Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5224

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
15/00754
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2983, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:603
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Autohandelaar. Ontvankelijkheid bezwaar. Termijnoverschrijding. Bekendmaking aanslag en boetebeschikking rechtsgeldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1733
FutD 2016-1919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00754

uitspraakdatum: 28 juni 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV, .gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2015, nummer AWB 14/7125, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Apeldoorn (hierna: de inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 44.122. Daarbij is een bedrag van € 1.860 aan heffingsrente in rekening gebracht. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van € 4.412.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 september 2014 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 7 mei 2015 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 17 juni 2015 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016 te Arnhem. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C] .

1.8.

Partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht [in] 2000. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in en de reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Deze activiteiten worden verricht op het adres [a-straat] 40 te [Z] . Auto-onderdelen van belanghebbende liggen opgeslagen in een gehuurde opslagloods aan de [b-straat] 3 te [D] .

2.2.

Op 4 juni 2013 heeft een statutenwijziging plaatsgevonden, waarbij belanghebbendes naam ‘ [E] BV’ is gewijzigd in ‘ [X] BV’.

2.3.

Bij brief van 6 juni 2013 heeft de Kamer van Koophandel Oost Nederland onder meer het volgende aan belanghebbende bericht:

“ [E]

[b-straat] 3

[D]

Onderwerp

Wijziging van gegevens

Geachte heer, mevrouw,

Vandaag hebben wij uw wijzigingsopgave(n) ingeschreven in het handelsregister. Op het bijgevoegde ‘Bericht van Registratie’ ziet u het resultaat van de verwerking hiervan.

(…)”

2.4.

In het bijgevoegde Bericht van Registratie is onder meer het volgende vermeld:

“Rechtspersoon:

Rechtsvorm : Besloten vennootschap

Naam : [X] B.V.

Statutaire zetel : [Z]

(…)

Akte laatste statutenwijziging : 04-06-2013

(…)

----------------------------------------------------------------------------

Onderneming:

Handelsna(a)m(en) : [E]

[X] B.V.

(…)

Adres : [b-straat] 3, [D]

(…)”

2.5.

Op 10 juni 2013 heeft de Inspecteur de van de Kamer van Koophandel doorgekregen wijzigingen in het systeem Beheer van Relaties van de Belastingdienst (hierna: BVR-systeem) verwerkt en heeft daarin als vestigingsadres van belanghebbende [b-straat] 3 te [D] opgenomen.

2.6.

Op 19 juni 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een controlerapport toegezonden op het adres [a-straat] 40 te [Z] .

2.7.

Bij brief van 20 juni 2013 heeft de Kamer van Koophandel Oost Nederland onder meer het volgende aan belanghebbende bericht:

“ [X] B.V.

[a-straat] 40

[Z]

Onderwerp

Wijziging van gegevens

Geachte heer, mevrouw,

Vandaag hebben wij uw wijzigingsopgave(n) ingeschreven in het handelsregister. Op het bijgevoegde ‘Bericht van Registratie’ ziet u het resultaat van de verwerking hiervan.

(…)”

2.8.

In het bijgevoegde Bericht van Registratie is onder meer het volgende vermeld:

“Rechtspersoon:

Rechtsvorm : Besloten vennootschap

Naam : [X] B.V.

Statutaire zetel : [Z]

(…)

Akte laatste statutenwijziging : 04-06-2013

(…)

----------------------------------------------------------------------------

Onderneming:

Handelsna(a)m(en) : [X] B.V.

(…)

Adres : [b-straat] 3, [D]

Correspondentieadres : [a-straat] 40, [Z]

(…)”

2.9.

Met dagtekening 29 juli 2013 heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting gezonden naar het adres [b-straat] 3 te [D] .

2.10.

Op 5 augustus 2013 heeft belanghebbende een volmacht verstrekt aan
mr. [A] om belanghebbende te vertegenwoordigen. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“VOLMACHT

De ondergetekende:

a. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [X] BV, statutair gevestigd te [Z] [RSIN …], bezoekadres: [D] , [b-straat] 3, postadres: [Z] , [a-straat] 40, (…)

machtigt hierbij tot wederopzegging:

De heer mr. [A] , fiscaal jurist, te (…), met recht van substitutie,

om: (…)”

2.11.

Belanghebbende heeft bij brief van 12 september 2013, ontvangen door de Inspecteur op 13 september 2013, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2.12.

Bij brief van 29 januari 2014 heeft de Kamer van Koophandel te Arnhem onder meer het volgende aan belanghebbende bericht:

“ [X] B.V.

[a-straat] 40

[Z]

Onderwerp

Wijziging van gegevens

Geachte heer, mevrouw,

Vandaag hebben wij uw wijzigingsopgave(n) ingeschreven in het handelsregister. Op het bijgevoegde ‘Bericht van Registratie’ ziet u het resultaat van de verwerking hiervan.

(…)”

2.13.

In het bijgevoegde Bericht van Registratie is onder meer het volgende vermeld:

“Rechtspersoon:

Rechtsvorm : Besloten vennootschap

Naam : [X] B.V.

Statutaire zetel : [Z]

(…)

Akte laatste statutenwijziging : 04-06-2013

(…)

----------------------------------------------------------------------------

Onderneming:

Handelsna(a)m(en) : [X] B.V.

