Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5622

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
21-005419-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:6681, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof veroordeelt verdachte voor dood door schuld aan een bootongeluk waarbij de bestuurder met zijn hoofd tegen een brug kwam en overleed. Verdachte is tekortgeschoten in zijn plicht als gezagvoerend schipper op grond van het Binnenvaartpolitiereglement om dit te voorkomen.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit niet kan worden volstaan met alleen de verbeurdverklaring van verdachtes boot. Het gerechtshof legt daarnaast aan verdachte een taakstraf op en een ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren van schepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005419-15

Uitspraak d.d.: 8 juli 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 11 september 2015 met parketnummer 16-661031-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.J.A. Bakker, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 14 september 2014 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als schipper, zoals bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement, (zijnde degene onder wiens gezag nagenoemde boot werd gevoerd en/of degene die de leiding had over nagenoemde boot) van een snelle motorboot (te weten een zogenaamde Zodiac boot, zonder registratienummer) en derhalve als zodanig zijnde degene die alle voorzorgsmaatregelen moet nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt zijn geboden teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar wordt gebracht en/of de veiligheid van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht en/of er voor moet zorgen dat er (onder meer) geen gevaar of hinder wordt veroorzaakt en niet te snel wordt gevaren, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig, met dat schip heeft gevaren op de Vecht aldaar immers

heeft verdachte die boot gevoerd onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank dat hij niet in staat moest worden geacht die boot naar behoren te kunnen voeren, en/of

heeft verdachte zijn boot doen sturen door [slachtoffer]

- van wie het voor verdachte kenbaar was dat die onder zodanige invloed was van alcoholhoudende drank dat die niet in staat moest worden geacht die boot naar behoren te kunnen sturen, in elk geval terwijl verdachte zich er niet van heeft vergewist dat die [slachtoffer] (daardoor) wel bekwaam was om die boot te sturen, en/of

- terwijl die [slachtoffer] niet in het bezit was van een vaarbewijs, en/of

- terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat [slachtoffer] onvoldoende kennis en/of ervaring had om die boot (onder dergelijke omstandigheden) te sturen, en/of

heeft/hebben verdachte en/of die [slachtoffer] , met die boot gevaren met een snelheid van (tenminste) 23 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid van 6 kilometer per uur en/of die (veel) te hoog was voor een veilige scheepvaart ter plaatse, zulks terwijl het nacht en (derhalve) donker was, in elk geval heeft verdachte niet ingegrepen terwijl die [slachtoffer] voer met bovengenoemde snelheid, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] geen of onvoldoende instructies gegeven over de maximum toegestane vaarsnelheid en/of de wijze van varen, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] niet de dodemansknop gegeven noch het gebruik van die knop bevorderd, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] niet de instructie gegeven om te gaan zitten (terwijl de boot een -lage- brug naderde), waardoor die [slachtoffer] bij het onderdoorvaren van die brug met zijn hoofd tegen de onderzijde van die brug is gekomen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een gekliefde schedel en/of verbrijzelde aangezichtsbeenderen en/of (ernstig) hersenletsel, heeft bekomen, dat voornoemde [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden;

subsidiair:
hij op of omstreeks 14 september 2014 in de gemeente Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland als schipper van een snelle motorboot (te weten een zogenaamde Zodiac boot, zonder registratienummer) daarmede varende op Vecht, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen, terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen en/of aan een andere drijvende voorwerpen, aan oevers en/of aan werken en/of inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de oevers daarvan bevonden en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers

heeft verdachte die boot gevoerd onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank dat hij niet in staat moest worden geacht die boot naar behoren te kunnen voeren, en/of

heeft verdachte zijn boot doen sturen door [slachtoffer]

- van wie het voor verdachte kenbaar was dat die onder zodanige invloed was van alcoholhoudende drank dat die niet in staat moest worden geacht die boot naar behoren te kunnen sturen, in elk geval terwijl verdachte zich er niet van heeft vergewist dat die [slachtoffer] (daardoor) wel bekwaam was om die boot te sturen, en/of

