Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5907

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
21-005148-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2481, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaren met aftrek van voorarrest ter zake van het medeplegen van moord. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het medeplegen van doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest. Het hof spreekt vrij van moord, omdat het voorbedachte raad niet bewezen acht. Voorts neemt het hof een beslissing ten aanzien van de in beslag genomen goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005148-15

Uitspraak d.d.: 20 juli 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2015 met parketnummer 16-706664-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- bewezenverklaring van het tenlastegelegde (medeplegen van moord);

- veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van voorarrest;

- teruggave van het beslag aan de rechthebbende.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M.J. van Essen, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de in eerste aanleg gevolgde vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, kan verdachte in zoverre niet in het hoger beroep worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen - vernietigen, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 12 december 2014 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer] één of meermalen geduwd en/of geslagen en/of gestompt, (waardoor die [slachtoffer] tegen een kastje viel) en/of vervolgens

- ( toen die [slachtoffer] op de grond lag) een of meermalen op/tegen het hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt en/of gestampt en/of (vervolgens)

- ( nadat verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer] op bed hadden gelegd) één of meermalen met een hamer, in elk geval met een hard en puntig voorwerp (met grote kracht) op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de hals en/of het gezicht en/of tegen/op de rug, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of

- ( met kracht) het hoofd van die [slachtoffer] achterover getrokken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging ten aanzien van het bewijs

Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft betoogd dat er wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van moord.

Verdediging

De verdediging heeft op verschillende gronden vrijspraak bepleit. In de volgorde die de raadsvrouw daarbij heeft gehanteerd, is ten eerste aangevoerd dat de causaliteit tussen de handelingen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer heeft ontbroken. Niet de handelingen van verdachte, maar de handelingen van de medeverdachte hebben geleid tot de dood van het slachtoffer. Ten tweede heeft de raadsvrouw bepleit dat geen sprake is van medeplegen. De door de medeverdachte gepleegde handelingen kunnen niet aan verdachte worden toegerekend, nu verdachte zich daarvan heeft gedistantieerd. Ten derde heeft de raadsvrouw betoogd dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Ten vierde zou verdachte geen (relevant) opzet hebben gehad op de dood van het slachtoffer, nu de handeling die hij heeft verricht (het achterover trekken van het hoofd van het slachtoffer) niet tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleidende opmerkingen

Ofschoon materieel strafrechtelijk gezien causaliteit bij het vaststellen van een gedraging als strafbaar feit eerder als slotvraag functioneert, ligt het bewijsrechtelijk voor de hand eerst de causaliteit vast te stellen tussen (veroorzakend) handelen en teweeggebrachte gevolgen, alvorens toe te komen aan de overige bewijsrechtelijke beslispunten, zoals in het onderhavige geval het bewijs van opzet, medeplegen en voorbedachte raad. Om deze reden zal hierna eerst de causaliteitsvraag worden besproken, voordat de overige door de verdediging betwiste delictsbestanddelen aan de orde komen.

Eerst echter wordt aandacht besteed aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het hof zich baseert, welke feitenvaststelling eerst nog wordt voorafgegaan door een overweging over de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen.

Algemeen

In deze zaak bestaat het bewijs omtrent hetgeen in de avonduren van 12 december 2014 te [plaats] in de woning aan de [adres] precies heeft plaatsgevonden - naast het (forensisch) technische bewijs - in de kern uit de verklaringen die verdachte en diens medeverdachte hebben afgelegd. Het hof stelt vast dat beide verdachten, vader en zoon [verdachten] , voor een deel gelijkluidend hebben verklaard, maar op een aantal punten ook wisselende en/of tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Vast staat ook dat alle bij het delict betrokkenen in ernstige mate beschonken waren. In deze omstandigheid ziet het hof aanleiding om bij de beoordeling van deze zaak en het daartoe selecteren en waarderen van bewijsmiddelen behoedzaamheid in acht te nemen. Slechts die (delen van) verklaringen worden voor het bewijs gebezigd die door het hof betrouwbaar worden geacht omdat verdachte of diens medeverdachte in de betreffende verklaring bijvoorbeeld ook zichzelf belast en/of dat deze verklaring (voldoende) ondersteund wordt door overig bewijs.

