Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5290

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
200.149.929
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belang meer bij verbod tot verkoop en ontruiming in KG in hoger beroep, nu vaststaat dat appartement reeds is verkocht en geleverd. Wel mogelijk belang bij vordering om bankrelatie voort te kunnen zetten, maar toelichting ontbreekt wat appellante verstaat onder voortzetting “op de gebruikelijke wijze”.

Aan een beoordeling van de proceskostenbeslissing in eerste aanleg (naar de situatie ten tijde van het bestreden vonnis) komt het hof niet toe omdat appellante, geen daarop toegespitste grief heeft geformuleerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.149.929

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 366400)

arrest in kort geding van 28 juni 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

de naamloze vennootschap

SNS Bank N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

hierna: SNS Bank,

advocaat: mr. F.P. Richel.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 25 april 2014 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) tussen [appellante] als eiseres en SNS Bank als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 19 mei 2014, hersteld bij exploot van 30 juni 2014,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het kort gedingvonnis van 25 april 2014.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Deze zaak gaat, kort gezegd, over het volgende. [appellante] heeft in oktober 2006 voor de aankoop van een appartement – via een tussenpersoon – een hypothecaire geldlening van € 200.000 afgesloten bij SNS Bank. Bij brief van 4 december 2012 heeft SNS Bank, onder verwijzing naar de toepasselijke voorwaarden, het voornemen kenbaar gemaakt de relatie met [appellante] op te zeggen. Bij brief van 29 augustus 2013 heeft SNS Bank de bankrelatie definitief opgezegd en [appellante] nog een laatste termijn van 15 dagen is gegeven om het verschuldigde bedrag van € 200.500 te voldoen. Daarna heeft SNS Bank [appellante] nogmaals uitstel verleend tot 21 oktober 2013 om een passende oplossing te vinden. Bij beschikking van 3 april 2014 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, SNS Bank gemachtigd het appartement in beheer te nemen en om met behulp van de deurwaarder en de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van de beschikking te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis van 25 april 2014 de vorderingen van [appellante] afgewezen om, samengevat, SNS Bank te bevelen de bancaire relatie met haar op de gebruikelijke wijze voort te zetten en de bestaande hypothecaire geldlening op de bestaande voorwaarden te continueren (hierna ook: vordering 1), SNS Bank te verbieden om het appartement in beheer te nemen en executoriaal te verkopen en tot ontruiming van het appartement over te gaan (hierna ook: vordering 2), alsook om SNS Bank te veroordelen om bij wijze van voorschot een bedrag van € 2.000 aan schadevergoeding aan [appellante] te voldoen (hierna ook: vordering 3) en om SNS Bank te veroordelen in de proces- en nakosten. De drie grieven in hoger beroep keren zich tegen deze afwijzing. [appellante] vordert in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog de vorderingen, zoals geformuleerd in eerste aanleg, toe te wijzen.

4.2

Het hof ziet aanleiding om eerst de feitelijke grondslag van de vordering 2 van [appellante] te beoordelen. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt immers mee dat het hoger beroep niet alleen strekt ter beoordeling van de juistheid van de beslissing van de eerste rechter maar ook, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, tot een nieuwe behandeling en beslissing van het geschil waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing. Hierbij is van belang dat [appellante] haar vorderingen in hoger beroep ongewijzigd heeft gelaten.