- terwijl die [slachtoffer] niet in het bezit was van een vaarbewijs, en/of

- terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat [slachtoffer] onvoldoende kennis en/of ervaring had om die boot (onder dergelijke omstandigheden) te sturen, en/of

heeft/hebben verdachte en/of die [slachtoffer] , met die boot gevaren met een snelheid van (tenminste) 23 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid van 6 kilometer per uur en/of die (veel) te hoog was voor een veilige scheepvaart ter plaatse, zulks terwijl het nacht en (derhalve) donker was, in elk geval heeft verdachte niet ingegrepen terwijl die [slachtoffer] voer met bovengenoemde snelheid, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] geen of onvoldoende instructies gegeven over de maximum toegestane vaarsnelheid en/of de wijze van varen, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] niet de dodemansknop gegeven noch het gebruik van die knop bevorderd, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] niet de instructie gegeven om te gaan zitten (terwijl de boot een -lage- brug naderde).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte wordt – kort gezegd – primair verweten dat hij als schipper van een snelle boot roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig met dat schip heeft gevaren en zijn boot heeft doen besturen door [slachtoffer] , waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat tijdens de boottocht vanaf het Schippertje tot en met de plek waar het ongeval heeft plaatsgevonden verdachte gezagvoerend schipper was. [slachtoffer] trad toen als feitelijk schipper op, omdat laatstgenoemde achter het stuur stond en de gashendel bediende en daarmee feitelijk de koers en snelheid van het schip bepaalde. Het hof verwerpt daarmee het verweer van de verdediging dat, nu [slachtoffer] bij het verlaten van het Schippertje al achter het stuur van de boot had plaatsgenomen toen verdachte de boot instapte, verdachte niet kan worden aangemerkt als schipper.

Het hof neemt de volgende overwegingen van de rechtbank over:

“Gelet op de bewoordingen van het onder primair ten laste gelegde - en mede gelet op de inhoud van het dossier - is het de bedoeling van de steller van de tenlastelegging geweest om aan de daarin vermelde begrippen "schipper" en "goed zeemanschap" de inhoud en betekenis toe te kennen die volgt uit de toepasselijke bepalingen van het Binnenvaart Politiereglement, hierna te noemen BPR.

Nu het BPR geen definitie geeft van het begrip "schipper", dient de betekenis daarvan vastgesteld te worden aan de hand van de artikelen van het BPR waarin het begrip "schipper" voorkomt. Voor deze vaststelling is het navolgende naar het oordeel van de rechtbank richtinggevend.

- De artikelen 1.02 tot en met 1.04 BPR. Hierin wordt de (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid van met name de schipper voor de naleving van de voorschriften van het BPR geregeld en wordt tevens aan de schipper de verplichting opgelegd om - bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften - alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt geboden zijn.

- De Nota van Toelichting op het BPR, zoals dat op 1 april 1984 in werking is getreden (Stb. 1983, 682) voor zover daarin staat geschreven:

"Bedoelde verantwoordelijkheid (voor de navigatie) betekent geenszins dat als de verantwoordelijke schipper altijd wordt aangemerkt degene die daadwerkelijk het roer of de andere instrumenten bedient. Laatstgenoemde zal immers dikwijls toch handelen in opdracht van degene die dan deswege als de verantwoordelijke schipper dient te worden beschouwd. De schipper behoeft zich niet aan dek te bevinden. Hij blijft de schipper ingeval hij korte tijd in de kajuit verblijft (...) en dan de leiding van de navigatie aan een ander bemanningslid overlaat, zolang hij tenminste in de gelegenheid is zich terstond aan dek of naar de stuurhut te begeven (...)."

- Het derde lid van artikel 1.03 BPR. De wetgever heeft dit artikellid bij het zevende wijzigingsbesluit van het BPR van 1 september 1995 (Staatsblad 1995, 437) overgenomen uit het Rijnvaartpolitiereglement (hierna: RPR). Artikel 1.03 lid 3 BPR bepaalt - kort gezegd - dat degene die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van een schip bepaalt, zelfstandig verantwoordelijk is voor de naleving van het BPR. Blijkens de toelichting op het zevende wijzigingsbesluit werd ten tijde van de vaststelling van het BPR in 1983 het toevoegen van een derde lid aan art. 1.03 BPR, overeenkomend met het derde lid van artikel 1.03 RPR, niet noodzakelijk geacht. Dit, omdat in verband met het feitelijk karakter van het begrip "schipper" in het BPR werd aangenomen dat een persoon die zelfstandig de koers en snelheid van een schip bepaalt, daarmee feitelijk schipper zou zijn geworden. In de praktijk bleek het evenwel niet eenvoudig om op grond van de gezagsverhouding op een schip vast te stellen wie als feitelijk schipper moest worden aangemerkt. En dat was nodig om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid te kunnen bepalen. Het zevende wijzigingsbesluit heeft aan die onduidelijkheid een einde gemaakt doordat, evenals in het RPR, degene die tijdelijk zelfstandig het schip bestuurt en "feitelijk als schipper" optreedt op overeenkomstige wijze als de schipper ("schipper" in de zin van en als bedoeld in art. 1.02, lid 1, BPR) verantwoordelijk wordt gesteld voor de naleving van het BPR (Nota van Toelichting op het RPR, Stb. 1983, 389).

