Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5199

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
15/00652
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:2298, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepasselijkheid nultarief BTW is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/179
V-N 2017/12.20.21
FutD 2017-0261
NTFR 2017/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 15/00652

uitspraakdatum: 28 juni 2016

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de Fiscale eenheid [X] B.V. en [Y] B.V. C.S. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2015, nummer LEE 14/2946, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 44.401. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.254. Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 4.440.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. Daarnaast heeft hij de boete verminderd tot nihil.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 april 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [A] en belanghebbendes gemachtigde mr. [B] , alsmede drs. [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [D] en [E] .

1.7

De Inspecteur heeft kort voor de aanvang van de zitting een pleitnota gezonden naar het Hof en naar de gemachtigde van belanghebbende.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende houdt zich bezig met het leveren van onder andere grondverzetmachines. Belanghebbende is uit dien hoofde ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

2.2

De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de juistheid van de toepassing van het tarief van nihil als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet OB juncto post a.6 van de bij de Wet OB behorende Tabel II (het nultarief) ter zake van de opgegeven intracommunautaire leveringen in het jaar 2012. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd, waarbij het toegepaste nultarief werd gecorrigeerd voor een viertal leveringen.

2.3

Ter zake van een viertal facturen met nummers 120019, 120034, 120035 en 120038 heeft belanghebbende het nultarief toegepast. Met betrekking tot deze leveringen staat het volgende tussen partijen – als niet betwist – vast:

2.4

Factuurnummer 120019, met dagtekening 17 april 2012, betreft de levering van tien dumpers van het merk en type Dumper Volvo A25C. Als afnemer is vermeld [F] BVBA ( [F] ), [a-straat] 19 te [G] . Het factuurbedrag bedraagt € 100.000. Op de factuur is vermeld: "Intracommunautaire transactie België van toepassing". Er is geen omzetbelasting in rekening gebracht. Het btw-identificatienummer van de afnemer ( [000000] ) is vermeld. De factuur is in drie termijnen betaald door [H] BV te [I] .

2.5

Factuurnummer 120034, met dagtekening 5 juni 2012, betreft de levering van een rupsgraafmachine van het merk en type CAT 330CL. Als afnemer is vermeld [F] , [a-straat] 19 te [G] . Het factuurbedrag bedraagt € 65.000. Op de factuur is vermeld: "Intracommunautaire transactie België van toepassing". Er is geen omzetbelasting in rekening gebracht. Het btw-identificatienummer van de afnemer ( [000000] ) is op de factuur vermeld. De factuur is betaald door [J] . Wegens een gebleken defect aan de machine is het bedrag dat is betaald (€ 63.092,35) lager dan het factuurbedrag

2.6

Factuurnummer 120035, met dagtekening 5 juni 2012, betreft de levering van een rupsgraafmachine van het merk en type CAT 325 CL. Als afnemer is vermeld [F] , [a-straat] 19 te [G] . Het factuurbedrag bedraagt € 55.000. Op de factuur is vermeld: "Intracommunautaire transactie België van toepassing". Er is geen omzetbelasting in rekening gebracht. Het btw-identificatienummer van de afnemer ( [000000] ) is vermeld. Het gefactureerde bedrag is op 20 juni 2012 betaald door [J] . Op dezelfde datum heeft [J1] de machine verkocht aan [K] , gevestigd te [L] .

2.7

Factuurnummer 120038, met dagtekening 20 juni 2012, betreft de levering van een rupsgraafmachine van het merk en type CAT 330 BLRE. Als afnemer is vermeld [F] , [a-straat] 19 te [G] . Het factuurbedrag bedraagt € 60.000. Op de factuur is vermeld: "Intracommunautaire transactie België van toepassing". Er is geen omzetbelasting in rekening gebracht. Het btw-identificatienummer van de afnemer ( [000000] ) is vermeld. De factuur is betaald door [J] .

