Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5225

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
15/00913
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:4753, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Bouwvergunning. Verzoek teruggaaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1737
Belastingblad 2016/404
V-N 2016/46.17.21
FutD 2016-1994
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00913

uitspraakdatum: 28 juni 2016

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 30 april 2015, nummer UTR 14/3188, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lelystad (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 26 maart 2013 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf van geheven leges. Bij beschikking van 28 november 2013 heeft de heffingsambtenaar het verzoek afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de heffingsambtenaar in beroep gekomen. De rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 29 juni 2015 ter griffie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingekomen, die het hogerberoepschrift heeft doorgezonden aan het Hof.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2016 te Arnhem. Namens belanghebbende is daar verschenen mr. drs. [A] , bijgestaan door drs. [B] . Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [C] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Aan belanghebbende is op 26 oktober 2007 op haar aanvraag een bouwvergunning verleend. Van belanghebbende is met dagtekening 30 oktober 2007 leges geheven wegens het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning. Belanghebbende heeft van de bouwvergunning geen gebruik gemaakt. De bouwvergunning is op 28 november 2013 ingetrokken.

2.2.

De Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Lelystad 2007 luidt voor zover van belang als volgt:

“5.3.1 Indien van een verleende bouwvergunning … geen gebruik wordt gemaakt binnen 12 maanden na de verlening van de vergunning wordt op aanvraag teruggaaf van 30% van de geheven bouwleges verleend. Teruggaaf wordt alleen verleend indien de verleende bouwvergunning binnen 18 maanden na de verlening schriftelijk wordt ingetrokken.”

2.3.

De Legesverordening Lelystad 2008 luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 11. Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

1. De legesverordening Lelystad 2007 … wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2. …

4. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2008.”

2.4.

De Legesverordening Lelystad 2013 luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 9 Teruggaaf

1. Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges terzake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.”

2.5.

De Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Lelystad 2013 luidt voor zover van belang als volgt:

Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten

2.5.2

Als de gemeente een verleende omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3.2 intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: 30% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges.

Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten

2.5.3

Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3.2.1 intrekt, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 40% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges.”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van een gedeelte van de geheven leges.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en verlening van een teruggaaf. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In deze procedure zijn stukken ingediend door of gericht aan [D] BV en [E] BV. Partijen hebben eenparig verklaard ervan uit te gaan dat in die gevallen [D] BV en [E] BV optraden als vertegenwoordiger van belanghebbende. Hetzelfde geldt voor stukken gericht aan [F] , een handelsnaam van [D] BV. In het verlengde daarvan begrijpt het Hof dat de Rechtbank heeft bedoeld [X] BV aan te merken als belanghebbende.

4.2.

De heffingsambtenaar heeft teruggaaf geweigerd, omdat de bouwvergunning niet binnen achttien maanden na de verlening is ingetrokken en daarom op grond van onderdeel 5.3.1, slotzin, van de Tarieventabel 2007 geen recht op teruggaaf bestaat.

4.3.

Belanghebbende wijst erop dat de Legesverordening 2007 is ingetrokken bij artikel 11 van de Legesverordening 2008. Weliswaar blijft de Legesverordening 2007 van toepassing op belastbare feiten die zich hebben voorgedaan voor 1 januari 2008, maar de teruggaaf van leges houdt geen verband met een belastbaar feit, dus heeft de Legesverordening 2007 geen gelding voor het onderhavige verzoek om teruggaaf, aldus belanghebbende. Dat verzoek is gedaan in 2013 en moet daarom volgens belanghebbende worden getoetst aan de Legesverordening 2013, die recht verleend op een teruggaaf van een gedeelte van de leges bij intrekking van een bouwvergunning, zonder daaraan een termijn te stellen.

4.4.

Naar het oordeel van het Hof is de verzochte teruggaaf een correctie op de heffing van leges in verband met het in behandeling nemen van de aanvraag van een bouwvergunning. De teruggaaf houdt in het onderhavige geval daarom verband met een belastbaar feit dat zich heeft voorgedaan in 2007. Het verzoek moet daarom worden getoetst aan de Legesverordening 2007. Niet in geschil is dat in dat geval geen recht bestaat op teruggaaf van een gedeelte van de geheven leges.

4.5.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.A. Monsma en A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 28 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 28 juni 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.