Uit het voorgaande volgt dat zowel degene die als "feitelijk schipper", ofwel als "bestuurder", optreedt - en feitelijk de koers en snelheid van het schip bepaalt - als degene die als "gezagvoerend schipper" optreedt, "schipper" is in de zin van het BPR, zonder dat deze twee hoedanigheden noodzakelijkerwijs in een en dezelfde persoon verenigd hoeven zijn. Bovendien kan uit voormelde passage uit de Nota van Toelichting geconcludeerd worden dat het "feitelijk besturen", dat wil zeggen het feitelijk koers en snelheid bepalen van het schip, zowel door één persoon als door meerdere personen gezamenlijk kan geschieden.

Uit de Nota van Toelichting op artikel 8.07 BPR, toegevoegd bij het negende wijzigingsbesluit (Stb. 2004, 603) volgt: "(artikel 8.07) is een nieuwe bepaling die de schipper van een snelle motorboot verantwoordelijk stelt voor de naleving van met name de artikelen 8.05 en 8.06. Dit werd noodzakelijk geacht, omdat de schipper niet altijd dezelfde is als degene die een snelle motorboot bestuurt."

Zoals hier voor vermeld had verdachte voor het vertrek bij Het Schippertje [slachtoffer] al een keer achter het stuur plaats laten nemen. Verdachte merkte daarbij dat [slachtoffer] geen goede controle had over de gashendel. Verdachte had op het moment dat [slachtoffer] een andere boot in de weg voer het roer weer overgenomen. Ook bij het aanmeren bij Het Schippertje had verdachte ingegrepen, en zelf aangemeerd. Bij het vertrek had verdachte [slachtoffer] geholpen bij het draaien van de boot, vervolgens was hij naast [slachtoffer] gaan zitten en bediende verdachte zelf de gashendel. Kort voor de Ter Meerbrug, bij het passeren van een andere boot, had verdachte [slachtoffer] gewaarschuwd dat hij gas terug moest nemen. Na het passeren van de andere boot was de boot van verdachte weer sneller gaan varen en had verdachte zelf gas teruggenomen.

Verdachte heeft gedurende de boottocht - tot vlak voor het fatale ongeluk - diverse malen ingegrepen en/of de controle over de boot overgenomen, terwijl [slachtoffer] achter het stuur zat.

De rechtbank acht voor de vraag of verdachte kan worden aangemerkt als “schipper”, van doorslaggevende betekenis of de feitelijke leiding over de motorboot al dan niet expliciet volledig was overgedragen aan een ander. Daarbij moet dan duidelijk worden dat die ander moet zorgen voor de navigatie en de naleving van de vaarvoorschriften. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke vorm van overdracht geen sprake geweest, zodat verdachte ook nog als gezagvoerend c.q. verantwoordelijk "schipper" kan gelden vanaf het moment dat [slachtoffer] bij het vertrek van Het Schippertje achter het stuur van de motorboot is gaan zitten en optrad als feitelijk bestuurder van de boot.

De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden volgt dat gedurende het laatste deel van de boottocht - van het vertrek bij Het Schippertje tot en met het ongeluk - verdachte is teruggetreden als feitelijk bestuurder. [slachtoffer] is opgetreden als "feitelijk schipper" ofwel als "bestuurder" en verdachte als "gezagvoerend schipper". Hieruit volgt - de juridische beoordeling - dat verdachte op dit traject als "schipper" in de zin van het BPR moet worden aangemerkt en dat dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden bewezen.”

Volgens het Binnenvaartpolitiereglement moet de schipper conform artikel 1.04 – voor zover hier van belang – alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt zijn geboden teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar wordt gebracht. Goed zeemanschap van de schipper ziet dus op het nemen van die voorzorgsmaatregelen die de veiligheid van personen waarborgen.

