland en gingen in Nederland naar school. Op 3 november 2015 verbleven ook de ouders in Nederland. Niet gebleken is dat de kinderen niet meer de Nederlandse nationaliteit bezitten en/of dat zij thans de Hongaarse nationaliteit hebben gekregen. Niet gebleken is dat de kinderen sociale banden en/of familiale wortels in Hongarije hebben of de taal spreken.

In het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de kinderen ten tijde van het indienen van de verzoekschriften hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland en dat die niet verplaatst was naar Hongarije. Het vorenstaande brengt mee dat de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak bevoegd is.

* de noodzaak van de maatregelen

4.5.
Anders dan de ouders, stellen de raad, RBV en LJ&R zich op het standpunt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen (nog steeds) noodzakelijk is.

4.6. De ondertoezichtstelling van een minderjarige kan ingevolge het bepaalde in art. 1:260 lid 1 BW in verband met art. 1:255 lid 1 BW door een kinderrechter verlengd worden met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

4.7. Ingevolge art. 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in art. 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge art. 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.8. Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de ouders aanvoeren, de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (nog steeds) aanwezig zijn.

4.9. De kinderen zijn niet zoals de ouders hebben gesteld, uithuisgeplaatst slechts op basis van twee anonieme zorgmeldingen zonder dat daar daadwerkelijk onderzoek naar is uitgevoerd. Ook door professionele hulpverleners zijn bij herhaling en gedurende meerdere jaren (forse) zorgen geuit over het gezin. Het hof acht het gelet op de door hen genoemde concrete en overtuigende voorbeelden niet geloofwaardig dat de zienswijze van de ouders de enige juiste zou zijn en alle informatie die anders luidt onjuist zou zijn.

4.10. De ouders hebben aangevoerd dat zij werken dan wel werkten met kinderen. Dat betekent evenwel niet dat er geen zorgen (kunnen) zijn over de pedagogische vaardigheden van de ouders en over hun kinderen. Er was/zijn ernstige zorgen over de omstandigheid dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de kinderen te begrenzen en adequaat op hen in te spelen.

De vader heeft erkend dat de ouders de kinderen weinig sturen. Uit de stukken blijkt dat hij de kinderen vrij laat totdat ze een bepaalde grens bereiken en dan kan de vader op agressieve wijze grenzen stellen en schreeuwt dan bevelen.

Bij de ambulante gezinscoach van Jeugdhulp Friesland, mevrouw [F] , heeft de moeder regelmatig aangegeven dat de kinderen niet naar haar luisteren. De gezinscoach heeft dat ook gezien. Het gevolg is dat de moeder gaat schreeuwen tegen de kinderen en dat zij, als ze niet luisteren, hen bij de oren pakt om hen te corrigeren. De ouders wijzen er weliswaar terecht op dat de moeder slechthorend was en daarom harder sprak dan normaal, maar hard praten is niet hetzelfde als schreeuwen en er is door professionals waargenomen dat beide ouders schreeuwen naar de kinderen. De kinderen worden negatief benaderd. De kinderen zijn ook uitgescholden door de vader.

De ouders ontkennen weliswaar dat zij de kinderen hebben geslagen, maar zowel de oppasmoeder die tot de zomer van 2015 heeft opgepast als de kinderen hebben verteld dat de ouders wel eens slaan. Ook is er sprake geweest van andere onpedagogische straffen zoals het buiten zetten of onder een koude douche zetten. Niet alleen de jeugdverpleegkundige van het consultatiebureau heeft dat opgemerkt maar ook [de minderjarige1] heeft daarover verteld aan de pleegouders.

De vader stelt zich dominant en intimiderend op naar de moeder, de kinderen en de hulpverleners, ook toen hij door de ambulante gezinscoach aangesproken werd op de gevolgen voor [de minderjarige3] , die bij een dergelijk voorval aanwezig was. De gezinscoach heeft gezien dat de moeder verbaal niet opgewassen is tegen de vader waardoor zijn meningen/ideeën de doorslag geven. De houding van de vader is bepalend voor de (negatieve) sfeer in huis.

