Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5401

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
200.178.146/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoende connexiteit tussen kinderalimentatie en verzoek zorgregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.178.146/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/107508 / FA RK 14-2826)

beschikking van 30 juni 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Atema te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Dijkman te Paterswolde.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 7 oktober 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een brief van 12 oktober 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- een journaalbericht van mr. Atema van 12 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Dijkman van 20 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Atema van 26 mei 2016;

- een journaalbericht van mr. Dijkman van 26 mei 2016.

2.2

Overeenkomstig de wens van partijen heeft de aanvankelijk voor 27 mei 2016 geplande mondelinge behandeling geen doorgang gevonden.

3 De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie

3.1

Blijkens de hiervoor onder 2.1 genoemde correspondentie hebben partijen overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie. Zij zijn het erover eens dat de man met ingang van 28 oktober 2014 € 25,- per maand aan de vrouw dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 te [A] . Zij verzoeken het hof die overeenstemming in een beschikking vast te leggen. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd. Het hof acht de tussen partijen bereikte overeenstemming in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal aan het gewijzigd verzoek voldoen.

Zorgregeling

3.2

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat tussen het zelfstandig verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] en het oorspronkelijke verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] voldoende samenhang bestaat. Het vereiste van connexiteit als bedoeld in artikel 282 lid 4 Rv dient - in familierechtelijke verzoekschriftprocedures - niet zo streng te worden uitgelegd als de rechtbank in dit geval heeft gedaan. Voorts acht het hof de door de rechtbank in zijn beschikking genoemde onmogelijkheid om de vrouw een redelijke verweertermijn te geven, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk. De tijdspanne tussen het zelfstandig verzoek van de man van 23 december 2014 en de mondelinge behandeling op

4 maart 2015 is immers niet zodanig kort dat daarvoor geen ruimte was. Het proces-verbaal van de zitting van 4 maart 2015 vermeldt ook niets over de (on)mogelijkheid voor de vrouw voor het voeren van verweer.

3.3

Het hof is van oordeel dat in het huidige tijdsgewricht van de rechtbank een meer klantvriendelijke benadering verwacht had mogen worden. Niet valt in te zien waarom het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling bijvoorbeeld niet is opgevat als een afzonderlijk - onder een apart nummer te administreren - verzoekschrift dat desgewenst ook nog tegelijk met de alimentatiezaak had kunnen worden behandeld. De rechtbank heeft de man ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van een zorgregeling met [de minderjarige] . De procedure in hoger beroep strekt er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. De omstandigheid dat partijen daardoor niet, althans niet ten volle in de gelegenheid zijn hun zaak in twee feitelijke instantie te laten behandelen, doet hieraan niet af.

3.4

Vast staat dat de tussen partijen onderling afgesproken zorgregeling sinds medio 2015 is gestaakt. Gebleken is dat partijen inmiddels hulp hebben gezocht bij [B] . Zij zijn daar recentelijk gestart met een traject om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot contactherstel tussen de man en [de minderjarige] te komen. Conform het verzoek van partijen zoals daarvan blijkt uit de hiervoor onder 2.1 genoemde correspondentie zal het hof de beslissing over de zorgregeling aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het hulverleningstraject bij [B] .

3.5

Het hof verzoekt partijen om uiterlijk op 30 september 2016, of zoveel eerder als mogelijk is, het hof schriftelijk te berichten over het verloop van het traject bij [B] en daarbij aan te geven of zij een nadere zitting noodzakelijk achten.

4 De slotsom

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 juli 2015, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 28 oktober 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 te [A] , € 25,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

alvorens verder te beslissen:

verzoekt partijen om uiterlijk op 30 september 2016, of zoveel eerder als mogelijk, het hof schriftelijk te berichten over het verloop van het hulpverleningstraject bij [B] en daarbij aan te geven of zij een nadere zitting noodzakelijk achten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, J.D.S.L. Bosch en

E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op

30 juni 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.