Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5641

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
15/01444
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6130, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Onjuiste aftrek hypotheekrente. Vergrijpboete terecht? Opzet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1720
V-N 2016/51.15.9
FutD 2016-1888
NTFR 2016/2161 met annotatie van Mr. W.E. Nent
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01444

uitspraakdatum: 12 juli 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2015, nummer AWB 15/1278, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.391 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.866. Tevens is een vergrijpboete van € 10.852 opgelegd. Verder is een bedrag van € 183 aan heffingsrente vergoed.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2015 de boetebeschikking gehandhaafd. Vanwege het niet tijdig doen van deze uitspraak heeft de Inspecteur een dwangsom verbeurd van € 550.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 6 oktober 2015 het beroep inzake de boetebeschikking ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 5 november 2015, ingekomen bij het Hof op
6 november 2015, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2016 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. [A] , werkzaam bij [B] te [C] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [D] en [E] . Het Hof heeft belanghebbende bij de aanvang van de mondelinge behandeling de cautie gegeven.

1.7.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is in het onderhavige jaar 2011 werkzaam als concerncontroller bij [G] . In 2011 heeft belanghebbende € 9.603,75 betaald aan hypotheekrente ter zake van de eigen woning.

2.2.

Belanghebbende heeft op 12 maart 2012 met behulp van het softwareprogramma van de Belastingdienst (digitaal) aangifte IB/PVV 2011 gedaan voor zijn echtgenote. Op 23 maart 2012 heeft belanghebbende voor zichzelf (digitaal) aangifte IB/PVV 2011 gedaan. Daarbij is een eigenwoningschuld aangegeven van € 390.000 en is een (onjuist) bedrag aan hypotheekrente in aftrek gebracht van € 96.038. Deze rente is, overeenkomstig de verdeling in voorgaande jaren, volledig bij belanghebbende in aanmerking is genomen.

2.3.

Belanghebbende heeft op 27 maart 2012 voor de tweede maal (digitaal) aangiften IB/PVV 2011 gedaan voor zichzelf en zijn echtgenote. In deze aangiften heeft belanghebbende het negatieve inkomen uit eigen woning verdeeld: in de aangifte van de echtgenote is een bedrag van € 19.000 in aanmerking genomen en in de aangifte van belanghebbende € 74.954. Dit heeft ertoe geleid dat de uit de aangiften voortvloeiende teruggave van inkomstenbelasting voor belanghebbende en zijn echtgenote in totaal groter was dan in de eerste aangiften.

2.4.

Belanghebbende heeft voornoemde aangiften IB/PVV 2011 voor zichzelf en zijn echtgenote afzonderlijk ingediend met gebruikmaking van twee verschillende computers. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gezamenlijk aangifte te doen.

2.5.

Voor de belastingjaren vóór 2011 heeft belanghebbende de aangiften op papier ingediend. Ook in de aangifte IB/PVV 2010 had belanghebbende een te hoog bedrag aan hypotheekrente aangegeven. De Inspecteur heeft destijds die aangifte gecorrigeerd.

2.6.

Bij brief van 16 juli 2013 heeft de Inspecteur verzocht om nadere informatie over de aangifte IB/PVV 2011 van belanghebbende. Belanghebbende heeft op 2 augustus 2013 op dit verzoek gereageerd.

2.7.

Bij brief van 30 januari 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende en zijn echtgenote bericht dat de aangiften IB/PVV 2011 diverse onjuistheden bevatten en heeft hij aangegeven op welke punten hij de aangiften zal corrigeren. Bovendien heeft de Inspecteur in deze brief te kennen gegeven een vergrijpboete op te leggen. In deze brief is onder meer het volgende geschreven:

Eigen woning: rente en kosten van geldleningen

In uw gezamenlijk ingediende aangiften geeft u aan dat er € 96.038 is betaald aan rente en kosten geldleningen eigen woning. Dit bedrag is onjuist. Het betaalde en in aftrek te brengen bedrag is slechts € 9.604. Het saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning is volgens de ingediende aangiften -/- € 93.954. Dit bedrag wordt vervolgens verdeeld tussen u beide. Het saldobedrag eigen woning moet zijn -/- € 7.520. Deze aftrek reken ik geheel toe aan de heer [X] .

Correctie inkomen box 1 [X] € 67.434

Correctie inkomen box 1 [F] € 19.000

(…)

Kennisgeving boete

Hierbij deel ik u mee dat er een boete wordt opgelegd conform artikel 67g Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en § 12 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).

Motivering boete

Naast de correctie op de aangifte zal er een vergrijpboete worden opgelegd op grond van artikel 67d AWR en § 25 en § 26 BBBB. De boete bedraagt 50%.

De grondslag van de boete is het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden.

Op basis van de aard en de omvang van bovenstaande correcties heeft u beide bewust het risico genomen dat er een onjuiste aangiften inkomstenbelasting zijn gedaan. Hierdoor zou te weinig belasting worden voldaan. Uit de beschrijving van de correcties blijkt een handelwijze die naar mijn mening er op gericht is om te weinig belasting te betalen c.q. ten onrechte belasting terug te ontvangen. Daarom is sprake van (voorwaardelijke) opzet.