Voor de leesbaarheid van het hierna volgende zal verdachte [verdachte] ook worden aangeduid als ‘vader [verdachte] ’ of als ‘ [verdachte] ’ en zal medeverdachte [medeverdachte] ook worden aangeduid als ‘zoon [medeverdachte] ’ of ‘ [medeverdachte] ’.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] , zoon van verdachte

Ten aanzien van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door zoon [medeverdachte] afgelegde verklaringen, die in ernstige mate ook belastend zijn voor verdachte, overweegt het hof het volgende.

Zoon [medeverdachte] heeft in verschillende fasen van het proces een verklaring afgelegd. Ten aanzien van bepaalde geweldshandelingen, bijvoorbeeld de plek waar hij het slachtoffer heeft geschopt, staat niet ter discussie dat zijn verklaringen onderling verschillen. Voorts is het duidelijk dat [medeverdachte] gedurende de loop van zijn verhoren steeds specifieker is gaan verklaren over de verschillende geweldshandelingen, die door hem zelf zijn verricht, dan wel volgens hem voor rekening komen van zijn vader. Hetzelfde kan worden vastgesteld ten aanzien van de door vader [verdachte] afgelegde verklaringen.

Het hof stelt vast dat zoon [medeverdachte] van meet af aan ook belastend over zichzelf heeft verklaard. Over de wijze waarop hij inhoudelijk over de verschillende op [slachtoffer] uitgeoefende geweldshandelingen heeft verklaard, heeft hij desgevraagd uitleg gegeven. De verschillen laten zich, zo begrijpt het hof, voor een groot deel verklaren in het kader van de bijzondere dynamiek, zoals die blijkt te bestaan in hun relatie van vader en zoon en waarin de wens van zoon [medeverdachte] besloten lag om zijn vader (aanvankelijk) uit de wind te houden. Op deze bijzondere dynamiek die kenmerkend is in hun onderlinge relatie gaat ook het Pieter Baan Centrum in. Ook de door familieleden afgelegde verklaringen geven blijk van zo’n bijzondere vader zoon-band.

Het hof stelt verder vast dat zoon [medeverdachte] over het slaan met de hamer op het slachtoffer, zowel door hemzelf als door zijn vader, al op de dag na het voorval tegenover zijn familie in het bijzijn van verdachte heeft verklaard. Voorts worden de verklaringen van [medeverdachte] op essentiële onderdelen ondersteund door andere, met name technische, bewijsmiddelen.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de verklaringen van zoon [medeverdachte] betrouwbaar en bruikbaar als bewijsmiddel. Dit brengt mee dat het hof verdachte niet volgt in zijn verklaring dat zijn bijdrage in het geweld enkel heeft bestaan in het uitdelen van de eerste klap en het - aan het einde van de gewelddadigheden – pogen de nek van het slachtoffer te breken.

Alvorens tot een weergave van de relevante feiten en omstandigheden te komen verdient opmerking dat, voor zover het hof zich hierbij baseert op de verklaring van zoon [medeverdachte] , het hof met name put uit de door hem de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van 12 mei 2015. Wat door hem ter zitting van het hof als getuige in de zaak van zijn vader is verklaard, zal niet voor bewijs worden gebezigd.

Feiten en omstandigheden:

Op 12 december 2014 zijn vader en zoon [verdachten] in de woning van [slachtoffer] aan de [adres] te [plaats] . Zoon [medeverdachte] woont sinds kort bij [slachtoffer] in en vader [verdachte] is die dag bij hen op bezoek. Op de slaapkamer van [slachtoffer] , alwaar laatstgenoemde gebruikelijk de dag doorbrengt, drinken zij die middag met zijn drieën een forse hoeveelheid alcohol. Ook helpt vader [verdachte] [slachtoffer] met diens computer. Zoon [medeverdachte] gaat op enig moment naar de winkel om sterke drank te halen. Als hij terug komt, merkt hij dat de sfeer grimmig is geworden. Vader [verdachte] is namelijk geïrriteerd geraakt door het gedrag van [slachtoffer] . Uiteindelijk geeft vader [verdachte] [slachtoffer] een forse klap in diens gelaat, waardoor deze van zijn zitplaats valt en met zijn hoofd een kastje raakt en op de grond terecht komt. Bij [slachtoffer] , die op de grond blijft liggen, komt er bloed uit zijn mond en oor. [slachtoffer] is dan ook al niet meer aanspreekbaar. Zonder enig aanwijsbare aanleiding trapt zoon [medeverdachte] [slachtoffer] vervolgens tweemaal op het hoofd. Daarna leggen vader [verdachte] en zoon [medeverdachte] [slachtoffer] samen op diens buik op zijn in de slaapkamer aanwezige bed. Zoon [medeverdachte] pakt op een gegeven moment een hamer uit de vensterbank en slaat [slachtoffer] meermalen op het hoofd en lichaam. Vader [verdachte] neemt de hamer van zijn zoon over en slaat hiermee ook meermalen op het hoofd van [slachtoffer] . Vervolgens gaat vader [verdachte] boven [slachtoffer] op het bed staan, laat zijn knie in de rug van [slachtoffer] vallen en trekt met kracht [slachtoffer] ’s hoofd achterover. Nadat vader [verdachte] de woning (met medeneming van een krat bier) heeft verlaten, steekt zoon [medeverdachte] het lichaam van [slachtoffer] met behulp van een deken in brand. [medeverdachte] verlaat na de brandstichting ook de woning. Hij gaat naar de locatie waar hij met zijn vader heeft afgesproken, maar treft hem daar niet.

[medeverdachte] maakt om 21.52 uur in de avond van 12 december 2014 melding bij de politie dat zij naar de woning van [slachtoffer] moeten gaan. De politie gaat ter plaatse en treft kort daarna in de slaapkamer van de woning het deels verkoolde lichaam van [slachtoffer] aan.

Ten aanzien van het bewijs van causaliteit

Drs. M. Buiskool, arts en patholoog verbonden aan het NFI, concludeert in zijn sectierapport van 22 mei 2015 dat er drie doodsoorzaken zijn, die elk op zich, als in onderlinge combinatie, het overlijden van [slachtoffer] verklaren. De eerste oorzaak is dat er functiestoornissen van de hersenen (mede door hersenweefsel(verval)), het ruggenmerg en de longen zijn opgetreden ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch geweld op het hoofd en/of nek en/of romp. Als tweede doodsoorzaak kan gelden de verstikking door belemmering van de ademweg ten gevolge van de inwerking van (samen)drukkend geweld op de hals, al dan niet in combinatie met uitwendige mechanisch stomp botsend geweld. De vastgestelde hartspierontsteking middels hartfunctiestoornissen kan een derde doodsoorzaak zijn geweest of kan daartoe hebben bijgedragen. [slachtoffer] was, aldus deskundige Buiskool, in leven ten tijde van de twee eerstgenoemde geweldsinwerkingen.

Buiskool heeft in een aanvullend rapport van 10 augustus 2015 onder meer nog gerapporteerd dat de eerdergenoemde hartspierontsteking en/of ademwegbelemmering de dood kan hebben bespoedigd. De kans evenwel dat deze persoon uitsluitend aan een hartspierontsteking is overleden, wordt echter klein geacht. Er wordt voorts geconcludeerd dat de mate van beschadiging van alleen de schedel zonder medisch ingrijpen uiteindelijk fataal is. Er zijn twee breuken aan de halwervels geconstateerd en een bloeduitstorting om het ruggenmergweefsel heen, maar er was geen beschadiging van het ruggenmerg zelf. Er is vochtophoping waargenomen, hetgeen het gevolg kan zijn van geweldsinwerking aan het hoofd en/of de nek. De breuken van de halswervels kunnen veroorzaakt zijn door het één of meermalen slaan met een hamer in de hals- of nekstreek en/of door het één of meermalen schoppen tegen het hoofd.

