Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5260

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
20-09-2016
Zaaknummer
WAHV 200.157.867
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending hoorplicht. De passage op de inleidende beschikking die de strekking heeft de betrokkene erop te wijzen dat hij moet verzoeken om te worden gehoord, bevat geen termijn als bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb. Dat het verzoek in de brief moet worden gedaan, brengt niet mee dat dit in het (pro forma) beroepschrift moet worden gedaan en niet in een (latere of andere) brief kan worden gedaan. Het verzoek te worden gehoord is gedaan in een brief waarbij de gronden zijn aangevuld. In dit geval doen zich de uitzonderingen als bedoeld in artikel 7:17 aanhef en onder d en b van de Awb niet voor. De officier van justitie heeft de hoorplicht geschonden en de kantonrechter had die beslissing moeten vernietigen.

Dat een snelheidsoverschrijding is begaan op weg naar het adres van een net overleden familielid, kan niet leiden tot een geslaagd beroep op overmacht of noodtoestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.157.867

28 juni 2016

CJIB 170645545

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 5 september 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie ten onrechte voorbij is gegaan aan het verzoek om gehoord te worden.

2. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan, voor zover hier van belang, op grond van het bepaalde in artikel 7:17, aanhef en onder b en d, van de Awb worden afgezien, indien het beroep kennelijk ongegrond is respectievelijk de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord.

3. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de gemachtigde bij brief van 10 mei 2013 beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking. In dit beroepschrift wordt niet verzocht om te worden gehoord. Bij brief van 16 juli 2013 -welke brief de gronden van het beroep bevat- wordt dat verzoek wel door de gemachtigde gedaan. Vervolgens heeft de officier van justitie op 6 augustus 2013 op het beroep beslist. De officier van justitie heeft - zonder enige overweging aan voornoemd verzoek te wijden - van het horen afgezien en het beroep ongegrond verklaard.

4. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie in onderhavige zaak niet van het horen mocht afzien.

5. Met betrekking tot de in artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb opgenomen uitzondering op de hoorplicht overweegt het hof dat in de rechtsmiddelverwijzing onder de beschikking, waarbij aan de betrokkene de sanctie is opgelegd, de volgende passage is opgenomen: "Eventueel kunt u aangeven of u uw beroep telefonisch wilt toelichten (gehoord worden). Vermeld dit dan in uw brief samen met het telefoonnummer waarop u tijdens kantooruren bereikbaar bent." Deze passage, welke de strekking heeft om de betrokkene erop te wijzen dat hij moet verzoeken om te worden gehoord, bevat geen termijn als bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb. Dat het verzoek in de brief moet worden gedaan, brengt niet mee dat dit in het (pro forma) beroepschrift moet worden gedaan en niet in een (latere of andere) brief kan worden gedaan. Gelet hierop doet zich hier de uitzondering, bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb, niet voor.

6. Met betrekking tot de in artikel 7:17, aanhef en onder b, Awb opgenomen uitzondering op de hoorplicht overweegt het hof dat de in het aanvullend beroepschrift opgeworpen bezwaren tegen de oplegging van de sanctie niet als kennelijk -dat wil zeggen aanstonds duidelijk, zonder dat nader onderzoek nodig is- ongegrond kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop doet zich hier de uitzondering, bedoeld in artikel 7:17, aanhef en onder b, Awb, evenmin voor.

7. Gelet hierop had de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord. Nu dit niet is gebeurd kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven. De kantonrechter heeft het tegen die beslissing gerichte beroep dan ook ten onrechte ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de onderliggende sanctiebeschikking beoordelen. Deze beslissing brengt mee dat de overige bezwaren tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie geen bespreking behoeven.

8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 147,- opgelegd ter zake van “Overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 19 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 maart 2013 om 11.45 uur op de trajectcontrole A4 rechts te Leidschendam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

9. Met betrekking tot de gedraging heeft de gemachtigde aangevoerd dat sprake was van een uitzonderlijke situatie. De schoonvader van de betrokkene is op die dag overleden aan een hartaanval. De betrokkene heeft op weg hierheen mogelijk sneller gereden dan was toegestaan, hetgeen geheel begrijpelijk is. De betrokkene meent dat sprake is van overmacht dan wel noodtoestand. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de gemachtigde een kopie van een overlijdensbericht meegestuurd.

10. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

11. Het beroep op overmacht of noodtoestand slaagt niet. Hoezeer ook valt te begrijpen dat een bestuurder in de door de gemachtigde geschetste omstandigheden de maximumsnelheid overschrijdt, het kan niet uit het oog worden verloren dat een overschrijding van de maximumsnelheid gevaarzetting voor overige weggebruikers pleegt mee te brengen. Dat is ook de reden dat het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) slechts aan voorrangsvoertuigen, die de voorgeschreven optische en geluidssignalen voeren, toestaat in algemene zin af te wijken van de voorschriften van het RVV 1990 (waaronder het voorschrift zich te houden aan de maximumsnelheid) voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Dat de betrokkene ter plaatse de snelheid heeft overschreden teneinde zo snel mogelijk naar zijn schoonvader toe te gaan, is derhalve een omstandigheid die voor eigen rekening komt.

12. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht dusdanig zijn dat de sanctie dient te worden gematigd of in zijn geheel achterwege dient te blijven. Het hof zal het beroep ongegrond verklaren.

13. De vernietiging van de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie brengt mee dat er ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht termen aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding voor kosten van door een derde verleende professionele rechtsbijstand ter zake van de indiening van het hoger beroepschrift bij het hof en het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 487,- (voor beroepschriften ingediend voor 1 januari 2015 zoals in dit geval). Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 487,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 487,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.