(…)

Ik stel u in de gelegenheid om binnen 14 dagen na dagtekening van deze kennisgeving de hierboven genoemde gronden waarop het voornemen tot het opleggen van de boete berust, gemotiveerd te betwisten. Ik stel voor dat u uw standpunt mondeling komt toelichten. Ik verzoek u dan ook daarvoor met mij een afspraak te maken. Indien u dat wilt mag en kunt u zich laten bijstaan door een adviseur.”

2.8.

Naar aanleiding van deze brief heeft op 18 februari 2014 een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende enerzijds en [H] namens de Inspecteur en [I] namens de FIOD anderzijds. Van het gesprek is een gespreksverslag gemaakt. In dit verslag is vermeld dat de Inspecteur belanghebbende tijdens dit gesprek de cautie heeft gegeven. Belanghebbende heeft de Inspecteur tijdens dit gesprek een schriftelijke toelichting verstrekt. In deze toelichting heeft belanghebbende onder meer het volgende opgemerkt:

“Dit is de eerste keer elektronische aangifte en gecombineerd met systeemwijziging berekening vermogen. Is op meerdere punten fout gegaan.

Formulier invullen ging moeilijk. Ophalen gegevens, daarna was ik dit weer kwijt. Weer opnieuw beginnen. Uiteindelijk op 2 pc’s tegelijk gewerkt, een voor mijn aangifte en een voor aangifte van mijn vrouw. Daarbij snel saldi van de ene aangifte in de andere opnemen. Daarbij een typefout (komma verkeerd, dus 10x maal) bij de hypotheekrente gemaakt en deze in de andere overgenomen. De verdeling volgde pas later. Nieuwigheid, onbekendheid, gebruikersonvriendelijkheid en typefout van mij.”

2.9.

Bij brief van 10 juli 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over onder meer de afhandeling van de aangifte IB/PVV 2011. De Inspecteur heeft onder meer het volgende geschreven:

“(…) Daarbij zal met betrekking tot de aangiften 2011 een boete worden opgelegd wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangifte. Er is sprake van opzet, omdat de in aftrek gebrachte hypotheekrente € 96.038 is terwijl de betaalde hypotheekrente slechts € 9.604 bedraagt. Deze hypotheekrente is vervolgens door u verdeeld over uw echtgenote (€ 19.000) en u (€ 67.434). En u ziet uiteindelijk dat u uitkomt op een negatief verzamelinkomen en u beide een groot bedrag gaat terugkrijgen. Daarnaast zijn er nog wel een aantal onjuistheden te benoemen in de aangifte. Deze vergrijpboete bedraagt 50% van het gecorrigeerde belastingbedrag als gevolg van de correctie hypotheekrente.”

(…)

Aangifte IB 2011

De aangifte wordt gecorrigeerd zoals staat vermeld in de brief van 30 januari 2014.

Aangegeven inkomen box 1 was € 5.043 negatief

Correctie: hypotheekrente aftrek € 67.434

Gecorrigeerd inkomen box 3 € 62.391

Aangegeven belastbaar inkomen box 3 € 10.351

Correctie: zorgkosten € 4.625 (…)

Correctie: te hoog vermogen box 3 -/- € 2.110

Gecorrigeerd inkomen box 3 € 12.886

Over het als gevolg van de correctie box 1 gecorrigeerde belastingbedrag wordt de boete van 50% berekend.”

2.10.

Met dagtekening 1 augustus 2014 is de aanslag IB/PVV 2011 aan belanghebbende opgelegd en is bij beschikking een vergrijpboete ten bedrage van € 10.852 opgelegd. De grondslag voor de boete is enkel de correctie van de hypotheekrenteaftrek. Deze boete heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Aanvankelijk had de Inspecteur tevens aan de echtgenote van belanghebbende een vergrijpboete opgelegd. Deze boete heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 23 januari 2015 vernietigd met als motivering dat bij fiscale boetes de opzet van een ander dan de belastingplichtige niet kan worden toegerekend aan de belastingplichtige.

2.11.

De Rechtbank heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (op de koop toegenomen) dat de aangifte IB/PVV 2011 onjuist zou zijn. De vergrijpboete is derhalve terecht opgelegd. De Rechtbank ziet geen aanleiding de boete te matigen. Voorts acht de Rechtbank het verdedigingsbeginsel niet geschonden.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of terecht en tot het juiste bedrag een vergrijpboete aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Belanghebbende betoogt dat ten tijde van het doen van aangifte geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet zodat de boete vernietigd moet worden. Verder stelt belanghebbende zich op het standpunt dat een boete van € 10.852 niet in verhouding staat tot de gepleegde overtreding. Ook dient bij de strafmaat rekening ermee te worden gehouden dat in het gesprek van 18 februari 2014 (zie 2.8) de gegeven cautie niet goed tot hem is doorgedrongen, aldus belanghebbende. Voorts is belanghebbende van mening dat hij ernstig in zijn verdediging is geschaad omdat de Inspecteur hem eerst in de bezwaarfase tijdens het hoorgesprek van 15 januari 2015 heeft geconfronteerd met nieuwe feiten en omstandigheden.