De bevindingen en conclusies van Buiskool worden ondersteund door de bevindingen van drs. P.M.I. van Driessche, zelfstandig arts en patholoog, neergelegd in zijn rapport van 11 maart 2016. Hij concludeert dat de sectiebevindingen een sterke aanwijzing geven dat het overlijden is veroorzaakt ten gevolge van een combinatie van meerdere factoren (zijnde meermalen trauma, ziekelijke afwijking van de hartspier en/of mogelijke ademhalingsbelemmering). In dit geval hebben met name de geweldsinwerkingen door trappen en door slaan met een hamer theoretisch de grootste kans tot overlijden gehad. Hierbij lijkt het geweld met de hamer (gezien de aangetroffen letsels) in de praktijk het meest ernstig te zijn geweest. Het trappen tegen het hoofd (en mogelijk de hals), het slaan met de hamer (tegen hoofd, nek en rug) en mogelijk luchtwegbelemmering door positioneren in buikligging, zijn de belangrijkste elementen om tot het totaal aan letsel en overlijden te komen. Op grond van de sectiebevindingen zijn er aanwijzingen dat de beschreven geweldsinwerkingen (inclusief de poging tot het breken van de nek) bij leven zijn opgetreden.

Gelet op bovenstaande feitelijke vaststelling, de bevindingen en conclusies van de deskundigen, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [slachtoffer] is komen te overlijden door een combinatie van functiestoornissen van de hersenen, het ruggenmerg en de longen, opgetreden ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch geweld op het hoofd en/of nek en/of romp, verstikking door belemmering van de ademweg ten gevolge van de inwerking van (samen)drukkend geweld op de hals, al dan niet in combinatie met uitwendige mechanisch stomp botsend geweld en de reeds aanwezige hartspierontsteking die tot een hartfunctiestoornis kan hebben geleid.

Het hof gaat op grond van vorenstaande conclusies ervan uit dat de geconstateerde hartspierontsteking kan hebben bijgedragen aan de dood van [slachtoffer] maar geen zelfstandige of doorslaggevende rol van betekenis heeft gespeeld.

Het exacte tijdstip van overlijden van [slachtoffer] kan niet worden vastgesteld. Evenmin kan worden vastgesteld welke (combinatie van) geweldshandeling(en) exact tot de dood heeft geleid. Feit is dat zowel verdachte als medeverdachte ernstige geweldshandelingen hebben verricht die de verschillende letsels kunnen verklaren, waarbij de schedelbreuken als gevolg van het slaan met de hamer, gelet op hetgeen deskundigen daaromtrent verklaren, als meest ernstig (en dodelijk) worden beschouwd. Ook verdachte heeft geslagen met de hamer op het hoofd van de op de buik op zijn bed liggende en reeds aan zijn hoofd gewonde [slachtoffer] . Door het verrichten van deze geweldshandelingen, mede in combinatie met de andere handelingen, kan de ingetreden dood van [slachtoffer] , als gevolg van de geschetste gewelddadigheden, aan verdachte (en zijn medeverdachte) worden toegerekend.

Het verweer van de verdediging dat er geen causaal verband bestaat tussen de handelingen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer, wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het bewijs van het opzet en het medeplegen

Volgens de raadsvrouw ontbreekt het bij verdachte aan - naar haar zeggen: relevant - opzet op de dood van verdachte. Deze stellingname zal gefundeerd zijn op het standpunt van de verdachte dat zijn bijdrage aan de dood van de verdachte enkel gelegen zou liggen in een - achteraf vastgestelde - op zichzelf beschouwd niet dodelijke poging om het slachtoffer zijn nek te breken.

Het hof volgt verdachte niet in deze lezing van de feiten. Zoals hierboven al naar voren kwam acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorafgaand aan deze poging met de van zijn zoon overgenomen hamer ook met kracht op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Dergelijk bewust handelen is dermate doelgericht, geschikt en voorbestemd om een ander van het leven te beroven, dat hieruit het opzet en derhalve ook de wil van verdachte op de dood van het slachtoffer kan worden afgeleid. Dat opzet op de dood van het slachtoffer bij verdachte aanwezig was, volgt naast voornoemde handelingen ook uit de verklaring die verdachte over zijn intentie van zijn handelen heeft gegeven: "Is ook heftig, toen had hij op de grond al die schoppen gehad, was er geen redden meer aan, ik ga niet iemand onnodig laten lijden, sorry, deze man had het nooit meer gered. Ik dacht: zo kan je iemand niet laten leven, dat is kansloos."

