Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5730

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
200.175.802/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep op vernietiging tijdig door echtgenoot gedaan. De omstandigheid dat de belangenverenigingen in het kader van de Eegalease procedure een schikking hebben getroffen, heeft niet tot gevolg dat een belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van de collectieve actie kan beroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 5, p. 273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.175.802/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3686000\CV EXPL 14-14555)

arrest van de eerste kamer van 12 juli 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellante, gedaagde in eerste aanleg,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen

Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde, eiseres in eerste aanleg,
advocaat: mr. I. Reinders Folmer,

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 februari 2016 hier over.

1.2

Ter uitvoering van genoemd arrest heeft op 31 mei 2016 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

1.4

De vordering van [appellante] in hoger beroep luidt:

"bij arrest, alles voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Het gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland,

Afdeling Privaatrecht, locatie Leeuwarden van 22 april 2015 zaak-/rolnummer 3686000/
CV EXPL 14-14555 te vernietigen en, opnieuw recht doende:
- De vorderingen van Dexia alsnog af te wijzen;

- Dexia te veroordelen in de kosten van beide instanties alsmede in de nakosten ".

De feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten door de kantonrechter in zijn vonnis van 22 april 2015 (r.o 2.1 tot en met 2.7) zijn geen grieven gericht en is ook overigens niet van bezwaren gebleken, behoudens ten aanzien van de vaststelling dat alle overeenkomsten met een positief saldo zijn geëindigd. [appellante] heeft immers gesteld (mvg randnummer 2.1) dat de vierde overeenkomst – met nummer [nr] – een negatief resultaat had.
Het hof zal, met inachtneming van het voorgaande uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Voor zover in dit hoger beroep van belang en aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog is komen vast te staan, gaat het om het volgende.

2.2

Tussen Legio Lease B.V. en [appellante] zijn de volgende drie effectenleaseovereenkomsten gesloten:
1. WinstVerdubbelaar d.d. 19 juli1996 met contractnummer [nr] ;

2. WinstVerdubbelaar d.d. 2 mei 1997 met contractnummer [nr] ;

3. Beleggen met Korting d.d. 7 januari 1998 met contractnummer [nr] .
Deze overeenkomsten zijn met een positief saldo geëindigd.

2.3

Tussen Bank Labouchere N.V. en [appellante] is op 3 augustus 2001 een vierde effectenleaseovereenkomst gesloten, te weten Koers Extra met contractnummer [nr] .
[echtgenoot appellante] , sinds [datum] echtgenoot van [appellante] , heeft Dexia bij brief van 11 november 2005 medegedeeld dat hij laatstgenoemde effectenleaseovereenkomst vernietigd op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW omdat hij voor het aangaan daarvan geen toestemming had verleend.

2.4

Dexia is de rechtsopvolgster van Legio Lease B.V. en Bank Labouchere N.V.

2.5

De zogenoemde ‘Duisenbergregeling’ voor effectenleaseproducten is door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 verbindend verklaard in de zin van de
Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade. [appellante] heeft door middel van een‘opt-out’-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

2.6

Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [appellante] aan Dexia laten weten dat [appellante] zich haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt. Dexia heeft vervolgens nimmer inhoudelijk iets van [appellante] en/of Leaseproces vernomen omtrent de gepretendeerde vordering(en) van [appellante] op Dexia.

2.7

De gemachtigde van Dexia heeft [appellante] op 21 augustus 2014 een brief gestuurd waarbij haar de mogelijkheid is geboden om aan te tonen dat zij nog recht had op schadevergoeding. Indien [appellante] zou menen dat zij geen recht meer zou hebben op enig schadevergoeding, kon zij de bijgevoegde ‘waiver’ ondertekenen en retourneren.

2.8

Leaseproces heeft namens [appellante] op deze brief gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat Dexia niet aan haar verplichtingen jegens [appellante] heeft voldaan nu er sprake was van een rechtsgeldige vernietiging ex artikel 1:88 BW.