In de gegeven situatie – de nadering met hoge snelheid van de lage brug waar de boot met verdachte, twee passagiers en [slachtoffer] achter het stuur – vloeide naar het oordeel van het hof voor verdachte hieruit in ieder geval voort dat hij zich ervan had moeten vergewissen dat geen van de aanwezige personen bij het onderdoor varen van de brug een zodanige houding had zij in levensgevaar zouden komen. Verdachte had in ieder geval de kans op levensgevaar kunnen en moeten beperken door ervoor te zorgen dat de snelheid aanzienlijk zou worden gereduceerd, zoals verdachte eerder op enkele momenten ook ingegrepen had toen [slachtoffer] de boot bestuurde. Bij aangepaste snelheid moet de kans op adequaat reageren door [slachtoffer] bij nadering van de brug naar het oordeel van het hof aanzienlijk groter zijn geweest. Verdachte heeft bovendien niet gelet op de positie van [slachtoffer] , die niet achter het stuur zat maar stond. Gelet op de geringe hoogte van de brug en de lengte van [slachtoffer] was dit levensgevaarlijk, als hij niet op z’n minst zou bukken. Als gevolg van zijn onoplettendheid heeft verdachte er niet op toegezien dat [slachtoffer] bleef zitten dan wel voor het onderdoor varen van de brug was gaan zitten. Als verdachte wel oplettend was geweest, had hij [slachtoffer] daarom op het gevaar moeten wijzen en de instructie moeten geven te blijven dan wel te gaan zitten.

In verband met onder meer de volgende omstandigheden was er bovendien aanleiding voor meer dan normale oplettendheid en voorzichtigheid. Met wetenschap en instemming van verdachte werd met een te hoge snelheid gevaren, ook bij het op korte afstand naderen van de brug. Bovendien was volgens verdachte de brug wel verlicht, maar bevond zich onder de brug nog een balk van 50 centimeter die helemaal zwart was, zoals verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard. Ook hadden verdachte en [slachtoffer] niet lang daarvóór een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank genuttigd.

Op grond van de ernst van de door verdachte gemaakte fouten is het hof van oordeel dat verdachte als gezagvoerend schipper aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam met dat schip heeft gevaren en dat de dood van [slachtoffer] daarvan het gevolg is.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 14 september 2014 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als schipper, zoals bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement, (zijnde degene onder wiens gezag nagenoemde boot werd gevoerd en/of degene die de leiding had over nagenoemde boot) van een snelle motorboot (te weten een zogenaamde Zodiac boot, zonder registratienummer) en derhalve als zodanig zijnde degene die alle voorzorgsmaatregelen moet nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt zijn geboden teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar wordt gebracht en/of de veiligheid van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht en/of er voor moet zorgen dat er (onder meer) geen gevaar of hinder wordt veroorzaakt en niet te snel wordt gevaren, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig, met dat schip heeft gevaren op de Vecht aldaar immers

heeft verdachte die boot gevoerd onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank dat hij niet in staat moest worden geacht die boot naar behoren te kunnen voeren, en/of

heeft verdachte zijn boot doen sturen door [slachtoffer]

- van wie het voor verdachte kenbaar was dat die onder zodanige invloed was van alcoholhoudende drank dat die niet in staat moest worden geacht die boot naar behoren te kunnen sturen, in elk geval terwijl verdachte zich er niet van heeft vergewist dat die [slachtoffer] (daardoor) wel bekwaam was om die boot te sturen, en/of

- terwijl die [slachtoffer] niet in het bezit was van een vaarbewijs, en/of

- terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat [slachtoffer] onvoldoende kennis en/of ervaring had om die boot (onder dergelijke omstandigheden) te sturen, en/of

heeft/hebben verdachte en/of die [slachtoffer] , met die boot gevaren met een snelheid van (tenminste) 23 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) hoger lag dan de ter plaatse toegestane snelheid van 6 kilometer per uur en/of die (veel) te hoog was voor een veilige scheepvaart ter plaatse, zulks terwijl het nacht en (derhalve) donker was, in elk geval heeft verdachte niet ingegrepen terwijl die [slachtoffer] voer met bovengenoemde snelheid, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] geen of onvoldoende instructies gegeven over de maximum toegestane vaarsnelheid en/of de wijze van varen, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] niet de dodemansknop gegeven noch het gebruik van die knop bevorderd, en/of

heeft verdachte die [slachtoffer] niet de instructie gegeven om te gaan zitten (terwijl de boot een -lage- brug naderde), waardoor die [slachtoffer] bij het onderdoorvaren van die brug met zijn hoofd tegen de onderzijde van die brug is gekomen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten een gekliefde schedel en/of verbrijzelde aangezichtsbeenderen en/of (ernstig) hersenletsel, heeft bekomen, dat voornoemde [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank is – eveneens uitgaande van een veroordeling voor het primair tenlastegelegde – gekomen tot de beslissing om verdachte geen straf of maatregel op te leggen (hoewel als straf wel de verbeurdverklaring van de boot is opgelegd). De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het specifieke karakter van deze zaak, de kring van betrokkenen waarbinnen dit zich heeft afgespeeld, de onderlinge verhoudingen en de enorme impact en gevolgen die dit heeft voor alle betrokkenen en geconcludeerd dat een straf of maatregel in welke vorm ook geen enkel doel dient en daarom geen toegevoegde waarde heeft.