Het op het ontbreken van opzet gerichte verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Volgens de raadsvrouw dient eveneens te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Naar geldend recht1 moet voor het bewijs van medeplegen sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

De kwalificatie van medeplegen is, aldus naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven vaststelling van de feiten en omstandigheden volgt dat het handelen van vader en zoon [verdachten] heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering en dat verdachtes bijdrage hieraan zonder meer van voldoende gewicht is geweest om tot bewijs te komen van een bewuste en nauwe samenwerking. Het hof stelt daarbij vast dat verdachte degene is geweest die de agressieve toon heeft gezet. Het is verdachte geweest die als eerste het slachtoffer een forse vuistslag heeft gegeven, waardoor laatstgenoemde tegen een kastje kwam te vallen en letsel bekwam. Vervolgens trapte zoon [medeverdachte] het slachtoffer tot tweemaal toe tegen het hoofd. Niet lang nadat [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte] op de buik op bed is gelegd, sloeg zoon [medeverdachte] het slachtoffer meermalen met een hamer op het hoofd. Verdachte heeft zich hierbij aangesloten door zelf de hamer ter hand te nemen en [slachtoffer] eveneens op het hoofd te slaan. Volgens beide verdachten was de levensberoving op dat moment nog niet voltooid. Verdachte besefte dat [slachtoffer] ernstig letsel was toegebracht en de kans zeer groot was dat hij het niet zou overleven. Daarin zag hij - naar eigen zeggen - aanleiding [slachtoffer] te doden door zijn nek te breken door met kracht het hoofd van [slachtoffer] naar achteren te trekken.

Anders dan betoogd door de raadsvrouw heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof juist niet gedistantieerd van de door zijn zoon [medeverdachte] verrichte handelingen in die zin dat het hem vrij zou pleiten van medeplegen. Waar verdachte in het begin ten tijde van de eerste gewelddadige handeling van [medeverdachte] , waarbij [medeverdachte] tot tweemaal toe tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft getrapt, naar eigen zeggen zou hebben geroepen dat zijn zoon moest stoppen, stelt het hof vast dat ten aanzien van de daarop volgende geweldshandelingen in het geheel niet blijkt dat verdachte heeft getracht zijn zoon te weerhouden van het door hem uitgeoefende geweld. Integendeel, verdachte heeft zich bij het handelen van zijn zoon aangesloten zoals hiervoor omschreven. Daardoor kunnen de door zijn zoon verrichte geweldshandelingen ook aan verdachte als medepleger worden toegerekend. Ook dit verweer van de raadsvrouw treft derhalve geen doel.

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer maar ook van het (gezamenlijk) medeplegen, nu het opzet ook op die samenwerking was gericht.

Voorbedachte raad

Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of verdachte ook met voorbedachte raad heeft gehandeld. Naar geldend recht2 moet voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het, zo leert de Hoge Raad, bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar dit is op zichzelf geen allesbepalende factor aangezien dit de rechter er niet van behoeft te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