4.11. Informatie van de huisarts wijst erop dat de vader een belaste voorgeschiedenis heeft, de ouders geïsoleerd leven en de moeder persoonlijke problematiek heeft. Zij is in mei 2014 doorverwezen naar GGZ en heeft antidepressiva gekregen. Moeder had aanzienlijke gehoorproblemen, wat zwaar op haar drukte. In september 2014 is er sprake geweest van een melding van huiselijk geweld.

4.12. Er zijn ook signalen bij de kinderen dat er sprake was van een zorgelijke situatie bij de ouders.

Er zijn aanwijzingen die duiden op verwaarlozing. Hun gebitsverzorging is zorgelijk. De kinderen zijn weliswaar ingeschreven bij de tandarts maar hebben geen controles en/of behandeling gehad.

De kinderen kregen teveel vrijheid en corrigeerden elkaar door te schreeuwen en te slaan. De ouders konden hier niet goed op inspringen. [de minderjarige3] heeft ook in het pleeggezin laten zien te schreeuwen, slaan, en schoppen, zelfs op het hysterische af, als hij zijn zin niet kreeg.

[de minderjarige2] vraagt om veel aandacht en correctie van zijn opvoeders.

[de minderjarige1] luistert in het pleeggezin heel slecht en weet van geen ophouden. Zodra ze iets wil, schreeuwt ze veelvuldig. Ze wil over [de minderjarige3] moederen maar doet ook dat vaak schreeuwend.

[de minderjarige1] heeft problemen (gehad) met haar zindelijkheid. De school heeft laten weten dat [de minderjarige1] daar op school geen last van heeft, terwijl de ouders aangegeven dat [de minderjarige1] vaak met een natte broek thuis kwam. De oppasmoeder heeft ook aangegeven dat [de minderjarige1] regelmatig in de broek plaste als de vader haar kwam ophalen. In het pleeggezin gaat dit inmiddels (iets) beter. [de minderjarige1] klaagt regelmatig dat ze gepest wordt. Zij en [de minderjarige3] zijn erg angstig in het donker.

Er zijn signalen voor mogelijke problemen in de hechting tussen de ouders en de kinderen. De kinderen knuffelen iedereen die hun aandacht geeft. De kinderen zijn allemans vriendjes, zo melden de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige3] . [de minderjarige1] is erg gesloten in het contact en erg op haar hoede voor wat zij vertelt. Ze wordt als erg stoïcijns ervaren. [de minderjarige2] is druk en ongeconcentreerd. Hij reageert dwars en koppig als hij niet wordt begrepen of rechtvaardig wordt behandeld.

4.13. Daarnaast is er sprake van forse financiële problematiek. De ouders hebben onder meer een schuld van € 190.000,- aan de belastingdienst en er dreigt een strafvervolging omdat de vader ervan verdacht wordt met voorbedachten rade geen belastingaangifte te hebben gedaan. Het onderzoek loopt nog.

4.14. Op 15 oktober 2015 heeft er een beschermingsoverleg in aanwezigheid van de ouders plaatsgevonden - ook wel een beschermingstafel genoemd - waarbij veiligheidsafspraken zijn gemaakt, waaronder de afspraak dat de ouders Veilig Thuis zouden informeren over hun plannen om naar Hongarije te emigreren en dat ouders niet op korte termijn zouden verhuizen. Ze zeiden tot ten minste maart 2016 in Nederland te blijven. Ambulante spoedhulp (ASH) zou ingezet worden.