De officier van justitie heeft hiertegen appel ingesteld en uit de appelschriftuur blijkt dat het Openbaar Ministerie het niet eens is met de beslissing van de rechtbank om aan verdachte geen straf op te leggen, nu dat geen recht doet aan de ernst van het verweten gedrag en de gevolgen die het voor de nabestaanden heeft, in het bijzonder de moeder van het slachtoffer.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat gelet op de enorme gevolgen van het delict en de normbevestiging het noodzakelijk is dat aan verdachte een straf wordt opgelegd en gevorderd dat verdachte wegens het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, een ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren van schepen voor de duur van drie jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en de verbeurdverklaring van de boot.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte al zeer veel heeft geleden door hetgeen is voorgevallen en dat de vriendin van het slachtoffer heeft aangegeven hoe ondraaglijk het voor haar zou zijn als verdachte zwaar gestraft zou worden, gelet op zijn respectvolle opstelling ten opzichte van haar na het ongeval, en dat in deze zaak een generaal preventief effect dat van een straf uitgaat te verwaarlozen zou zijn. Daarnaast heeft de verdediging verzocht in aanzienlijke mate rekening te houden met de omstandigheid dat het slachtoffer zelf de boot bestuurde ten tijde van het ongeval en geconcludeerd dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze zaak passend en geboden is.

Het hof stelt voorop dat op 14 september 2014 een vreselijk ongeval heeft plaatsgevonden met fatale afloop voor het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer zijn boot laten besturen, terwijl zij beiden alcohol hadden genuttigd, met forse overtreding van de maximale toegestane snelheid en terwijl het donker was en bij nadering van de brug heeft verdachte niet voldoende voorzorgsmaatregelen genomen, waardoor het slachtoffer met zijn hoofd een brug heeft geraakt. Als gevolg hiervan is het slachtoffer om het leven gekomen, waardoor groot leed is veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer en zijn vrienden. De moeder van het slachtoffer heeft ter terechtzitting een verklaring voorgelezen, waaruit blijkt dat de emotionele gevolgen van het verlies van haar zoon nog dagelijks voelbaar zijn.

Echter, ook is gebleken dat de gevolgen voor verdachte in emotioneel opzicht groot zijn. Zo heeft de Reclassering Nederland op 15 juli 2015 gerapporteerd dat verdachte gebukt gaat onder schuldgevoel en verdriet en bij hem sprake is van emotionele problemen, zodat de reclassering hem met klem aangeraden heeft psychische hulp te gaan zoeken, zodat hij onder professionele begeleiding zijn leven weer wat op orde krijgt. En ook ter terechtzitting in hoger beroep is het schuldgevoel en verdriet van verdachte het hof gebleken. Verdachte heeft daar ook aangegeven dat hij in therapie is geweest en dat hij dat nu afgesloten heeft.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Anders dan de rechtbank en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit niet kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dan wel met – alleen – verbeurdverklaring van verdachtes boot. Gelet op de ernst van de door verdachte gemaakte fouten acht het hof daarnaast in ieder geval een langdurige ontzegging van de vaarbevoegdheid passend en geboden. Bovendien is naar het oordeel van het hof uit een oogpunt van normhandhaving, en generale preventie oplegging van een taakstraf noodzakelijk. Bij de bepaling van de hoogte houdt het hof in verder gaande mate dan de advocaat-generaal rekening met de aanzienlijke gevolgen van het feit voor verdachte.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Tevens zal het hof verdachte overeenkomstig artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet zijn vaarbevoegdheid ontzeggen voor de duur van twee jaar. Voor een voorwaardelijk deel van deze ontzegging, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, ziet het hof geen aanleiding.

Beslag

Het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.007,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof ziet geen gronden voor toewijzing van een ander bedrag dan de rechtbank heeft gedaan.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het voorstel van de advocaat-generaal om de schadevergoedingsmaatregel voor een hoger bedrag op te leggen, volgt het hof niet, nu de maatregel, gelet op het tweede lid van voornoemd artikel, slechts kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36f en 307 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt verdachte, als houder van een vaarbewijs, de bevoegdheid tot het voeren van schepen voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist, voor de duur van twee jaren.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het vaarbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd (en ingehouden) is geweest.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een motorboot van het merk Brig, type F450.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. P.R. Wery, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier,

en op 8 juli 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.