(…)

Adres : [a-straat] 40, [Z]

(…)”

2.14.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, dat het bezwaarschrift daartegen niet tijdig is ingediend en dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. De Rechtbank heeft het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, omdat het aanslagbiljet niet naar het juiste adres is verzonden. Volgens belanghebbende had het aanslagbiljet niet naar het in het handelsregister vermelde vestigingsadres [b-straat] 3 te [D] moeten worden gestuurd, maar naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres [a-straat] 40 te [Z] .

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4.

Indien belanghebbende in het gelijk zou worden gesteld, dringen partijen aan op een verdere inhoudelijke behandeling van het geschil door het Hof.

4 Overwegingen

4.1.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en een boetebeschikking bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken.

4.2.

Het Hof heeft vastgesteld dat het aanslagbiljet is gedagtekend op 29 juli 2013. De bezwaartermijn eindigt dan in beginsel op 9 september 2013. Het bezwaarschrift van belanghebbende, gedagtekend 12 september 2013, is ingekomen op 13 september 2013. Het bezwaarschrift is mitsdien niet voor het einde van de termijn ingediend.

4.3.

Belanghebbende heeft betoogd dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn later aanvangt. Het aanslagbiljet is volgens belanghebbende ten onrechte naar het vestigingsadres [b-straat] 3 te [D] gezonden. Het aanslagbiljet had naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres [a-straat] 40 te [Z] moeten worden toegezonden. Door deze onjuiste adressering heeft volgens belanghebbende het aanslagbiljet hem eerst kort voor 11 september 2013 bereikt.

4.4.

Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging.

4.5.

Voornoemde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst is te verwijten. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. HR 5 maart 2004, nr. 39.245, ECLI:NL:HR:2004:AO5063). In dat geval vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvangst van het aanslagbiljet (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.999, ECLI:NL:HR:2000:AA5141).

4.6.

Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat het aanslagbiljet belanghebbende niet tijdig heeft bereikt, niet het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. De Ontvanger heeft de verzending van het aanslagbiljet op juiste wijze uitgevoerd, nu het door hem gehanteerde adres [b-straat] 3 te [D] het vestigingsadres van belanghebbende betrof zoals zij dit aan de Kamer van Koophandel heeft doorgegeven. In artikel 1, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007 wordt onder een vestiging verstaan een gebouw of complex van gebouwen waar duurzame uitoefening van de activiteiten van een onderneming of rechtspersoon plaatsvindt. Uitsluitend dit vestigingsadres was als authentiek gegeven in het BVR-systeem van de Belastingdienst verwerkt. Naar het oordeel van het Hof is de Ontvanger, nu belanghebbende geen postadres aan de Belastingdienst heeft doorgegeven voor de toezending van de aanslagbiljetten, terecht uitgegaan van het adres waarop belanghebbende gevestigd is en was hij niet gehouden het bij de Kamer van Koophandel geregistreerde correspondentieadres te gebruiken.

4.7.

Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat de Ontvanger, door het aanslagbiljet te verzenden naar [b-straat] 3 te [D] , de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, zodat daags na de dagtekening van het aanslagbiljet de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is aangevangen. Het bezwaarschrift is alsdan niet voor het einde van de termijn ingediend.

4.8.

Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.9.

Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat zij eerst op 12 september 2013 bezwaar heeft kunnen maken omdat de Inspecteur het aanslagbiljet naar een onjuist adres heeft gezonden. Naar het oordeel van het Hof had het op de weg van belanghebbende gelegen om, voor zover het adres in [D] niet het vestigingsadres van de onderneming was, het juiste vestigingsadres aan de Kamer van Koophandel door te geven dan wel het juiste postadres aan de Inspecteur. Omdat zij dit heeft nagelaten, is de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar.

Boetebeschikking

4.10.

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de opgelegde boetebeschikking.

4.11.

Het Hof merkt op dat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetebeschikking, afzonderlijk beoordeeld dienen te worden (vgl. HR 25 april 2008, nr. 43.871, ECLI:NL:HR:2008:BD0469). In de boeteprocedure kan de niet-ontvankelijkheid slechts worden uitgesproken indien de Inspecteur de onjuistheid van belanghebbendes stellingen heeft bewezen (vgl. HR 10 april 2009, nr. 08/02908, ECLI:NL:HR:2009:BI0550).

4.12.

In het onderhavige geval is niet in geschil dat het aanslagbiljet naar het adres [b-straat] 3 te [D] is gezonden, welk adres door toedoen van belanghebbende bij de Kamer van Koophandel is opgenomen als haar vestigingsadres. Evenmin is in geschil dat belanghebbende geen postadres aan de Belastingdienst heeft doorgegeven voor de toezending van het aanslagbiljet. De late kennisneming van de boete is derhalve te wijten aan het handelen of nalaten van belanghebbende zelf. Ook het bezwaar tegen de boetebeschikking is derhalve niet-ontvankelijk.

Slotsom

4.13.

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard. Belanghebbende komt reeds daarom niet in aanmerking voor vergoeding van de door haar gestelde schade.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en
mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 28 juni 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.