3 Het geschil en de beslissing van de kantonrechter

3.1

Dexia heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellante] gesloten effectenleaseovereenkomsten met nummers [nr] , [nr] , [nr] en [nr] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] verschuldigd is, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding. Daartoe heeft Dexia aangevoerd dat [appellante] op basis van het hofmodel geen recht meer heeft op enige schadevergoeding, dat [appellante] voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad haar (gepretendeerde) vordering op Dexia kenbaar te maken en dat Dexia belang heeft bij (rechts)zekerheid in de vorm van een

definitieve beëindiging van het geschil met [appellante] .

3.2

De kantonrechter heeft de vordering van Dexia toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld omdat niet gebleken is dat [appellante] nog iets van Dexia te vorderen heeft. In dat verband heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoot van [appellante] tijdig de vernietiging van de effectenleaseovereenkomst(en) heeft ingeroepen.

4
4. Bespreking van de grieven

4.1

[appellante] heeft gegriefd tegen laatstgenoemde overweging van de kantonrechter en het daaraan verbonden oordeel dat niet gebleken is dat [appellante] nog iets van Dexia te vorderen heeft. [appellante] heeft in allereerst betoogd dat Dexia geen belang heeft bij haar vordering voor zover die ziet op de overeenkomsten [nr] , [nr] en [nr] omdat over die overeenkomsten tussen partijen nooit een geschil is geweest (grief I). Verder heeft [appellante] aangevoerd dat haar echtgenoot wel degelijk tijdig de vernietiging van de overeenkomst met nummer [nr] heeft ingeroepen (grief II).

4.2

In hoger beroep staat vast dat de echtgenoot van [appellante] bij brief van
11 november 2005 de vernietiging heeft ingeroepen van de effectenleaseovereenkomst met nummer [nr] , die op 3 augustus 2001 door [appellante] was gesloten.
heeft aangevoerd dat genoemde effectenleaseovereenkomst daardoor is vernietigd en dat Dexia gehouden is [appellante] alles terug te betalen hetgeen zij uit hoofde van deze overeenkomst aan Dexia heeft betaald.

4.3

Dexia heeft zich op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid om vernietiging van de op effectenleaseovereenkomst met nummer [nr] in te roepen op 11 november 2005 was verjaard, nu er op dat moment meer dan drie jaren waren verstreken sinds het aangaan van die overeenkomst en uit de stellingen van [appellante] zelf volgt dat haar echtgenoot reeds bij aanvang van de overeenkomst daarvan op de hoogte was.

4.4

[appellante] heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van
9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018), een beroep gedaan op de stuitende werking van de op 13 maart 2003 door de Stichting Eegalease uitgebrachte collectieve dagvaarding in de zogenoemde Eegalease-procedure. Op dat moment was een eventueel lopende verjaringstermijn van drie jaar nog niet verstreken. De Eegalease-procedure is door royement geëindigd op 25 augustus 2005. De buitengerechtelijke vernietigingsverklaring werd binnen de in artikel 3:316 lid 2 BW genoemde termijn van zes maanden en dus tijdig uitgebracht, aldus [appellante] .

4.5

Dexia heeft daartegen ingebracht dat het geschil dat onderwerp was van de Eegalease-procedure is geëindigde met een minnelijke regeling van 23 juni 2005, waarbij de Stichting Eegalease en de Consumentenbond uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van alle in die procedure gepretendeerde rechten en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van de dagvaarding in die procedure meebracht.
Dexia heeft zich verder op het standpunt gesteld dat geen belang moet worden gehecht aan het feit dat de afnemer naderhand middels een verklaring als bedoeld in
artikel 7:908 lid 2 BW (de zogenoemde ‘opt-out’-verklaring) te kennen heeft gegeven niet aan de Duisenbergregeling gebonden te willen zijn.

4.6

Het hof overweegt als volgt.
Bij arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft de Hoge Raad op de

daarover gestelde prejudiciële vragen geantwoord dat de stuitende werking op de voet van

art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt

tot de verjaring van op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot

vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW, hetgeen ingevolge het bepaalde

in art. 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen

van een buitengerechtelijke verklaring wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad geantwoord

dat een dergelijke buitengerechtelijke vernietigingsverklaring, die wordt uitgebracht voor het

tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken,

tijdig is uitgebracht.