3.3.

Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangifte gedaan. Verder is belanghebbende niet in zijn verdediging geschaad omdat voldaan is aan het in artikel 6, lid 3, onderdeel a, EVRM en artikel 5:9 Awb juncto artikel 67g AWR neergelegde vereiste dat belanghebbende voor het nemen van het besluit tot boeteoplegging op de hoogte is gesteld van de aard en reden van de op te leggen boete, aldus de Inspecteur.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vernietiging dan wel vermindering van de vergrijpboete. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Overwegingen

Opzet

4.1.

De Inspecteur heeft een vergrijpboete van 50% opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangifte onjuist is gedaan (artikel 67d AWR).

4.2.

Belanghebbende betwist dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Het uitgangspunt van de onschuldpresumptie brengt dan mee dat de Inspecteur de feiten moet stellen en aannemelijk maken die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van opzet. Opzet houdt in dat belanghebbende zich ervan bewust was dat de aangifte onjuist is gedaan. Opzet omvat mede de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist is gedaan (voorwaardelijk opzet) (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/04514, ECLI:NL:HR:2010: BO5989).

4.3.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte zich ervan bewust was dat de aangifte onjuist was gedaan. Redengevend daarvoor is dat belanghebbende de aangiften van hemzelf en zijn echtgenote tweemaal en op twee afzonderlijke pc’s digitaal heeft ingediend, dat in de eerste aangiften een onjuist bedrag aan hypotheekrente – € 96.038 in plaats van de betaalde rente van € 9.603,75, af te ronden naar € 9.604 – is ingevuld, dat belanghebbende in de tweede aangiften dit onjuiste bedrag aan negatieve inkomen uit eigen woning op een andere wijze heeft toegerekend aan zichzelf en zijn echtgenote waardoor de te verwachten teruggave van inkomstenbelasting in totaal groter was dan volgens de eerste aangiften, dat deze toerekening van het onjuiste (hoge) bedrag handmatig door belanghebbende is geschied, dat deze toerekening heeft geleid tot een voor belanghebbende ongebruikelijke teruggaaf van circa € 25.000 en dat belanghebbende ondanks deze hoge teruggaaf het invullen van de aangifte heeft vervolgd en deze heeft ingezonden.

4.4.

Belanghebbende heeft verklaard dat sprake is van een typefout omdat de komma verkeerd zou zijn gezet. Het Hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. Ten eerste omdat het aangifteprogramma van de Belastingdienst het gebruik van komma’s niet toestaat. En ten tweede omdat een kommafout tot de vermelding van het bedrag ‘€ 96037,5’ zou hebben geleid en niet tot het door het belanghebbende aangegeven bedrag van € 96.038.

4.5.

Het Hof acht een boete van € 10.852 passend en geboden. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende ook in de aangifte IB/PVV 2010 een te hoog bedrag aan hypotheekrente heeft aangegeven. Dat in het gesprek van 18 februari 2014 (zie 2.8) de gegeven cautie niet goed tot belanghebbende was doorgedrongen, geeft geen aanleiding tot matiging van de boete.

Verdedigingsbeginsel

4.6.

Op grond van artikel 67g AWR in samenhang met artikel 5:9 Awb stelt de inspecteur de belastingplichtige uiterlijk bij het opleggen van de bestuurlijke boete in kennis van de overtreding (feiten) alsmede van het overtreden voorschrift (juridische kwalificatie). Dit recht moet worden bezien in het licht van het recht van een verdachte om zich behoorlijk te kunnen voorbereiden op zijn verdediging (verdedigingsbeginsel) (HR 4 april 2001, nr. 35.917, ECLI:NL:HR:2001:AB0851).

4.7.

De Inspecteur heeft met betrekking tot onderhavige vergrijpboete aan voornoemde mededelingsplicht voldaan door voorafgaand aan het opleggen van de boete op 1 augustus 2014 belanghebbende op de hoogte te stelen van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. De Inspecteur heeft immers in zijn brieven van 30 januari 2014 en 10 juli 2014 aan belanghebbende meegedeeld dat hij wordt beschuldigd van het opzettelijk doen van onjuiste aangifte IB/PVV 2011 door het in aanmerking nemen van een te hoog bedrag aan aftrek van hypotheekrente. Dat de Inspecteur in de loop van de bezwaar- of beroepsprocedure de gestelde overtreding met nadere argumenten en bewijsmiddelen onderbouwt – zoals tijdens het hoorgesprek in de bezwaarfase – doet niet eraan af dat de Inspecteur aan de mededelingsplicht heeft voldaan. Nu daardoor aan de mogelijkheid tot het voeren van verweer en tot de beoordeling daarvan door de rechter niet tekort wordt gedaan, is van een schending van het verdedigingsbeginsel geen sprake.

Slotsom

Gelet op het vorenstaande dient de vergrijpboete te worden gehandhaafd. Het hoger beroep van belanghebbende dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J.A. Monsma en
mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2016.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 12 juli 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.