De ouders hebben die afspraken niet nageleefd. De ouders stellen dat zij op 28 oktober 2015 de schriftelijke overeenkomst hebben getekend waarbij ze hun woning in Nederland hebben verkocht. Zij moeten toen op de hoogte zijn geweest van hun aanstaande verhuizing; de moeder heeft bij de kinderrechter ook verklaard dat zij altijd hebben gezegd dat zij zouden vertrekken als hun huis verkocht zou zijn. Zij hebben echter over hun gewijzigde verhuisplannen gezwegen tijdens een gesprek dat zij op 2 november 2015 met de ASH-medewerker en mevrouw [G] van het wijkteam hadden, en op 4 november 2015 tijdens het gesprek met de raad in het kader van het raadsonderzoek. Met de ASH hebben de ouders zelfs een vervolgafspraak gemaakt voor 5 november 2015, terwijl ze wisten dat die afspraak niet zou kunnen doorgaan.

Op 3 november 2015 heeft de school contact gezocht met Veilig Thuis omdat tot hun verbazing de kinderen hadden aangegeven dat zij die dag hun laatste dag daar op school zouden hebben. De vader heeft die dag met mevrouw [G] gebeld en aangegeven dat hij met de kinderen in de auto zat om te vertrekken. Weliswaar is het gezin niet die dag naar Hongarije gegaan en hebben de ouders voor de dagen daarna een vakantiehuisje gehuurd om nog praktische zaken af te ronden alvorens Nederland te verlaten, maar dat laat onverlet dat zij veel eerder vertrokken dan tevoren aangegeven en dat de ouders Veilig Thuis niet tijdig hebben geïnformeerd.

4.15. De kinderen zijn ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De bedreiging bestaat uit huiselijk geweld, verwaarlozing, onveiligheid en gebrekkige pedagogische vaardigheden van de ouders.

Er waren en zijn daarom ernstige zorgen over de veiligheid en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, terwijl het een basisbehoefte van kinderen is dat zij zich zowel fysiek als emotioneel veilig voelen en zij op een stabiele opvoedingsomgeving kunnen rekenen.

4.16. Het hof ziet geen mogelijkheden voor de ouders om in een vrijwillig kader aan de zorgen te werken, nu zij deels wel en deels niet betrouwbaar zijn gebleken in het nakomen van afspraken en zij de hierboven bedoelde zorgen voor het overgrote deel niet onderkennen. De vader reageerde boos en intimiderend wanneer de professionele hulpverleners aan de ouders deze zorgen uitten. De zorgen werden buiten henzelf gelegd. Het is daardoor moeilijk om in gesprek te komen daarover en om de situatie voor de kinderen thuis te verbeteren.

Dat de ouders oorspronkelijk zelf zorg voor [de minderjarige2] hebben gezocht en dat ze hulpverlening in hun gezin hebben toegelaten, maakt het voorgaande overigens niet anders.

4.17. Gelet hierop zijn de kinderen zodanig in hun ontwikkeling bedreigd geweest dat de machtiging tot uithuisplaatsing zoals verleend bij beschikking van 20 november 2016 naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd was. Dat geldt ook voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zoals verleend bij beschikkingen van 27 januari 2016.

4.18. Het hof beoordeelt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ook thans nog als noodzakelijk. De veiligheidsafspraken van 15 oktober 2015 hielden onder meer in dat de ouders de hulp accepteren die Veilig Thuis nodig acht, zoals een persoonlijkheidsonderzoek van de ouders en diagnostisch onderzoek voor de kinderen. Deze onderzoeken hebben nog niet plaatsgevonden. De redenen die daarvoor naar voren zijn gebracht, zijn op basis van de bij het hof bekende gegevens, weinig bevredigend. Echter dat betekent niet dat de kinderen daarom weer thuisgeplaatst dienen te worden. De uitkomsten van genoemd onderzoek dienen eerst te worden afgewacht.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikkingen voor zover aan zijn oordeel onderworpen te bekrachtigen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 november 2015 en 27 januari 2016 voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijs af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, J.D.S.L. Bosch en W.D. Kolkman, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 23 juni 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.