2.8

In de administratie van belanghebbende zijn ter zake van de hiervoor genoemde transacties de volgende bescheiden aangetroffen:

factuurnummer 120019

2.8.1.

Behorende bij factuurnummer 120019, dagtekening 17 april 2012:

- Een vervoerverklaring met dagtekening 19 april 2012, ondertekend door [F] , waarop het volgende – voor zover van belang – is vermeld:

"Vervoersverklaring

ondergetekende: [F] bvba

Verklaart:

1. dat de goederen die zijn vermeld op de door de leverancier:

naam leverancier: [M] BV

adres leverancier: [b-straat] 22, [Z]

afgegeven factuur met nummer: 120019

datum: 19 april 2012

en die zijn geleverd aan:

afnemer: [F] bvba

wiens btw-identificatienummer is: [000000]

zijn of zullen worden vervoerd naar:

adres van bestemming: [a-straat] 19, [G]

in de lidstaat (EU-land van bestemming): België

met een vervoermiddel type: vrachtwagen

kenteken: [YY-YY-00] (kenteken dieplader: [YY-00-YY] )

2. dat de afnemer bereid is op verzoek van de Nederlandse Belastingdienst nadere informatie te verstrekken omtrent de bestemming van de goederen.

plaats: [G]

datum: 19 April 2012

handtekening:

[N]

Zaakvoerder [F] BVBA"

Behorende bij factuurnummer 120034, met dagtekening 5 juni 2012:

- Een vervoersverklaring met dagtekening 5 juni 2012, ondertekend door [F] , waarop dezelfde gegevens zijn opgenomen als op de vervoersverklaring behorende bij factuurnummer 120019, behalve wat betreft de naam van de leverancier, [X] BV, het kenteken van het vervoermiddel, [YY-YY-01] , en het kenteken van de dieplader, onbekend.

factuurnummer 120035

2.8.2.

Behorende bij factuurnummer 120035, dagtekening 5 juni 2012:

- Een vervoersverklaring met dagtekening 5 juni 2012, ondertekend door [F] , waarop dezelfde gegevens zijn opgenomen als op de vervoersverklaring behorende bij factuurnummer 120019, behalve wat betreft de naam van de leverancier, [X] BV, het kenteken van het vervoermiddel, [YY-YY-01] , en het kenteken van de dieplader, onbekend.

- Exemplaar 4 van een CMR-vrachtbrief, dagtekening 20 juni 2012, waarin – voor zover hier van belang – de naam van de geadresseerde (vak 2), de plaats van aflevering (vak 3) ontbreekt, evenals de handtekening van de afzender (belanghebbende) en de handtekening voor ontvangst van de goederen. Als kenteken van het vervoermiddel is vermeld [YY-YY-00] .

factuurnummer 120038

2.8.3.

Bij factuurnummer 120038, met dagtekening 20 juni 2012, zijn in het geheel geen bescheiden aangetroffen.

2.9

Alle hiervoor vermelde leveringen betreffen zogenaamde "afhaaltransacties", waarbij belanghebbende zelf niet voor het vervoer naar een andere lidstaat heeft gezorgd.

2.10

Belanghebbende heeft het btw-identificatienummer van [F] geverifieerd.

2.11

[F] heeft in België geen aangifte gedaan van intracommunautaire verwervingen van de hierboven genoemde transacties en heeft geen omzetbelasting voldaan.

2.12

Op 28 juni 2012 is het faillissement van [F] uitgesproken.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende bij de leveringen van de onderhavige grondverzetmachines terecht het nultarief heeft toegepast, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij het vervoer van de machines naar België aannemelijk heeft gemaakt, dat zij heeft geleverd aan een vaste aannemer en daarbij heeft voldaan aan de van haar te eisen zorgvuldigheid, en dat daarom op grond van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 oktober 2002, nr. DGB 2002/4947M (het Besluit) het nultarief op de leveringen van toepassing is.