4.3

Het hof zal daarom eerst het door SNS Bank opgeworpen verweer beoordelen dat [appellante] bij vordering 2 in hoger beroep geen belang meer heeft in de zin van artikel 3:303 BW. Volgens SNS Bank heeft de geplande executoriale verkoop op 7 mei 2014 geen doorgang gevonden, omdat [appellante] – met instemming van SNS Bank – het appartement onderhands alsnog heeft verkocht. [appellante] heeft nog niet op deze stelling kunnen reageren, maar heeft evenwel op pagina 3, bovenaan, van de memorie van grieven gesteld, dat de op 7 mei 2014 geplande executoriale veiling heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat ook [appellante] in hoger beroep ervan uitgaat dat het appartement inmiddels is verkocht en kennelijk overgedragen. Zonder nadere toelichting die [appellante] niet heeft gegeven, is niet duidelijk welk belang [appellante] thans nog heeft bij vordering 2 (het verbod tot het in beheer nemen en tot executoriale verkoop van het appartement en tot ontruiming) nu verkoop volgens haar inmiddels heeft plaatsgevonden en het verbod tot het in beheer nemen en de verkoop en ontruiming derhalve zinledig is geworden. Hierbij maakt het voor het belang van [appellante] bij deze vordering geen verschil of, zoals [appellante] stelt, verkoop via een executoriale veiling heeft plaatsgevonden, of, zoals SNS Bank aanvoert, onderhandse verkoop door [appellante] zelf heeft plaatsgevonden.

4.4

Het hof stelt vervolgens voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).

4.5

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft. Evenmin zijn die omstandigheden op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de eisende partij, door een vordering in kort geding in te stellen, handelt in strijd met de eisen van een goede procesorde (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE 4553). Het hof zal bij deze belangenafweging in elk geval het voorlopige karakter van zijn oordeel, de (beweerde) spoedeisendheid, de ingrijpendheid of onomkeerbaarheid van de voorziening en de voor- en nadelen van het uitblijven daarvan in aanmerking nemen.

4.6

De grieven zijn, samengevat, gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante] onjuiste informatie heeft verschaft aan SNS Bank bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening, dat SNS Bank een voldoende zwaarwegende grond had om de relatie met [appellante] te beëindigen en dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de stellingen van [appellante] dat SNS Bank per 1 september 2012 op haar aanvraag de hypotheek heeft omgezet naar een spaarrekeninghypotheek (hierna: spaarhypotheek). De grieven hebben betrekking op vordering 1 en 3.

4.7

SNS Bank heeft zich in hoger beroep ook ten aanzien van vordering 1 verweerd door aan te voeren dat [appellante] daarbij geen belang meer heeft, nu het onderpand van de hypothecaire geldlening is verkocht, het onderpand het kernelement vormt van de hypothecaire geldlening en er zonder onderpand geen hypothecaire geldlening meer bestaat, zodat van een continuering van de bancaire relatie geen sprake meer kan zijn.

4.8

Het hof oordeelt als volgt. Uit het voorgaande volgt dat het hof op grond van de stellingen van partijen dient uit te gaan van de verkoop en overdracht van het onderpand van de hypothecaire geldlening (het appartement). [appellante] heeft in hoger beroep ook (de formulering van) vordering 1 niet gewijzigd. Dit had echter wel in de rede gelegen nu als gevolg van de (door [appellante] gestelde) verkoop en overdracht van het appartement de bancaire relatie in ieder geval niet meer op dezelfde wijze kan worden voortgezet en [appellante] niet heeft toegelicht wat zij verstaat onder het voortzetten van de bancaire relatie “op de gebruikelijke wijze”. Ook het continueren tegen de bestaande voorwaarden van de destijds bestaande hypothecaire geldlening is door verkoop en overdracht van het appartement feitelijk niet meer mogelijk. Dat er thans nog sprake is van een vorm van bancaire relatie sluit het hof niet uit. SNS Bank heeft immers aangevoerd dat er sprake is van een restschuld nadat [appellante] de bestaande hypothecaire geldlening gedeeltelijk uit de opbrengst (volgens SNS Bank € 175.000) van de onderhandse verkoop heeft voldaan. Uit het voorgaande volgt dat, gezien de ontwikkelingen die zich sinds het bestreden vonnis hebben voorgedaan, beoordeling van vordering 1, ook ten aanzien van de spoedeisendheid, niet mogelijk is zonder nadere instructie. Anders dan in eerste aanleg, waarbij [appellante] de executoriale verkoop van het appartement wilde voorkomen en voortzetting van de toen bestaande hypothecaire geldlening vorderde, is in hoger beroep de feitelijke situatie door de verkoop en overdracht van het appartement een geheel andere geworden. Dat [appellante] mogelijk (een spoedeisend) belang kan hebben bij beoordeling van de gronden waarop SNS Bank zich heeft gebaseerd bij de opzegging van de bancaire relatie, kan het hof op voorhand niet uitsluiten, maar wegens het ontbreken van stellingen aan de zijde van [appellante] over de gevolgen van de feitelijke ontwikkelingen voor haar vorderingen ziet het hof geen redenen om, mede gelet op de aard van de kort gedingprocedure, haar in de gelegenheid te stellen haar stellingen nader te onderbouwen.