4.7

De effectenleaseovereenkomst met nummer [nr] is op 3 augustus 2001 door [appellante] gesloten. Op 13 maart 2003, het moment van uitbrengen van de dagvaarding in de Eegalease-procedure, was de mogelijkheid om de vernietiging van de overeenkomst in te roepen op grond van artikel 1:89 BW nog niet verjaard.
Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de collectieve vordering ook stuitende werking heeft gehad ten aanzien van de verjaring van deze vernietigingsmogelijkheid.
De Eegaleaseprocedure is als gevolg van een op 23 juni 2005 getroffen regeling geëindigd door een royement van de procedure op 25 augustus 2005. De buitengerechtelijke vernietigingsverklaring door de echtgenoot van [appellante] van 11 november 2005 sluit aan op de collectieve vordering, zoals door de Hoge Raad in voormeld arrest bedoeld en is derhalve tijdig uitgebracht.

4.8

Ten aanzien van het betoog van Dexia dat de echtgenoot van [appellante] zich niet meer op de stuitende werking van de dagvaarding uit de Eegalease-procedure kan beroepen omdat de Stichting Eegalease en de Consumentenbond in het kader van de minnelijke regeling afstand van dat recht hebben gedaan overweegt het hof als volgt.

4.9

In rov. 3.4.3 van zijn arrest van 9 oktober 2015 overweegt de Hoge Raad:
"In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst,

heeft het uitbrengen van een 'opt-out'-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen."
Zoals dit hof ook in zijn arrest van 19 april 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:3085) heeft overwogen, brengt dat mee dat de getroffen schikking zelf, ook al hebben de belangenverenigingen daarin afstand gedaan van rechten, niet tot gevolg kan hebben dat een belanghebbende zich niet meer kan beroepen op de stuitende werking van de collectieve actie. Juist de omstandigheid dat de belanghebbende de onderhandelingen mag afwachten, brengt mee dat hij de mogelijkheid moet hebben om ook nog nadien zijn belangen veilig te stellen. Zou de opvatting van Dexia juist zijn, dan zou dat immers betekenen dat iedere belanghebbende toch tijdig zelf de verjaring zou moeten stuiten, omdat hij niet van te voren kan weten of hij gebonden wenst te zijn aan het uiteindelijk te behalen onderhandelingsresultaat en de in dat kader door de belangenverenigingen aanvaarde compromissen en prijsgegeven rechten. Dit is het tegenovergestelde van hetgeen de Hoge Raad heeft beslist, en kan daarom niet voor juist worden gehouden.

4.10

Grief II van [appellante] slaagt derhalve en leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarin is bepaald dat Dexia ten aanzien van de overeenkomst van effectenlease met nummer [nr] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] verschuldigd is. Met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten met de nummers [nr] , [nr] en [nr] is tussen partijen nimmer sprake geweest van enig geschil omtrent de uitvoering van die overeenkomsten. Dexia ontbeert dan ook een rechtens te respecteren belang bij haar vordering voor zover die ziet op die overeenkomsten, zoals door [appellante] terecht is aangevoerd. Ook grief I slaagt derhalve.

Slotsom

4.11

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Dexia alsnog afwijzen. Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Het hof begroot deze kosten voor zover gevallen aan de zijde van [appellante] tot aan deze uitspraak in eerste aanleg op nihil en in hoger beroep op € 405,19 aan verschotten en op
€ 1.264,- (2 pt, tarief I) aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen met nasalaris als in het dictum bepaald.

De beslissing

Het gerechtshof


vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
22 april 2015 waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:


wijst de vorderingen van Dexia af;

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure in beide instanties en begroot die tot deze uitspraak aan de zijde van [appellante] in eerste aanleg op nihil en in hoger beroep op
€ 405,19 aan verschotten en op € 1.264,- aan salaris voor de advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, te vermeerderen met € 68,- aan nasalaris voor de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan en betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
12 juli 2016.