3.3

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert – in wezen – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de naheffingsaanslag.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet OB juncto post a.6 van de bij de Wet OB behorende Tabel II bedraagt de belasting nihil voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving van die goederen. Ingevolge artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) geldt de aanspraak op toepassing van het tarief van nihil voor vorenbedoelde intracommunautaire leveringen slechts indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt.

4.2

Degene die aanspraak maakt op toepassing van het nultarief op door hem verrichte leveringen dient aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voor toepassing van die vrijstelling voldoet. Het in dit kader te leveren bewijs behoeft niet aan speciale eisen te voldoen. Dit is voor bewijs dat wordt geleverd met boeken en bescheiden ook niet bepaald in artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit. Indien de betrokken belastingplichtige boeken en bescheiden overlegt die volgens hem uitwijzen dat zij betrekking hebben op de goederen waarvoor aanspraak wordt gemaakt op toepassing van het nultarief alsmede uitwijzen dat die goederen werkelijk in het kader van de levering naar een andere lidstaat zijn vervoerd, dient te worden onderzocht of de in de desbetreffende documenten voorkomende gegevens naar hun aard geschikt zijn om het evenbedoelde vervoer van de in geding zijnde goederen aan te tonen. Indien dit het geval is en de documenten zelf geen gebreken vertonen, kan het te verlangen bewijs geleverd worden geacht. Ten aanzien van de levering waarop de factuur met het nummer 120035 ziet, staat vast dat deze betrekking heeft op een rupsgraafmachine van het merk en type CAT 325 CL, dat het gefactureerde bedrag op 20 juni 2012 is betaald door [J] (Nederland) en dat [J1] de machine op dezelfde datum heeft verkocht aan [K] , gevestigd te [L] (Nederland). Hieruit volgt dat ten aanzien van deze rupsgraafmachine niet aannemelijk is gemaakt dat deze intracommunautair is geleverd. Voor zover het hoger beroep die levering betreft, faalt het reeds op die grond.

4.3

Omtrent de levering van de onderhavige grondverzetmachines behoren tot de stukken van het geding slechts op naam van [F] gestelde facturen en enkele vervoersverklaringen en vrachtbrieven. De vervoersverklaringen en vrachtbrieven bevatten gebreken. De vervoersverklaring betreffende de factuur met nummer 120019 vermeldt een onjuiste en van de factuur afwijkende naam van de leverancier; met betrekking tot de factuur met nummer 120038 is geen vervoersverklaring aanwezig; de CMR-vrachtbrief betreffende de levering waarop factuurnummer 120035 ziet, geeft geen zekerheid over de plaats van bestemming. Met betrekking tot deze leveringen en die waarvoor de factuur met nummer 120034 is opgemaakt geldt voorts dat het in de vervoersverklaringen opgenomen voornemen dat de goederen naar België zullen worden vervoerd, niet door objectieve gegevens wordt ondersteund.

4.4

Belanghebbende heeft noch schriftelijke bestellingen, noch ontvangstbevestigingen, verzekeringspolissen, of enige andere documentatie uit boeken en bescheiden overgelegd waaruit aannemelijk zou kunnen worden dat de onderhavige grondverzetmachines naar België zijn vervoerd. Dat e-mailberichten, die naar belanghebbende stelt op die leveringen betrekking hadden, verloren zijn gegaan, komt voor rekening en risico van belanghebbende.

4.5

Op grond van het vorenstaande acht het Hof door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige grondverzetmachines naar België zijn vervoerd.