4.9

De door [appellante] gevorderde voorziening zoals geformuleerd als vordering 3 strekt tot betaling van een geldsom (voorschot schadevergoeding). In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

4.10

De door [appellante] gevorderde schadevergoeding ziet op door haar geleden schade als gevolg van de (wijze van) opzegging van de hypothecaire geldlening. Uit het voorgaande volgt dat door het ontbreken van stellingen van [appellante] over de gewijzigde situatie, in het kader van onderhavige kort gedingprocedure, niet zonder nadere instructie aan beoordeling van de rechtmatigheid van de opzegging kan worden toegekomen. Aan beoordeling van het in het verlengde daarvan gevorderde voorschot op de schade die [appellante] stelt geleden te hebben, komt het hof om die reden ook niet toe. Ook over de spoedeisendheid van deze geldvordering heeft [appellante] in hoger beroep, gelet op het hiervoor geschetste kader, geen nadere stellingen betrokken.

4.11

Het hof leidt uit de tussen partijen vaststaande feiten af dat [appellante] een bedrag van € 1.250 aan SNS Bank heeft betaald in verband met de omzetting van haar oorspronkelijke hypotheek naar een spaarhypotheek. Uit de overgelegde correspondentie lijkt te volgen dat de beoordeling van het verzoek tot omzetting naar een spaarhypotheek, en de honorering daarvan, is behandeld door een andere afdeling binnen SNS Bank, dan die zich - naar aanleiding van het omzettingsverzoek - bezig heeft gehouden met de beoordeling van het waarheidsgehalte van de oorspronkelijke aanvraag. Of bij de omzetting is uitgegaan van recente gegevens van [appellante] is onduidelijk gebleven. Wel staat vast dat terwijl de afdeling Bijzonder Beheer (te Den Bosch) bij brief van 17 september 2012 aankondigt dat zij een nader onderzoek start naar de aanvraag van de oorspronkelijke hypotheek wegens het aanvragen van een hypotheek met vervalste documenten, een andere afdeling (te Utrecht) [appellante] bij brief van 19 september 2012 laat weten dat haar hypotheek is omgezet naar een spaarhypotheek, om vervolgens op 25 september 2012 haar daarover een factuur van € 1.250 voor daarmee samenhangende kosten te sturen. De gang van zaken komt ongelukkig voor, maar aan beoordeling of dit een zelfstandige onrechtmatigheidsgrond oplevert, komt het hof, zoals hiervoor overwogen, niet toe.

5. De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Aan een beoordeling van de proceskostenbeslissing in eerste aanleg (naar de situatie ten tijde van het bestreden vonnis) komt het hof niet toe nu [appellante], hoewel dit in deze situatie wel van haar mocht worden verwacht, geen daarop toegespitste grief heeft geformuleerd.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van SNS Bank worden begroot op € 704 aan verschotten (griffierecht) en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief II).

5.3

Het hof zal de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van 25 april 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SNS Bank vastgesteld op € 704 aan verschotten en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, Ch.E. Bethlem en I. Brand en is in tegen-woordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016.