Tegen de achtergrond van deze door de Hoge Raad bewust aangescherpte (bewijs)motiveringsvereisten, komt het hof - anders dan door de rechtbank is geoordeeld en door de advocaat-generaal betoogd, maar in lijn met de raadsvrouw - tot het oordeel dat de inhoud van het strafdossier en de verklaringen van verdachte en diens medeverdachte onvoldoende betrouwbare aanknopingspunten bieden om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad. De rechtbank heeft haar oordeel over voorbedachte raad vooral gebaseerd op de tijdsduur die de geweldshandelingen in totaal in beslag hebben genomen alsmede op het tijdsverloop dat zou zijn vast te stellen tussen de afzonderlijk te onderscheiden geweldshandelingen. Zij heeft zich bij deze vaststelling met name laten leiden door wat verdachte bij de politie op 15 december 2014 daaromtrent heeft verklaard. Na vergelijking van de samengevatte, zakelijk weergegeven versie van deze verklaring (zie in het bijzonder pagina 67 van het strafdossier), met de letterlijk uitgewerkte tekst van dit verhoor (zie in het bijzonder het slot van pagina 136 e.v. van het strafdossier), stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte aangaande de tijdstippen en verstreken tijdspannes in de letterlijk uitgewerkte versie substantieel minder stellig en overtuigend overkomt dan die in het samengevatte proces-verbaal. Steun voor de in de betreffende verklaring van verdachte genoemde genomen pauzes tijdens het geweld kan ook niet in de verklaring van de medeverdachte worden gevonden. Ook is er evenmin ander (technisch) bewijs voorhanden in het strafdossier waaruit de voorbedachte raad met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Nog afgezien van de invloed van het excessieve alcoholgebruik op de waarnemingen van verdachte en in het verlengde daarvan de weerslag in zijn verklaring, is deze enkele verklaring van verdachte omtrent de tijdstippen naar het oordeel van het hof onvoldoende betrouwbaar om te dienen als basis waarop zou kunnen worden geconcludeerd dat er bijvoorbeeld voldoende reflectietijd is verstreken – en hiervan gebruik is gemaakt - om daarop een bewezenverklaring van kalm beraad en rustig overleg te gronden. Het hof komt dan ook tot een vrijspraak van het delictsbestanddeel voorbedachte raad.

Het hof beseft dat dit oordeel - afgaande op de gedetailleerde schets van de gang van zaken - voor niet strafrechtelijk geschoolden moeizaam te bevatten is. In de volksmond zal deze te berechten levensberoving ‘moord’ heten en niet worden ervaren als (slechts) ‘doodslag’. Voor de nabestaanden heeft verdachte hun naaste vermoord. Zo voelt dat. En naar dagelijks spraakgebruik is dat ook zo.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. impliciet subsidiair:
hij op 12 december 2014 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn medeverdachte opzettelijk:

- ( toen die [slachtoffer] op de grond lag) meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] getrapt en vervolgens

- ( nadat verdachte en zijn medeverdachte die [slachtoffer] op bed hadden gelegd) meermalen met een hamer (met grote kracht) tegen het hoofd en de nek en de rug van die [slachtoffer] geslagen en

- ( met kracht) het hoofd van die [slachtoffer] achterover getrokken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn zoon in stomdronken razernij [slachtoffer] met wie hij samen de middag en avond door had gebracht op gruwelijke wijze van het leven beroofd. [slachtoffer] is daardoor slechts 54 jaar oud geworden. Er lijkt geen duidelijk motief aanwezig te zijn geweest anders dan een simpele irritatie bij verdachte over een door [slachtoffer] vriendschappelijk aan verdachte herhaaldelijk gegeven “boks”. De uiterst gewelddadige gezamenlijke handelingen jegens [slachtoffer] getuigen van primitief handelen, en zijn ogenschijnlijk onverschillig en met gemak aangewend. [slachtoffer] is op een afschuwelijke, de verbeelding tartende, wijze om het leven gekomen.

Verdachte heeft aan het eind van het toegebrachte geweld op schaamteloze wijze gemeend het leven te moeten beëindigen van het slachtoffer (naar zijn zeggen ‘om hem uit zijn lijden te verlossen’) door te pogen diens nek te breken. Nadien heeft verdachte onder medeneming van een krat bier de woning van het slachtoffer verlaten. Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven van elk gemis aan respect voor het leven van een medemens.

Het hof stelt daarbij vast dat de meerdere spijtbetuigingen van verdachte ten aanzien van - zoals verdachte het zegt – ‘het gebeurde' niet authentiek en oprecht overkomen. Ter zitting van het hof heeft verdachte volhard in zijn opvatting dat hij uit gevoelens van medemenselijkheid handelde toen hij aan het slot van het toegepaste geweld poogde de nek van het slachtoffer te breken.