4.6

In het Besluit, waarop belanghebbende zich beroept, heeft de Staatssecretaris omtrent de toepasselijkheid van het nultarief bij intracommunautaire leveringen in geval van afhaaltransacties de navolgende gedragslijn vastgesteld:

"Indien goederen aan een buitenlandse afnemer worden geleverd "af-fabriek" of "af-magazijn" (afhaaltransacties), zal het intracommunautaire karakter van de levering niet mede kunnen blijken uit een vrachtbrief of uit de eigen-vervoersadministratie van de leverancier. Desalniettemin zijn er omstandigheden denkbaar waaronder de leverancier zich er ook in deze situatie van overtuigd mag weten dat de buitenlandse afnemer de goederen naar een andere Lid-Staat zal vervoeren. In aanvulling op het in de administratie al aanwezige samenstel van bescheiden en vastleggingen moet het dan gaan om een vaste afnemer, tenzij de leverancier weet dat door hem aan deze afnemer verrichte intracommunautaire leveringen tot problemen hebben geleid, welke afnemer bovendien een hierna bedoelde verklaring heeft afgegeven. Deze, door degene die de geleverde goederen in ontvangst neemt, te ondertekenen schriftelijke verklaring zal ten minste moeten bevatten de naam van de afnemer en, indien de afnemer de goederen niet persoonlijk in ontvangst neemt, de naam van degene die dat namens de afnemer doet, het kenteken van het voertuig waarmee de goederen zullen worden vervoerd, het nummer van de factuur waarop de geleverde goederen zijn gespecificeerd, de plaats waarheen de afhaler de goederen zal vervoeren, alsmede de toezegging dat de afnemer bereid is aan de Belastingdienst desgevraagd nadere informatie te verstrekken omtrent de bestemming van de goederen. Een model van deze verklaring is opgenomen als bijlage 1. Onder 4.5 wordt nader ingegaan op toepassing van het nultarief ter zake van de intracommunautaire levering van pleziervaartuigen die door de afnemer op eigen kiel naar een andere Lid-Staat worden overgebracht.

In gevallen van afhaaltransacties, waarin geen sprake is van een vaste afnemer en waarin de goederen contant worden betaald, terwijl de leverancier ook overigens niet over bescheiden beschikt die het intracommunautaire karakter van de levering ondersteunen, dat wil zeggen gevallen waarin er behalve een op naam van een buitenlandse afnemer gestelde factuur (waarop het buitenlandse BTW-identificatienummer van de afnemer is vermeld) geen andere bescheiden zijn waaruit het intracommunautaire karakter van de levering blijkt, zal de leverancier de aanspraak op toepassing van het nultarief niet zonder meer kunnen rechtvaardigen. Onder deze omstandigheden kan de leverancier het risico van naheffing vermijden door Nederlandse BTW aan de koper in rekening te brengen.

De koper zal, wanneer hij de goederen overbrengt naar een andere Lid-Staat, hiervan aangifte moeten doen bij de Nederlandse Belastingdienst. Op deze aangifte zal hij de in rekening gebrachte Nederlandse BTW in aftrek kunnen brengen.".

4.7

In een tijdsbestek van ongeveer twee maanden heeft belanghebbende een viertal leveringen van grondverzetmachines verricht, waarbij op de facturen steeds [F] als afnemer is vermeld. Dit zijn – voor zover door belanghebbende is gesteld en uit de stukken is op te maken - de enige leveringen van belanghebbende geweest met [F] als afnemer. Dit is, in combinatie met de afwezigheid van documentatie over een bestendige relatie met deze afnemer, naar ’s Hofs oordeel onvoldoende om [F] aan te merken als vaste afnemer van belanghebbende in de zin van het Besluit. Het beroep van belanghebbende op het Besluit faalt reeds hierom. De vraag of het in de administratie van belanghebbende al aanwezige samenstel van bescheiden en vastleggingen voldoende is om de vervoersverklaringen van [F] als aanvullend bewijs daarop te laten dienen, behoeft derhalve geen beantwoording meer. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vraag of belanghebbende zorgvuldigheid heeft betracht, zoals elders in het Besluit wordt vereist.

4.8

Het hoger beroep wordt niet geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente, aangezien de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van de Rechtsbank heeft verklaard dat deze niet in geschil is, en deze ook in hoger beroep niet tot onderwerp van geschil heeft gemaakt.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 28 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 juni 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.