Met de doodslag op [slachtoffer] heeft verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen waarover de mens beschikt, te weten het recht op leven. Hij heeft met zijn daad voorts onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] .

Uit een uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 7 juni 2016 blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (gewelds)delicten, waarbij in sommige gevallen ook sprake was van alcoholgebruik.

In het omtrent de persoon van verdachte door het Pieter Baan Centrum opgemaakte rapport van 10 augustus 2015 adviseren de deskundigen verdachte volledig toerekeningsvatbaar te verklaren. Weliswaar komen de deskundigen tot de diagnose van een antisociale persoonlijkheidsstoornis maar van een verminderde keuzevrijheid is geen sprake. Er is geen sprake van een samenhang met het strafbare feit, aldus de deskundigen.

Het hof is op grond van hetgeen de deskundigen concluderen van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

Uit dit rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt daarnaast dat verdachte een positief beeld koestert van zichzelf en veelal een sociaal wenselijk gekleurd beeld schetst van zijn leven. Verdachte is gericht op zijn eigen rust en plezier en gaat hierbij roekeloos en onverschillig om met anderen. Verdachte beschouwt zijn alcoholgebruik niet als problematisch zolang hij niet wordt aangehouden. In gesprek met onderzoekers haalt verdachte de schouders op voor mogelijke negatieve consequenties van zijn gedrag voor anderen. Confrontatie en provocatie verdraagt hij slecht, hij staat bekend als iemand met een kort lontje en gewelddadig gedrag. Hij kan buitenproportioneel handelen, zeker onder invloed van alcohol. Er is sprake van psychopathische trekken, zoals een defectueuze affectieve beleving, alsmede van een arrogante en bedrieglijke interpersoonlijke stijl.

In verdachtes omgang met zijn zoon vallen zijn egocentrisme op en een berekend bewaken van zijn eigen veiligheid.

Hetgeen hiervoor is overwogen kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur dient te worden opgelegd. Deze straf dient met name ter vergelding van het leed dat verdachte de nabestaanden heeft aangedaan. Het hof heeft voor de hoogte van de straf - naast het voorgaande - ook rekening gehouden met de schok die het door verdachte begane misdrijf in de rechtsorde teweeg heeft gebracht en met de generaal en speciaal preventieve werking die van een dergelijke straf uitgaat.

De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf van 14 jaren opgelegd. De advocaat-generaal heeft 16 jaren gevangenisstraf geëist. De hoogte van de gevorderde straf acht het hof in beginsel geboden. Nu het hof tot een andere kwalificatie komt dan de advocaat-generaal - te weten medeplegen van doodslag in plaats van medeplegen van moord - is dat op grond van de maximale gevangenisstraf die kan worden opgelegd voor doodslag niet mogelijk. De maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het medeplegen van doodslag is 15 jaren. De ‘geringere’ juridische kwalificatie (medeplegen van) doodslag in plaats van moord maakt het gruwelijke handelen van verdachte echter niet minder laakbaar. Het hof zal daarom aan verdachte de maximale gevangenisstraf voor doodslag voor de duur van 15 jaren opleggen.

Beslag

Evenals de rechtbank kan het hof op grond het dossier niet vaststellen welke in beslag genomen voorwerpen aan verdachte en welke aan medeverdachte toebehoren. Het hof zal overeenkomstig de beslissing van de rechtbank de teruggave aan de rechthebbenden gelasten van de op de beslaglijst vermelde goederen, zoals hierna in het dictum wordt omschreven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 impliciet primair aan verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- handschoen (PL0900-2014357941-G1321898);

- helm (PL0900-20l4357941-G1321873);

- tas-akten (PL0900-20l4357941-G132l918);

- sok (PL0900-20l435791l-Gl321884);

- kleding en schoeisel (PL0900-2014357941-G1321889);

- zaklantaarn (PL0900-2014357941-G1321896);

- ondergoed (PL0900-2014357941-G1321882);

- trui (PL0900-2014357941-G1321890;)

- jas (PL0900-2014357941-G1321892).

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 20 juli 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474

2 HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342