Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:5119

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
200.184.475/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel van gezagsbeëindiging afgestemd op de grond voor de ondertoezichtstelling. Aanvaardbare termijn. Verwijzing naar de memorie van toelichting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/109 met annotatie van mr. dr. J.H. de Graaf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.184.475/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/141203 / FA RK 15/610)

beschikking van 21 juni 2016

inzake

1 [de moeder] ,

verder te noemen: de moeder,

2. [de vader] ,

verder te noemen: de vader,

wonende te [A] , thans te [B] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. J. Kuipers-Mellema te Leeuwarden,

en

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verder te noemen: de GI,

2. de pleegouders van [de minderjarige] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 januari 2016;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht van mr. Kuipers-Mellema van 10 mei 2016 met productie(s);

- een brief van de GI van 17 mei 2016 met productie(s);

- het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 15 september 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is mevrouw [C] verschenen. Namens de GI zijn verschenen de heer [D] en mevrouw mr. [E] . Ter zitting heeft mr. [E] namens de GI mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders is [de minderjarige] geboren, [in] 2012 (verder te noemen: [de minderjarige] ).

3.2

De moeder heeft uit een eerdere relatie nog twee kinderen, [F] en [G] . Zij wonen bij hun vader.

3.3

In februari 2013 is [de minderjarige] , toen vier maanden oud, middels een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Medio maart 2013 is zij weer thuis geplaatst. Op 17 april 2013 is [de minderjarige] opnieuw middels een spoedmachtiging uit huis geplaatst. [de minderjarige] verblijft sindsdien bij de pleegouders, bij wie zij in februari / maart 2013 ook verbleef.

3.4

De ouders hebben één keer per vier weken een uur omgang met [de minderjarige] onder begeleiding van de pleegouders.

3.5

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 28 oktober 2015 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

De ouders hebben het hof verzocht de beschikking van 28 oktober 2015 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en tot benoeming van de GI tot voogdes, af te wijzen.

4.2

De raad heeft verweer gevoerd en het hof verzocht het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

De in artikel 1:266 lid 1 onderdeel a BW vermelde grond voor de maatregel tot gezagsbeëindiging is afgestemd op die voor de ondertoezichtstelling. Zij vormen elkaars spiegelbeeld. Indien duidelijk is dat de ouders niet (weer) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, kan de rechter het gezag van de ouders beëindigen. De ondertoezichtstelling daarentegen kan alleen worden uitgesproken indien de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders wel in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen voormelde termijn (weer) te kunnen dragen. Volgens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/2009, 32 015, nr. 3, p. 9) zal het bij een uithuisplaatsing die langer duurt, steeds lastiger worden te motiveren waarom de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) kunnen dragen. Verlengingen van een ondertoezichtstelling zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouders zijn derhalve niet meer mogelijk, aldus de memorie.

5.3

Volgens voormelde memorie van toelichting (p. 34) is bij de maatregel tot gezagsbeëindiging, net als bij die van de ondertoezichtstelling, het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling, over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Het spreekt voor zich, aldus de wetgever, dat een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aansluit. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk, precieze termijnen zijn niet te geven. Wel kunnen volgens de wetgever de volgende factoren worden genoemd die van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige, zoals [de minderjarige] , in een pleeggezin is geplaatst:

a. het pleegkind moet zich daar, indien mogelijk, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind;

b. als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel;

c. in die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend;

d. de enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de

uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het

verzoek tot beëindiging van het gezag.

5.4

Het hof is van oordeel dat, gelet op voormelde factoren en met inachtneming van de omstandigheden van dit geval, het gezag van de ouders dient te worden beëindigd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.5

Voor het hof is duidelijk dat de ouders veel van [de minderjarige] houden. Ook is duidelijk dat de ouders, zoals zij zelf ook hebben aangevoerd, sinds [de minderjarige] uit huis is geplaatst grote stappen hebben gezet op verschillende leefgebieden en dat zij een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. Zo hebben zowel de moeder als de vader hun alcohol- respectievelijk drugsverslaving reeds gedurende enige tijd onder controle. Voorts is het ingestelde bewind over hun goederen opgeheven. De vader en de moeder hebben een eigen woonruimte gevonden en spannen zich in om (al dan niet betaald) werk te vinden. Verder heeft de moeder verklaard dat naar alle waarschijnlijkheid binnenkort ook een omgangsregeling met haar twee andere zonen, die bij hun vader wonen, gestart zal worden. Ter zitting is het hof gebleken dat de ouders inzien dat zij hun leven onvoldoende op orde hadden en dat er maatregelen nodig waren om hun leven een positieve wending te geven, terwijl daarbij soms ook de last van hun verleden hen parten speelt, bijvoorbeeld rondom de - financiële - mogelijkheden voor de moeder om een nieuwe hbo-opleiding te gaan volgen en zo haar kansen op de arbeidsmarkt verder te vergroten. Het hof acht het in het licht van deze positieve ontwikkelingen dan ook begrijpelijk dat het voor de ouders moeilijk te accepteren is dat de raad (alsnog) een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] heeft ingediend.

5.6

Hoezeer ook van belang, het gaat in deze zaak niet primair om de ontwikkelingen ten goede van de ouders. Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind staan bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. Het hof overweegt ten aanzien van het belang van [de minderjarige] in het onderhavige geval als volgt.

5.7

[de minderjarige] , thans ruim 3,5 jaar oud, is toen zij een paar maanden oud was tweemaal kort achter elkaar middels een spoedmachtiging uit huis geplaatst omdat er sprake was van een ernstige bedreiging in haar veiligheid, gezondheid en geestelijke ontwikkeling. De ouders trekken de gerechtvaardigdheid van die maatregelen niet in twijfel.
vertoont kenmerken van FASD en heeft daarom meer dan gemiddeld behoefte aan structuur en voorspelbaarheid. Gebleken is dat de pleegouders kunnen aansluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft en tegemoet komen aan haar opvoedingsbehoeften. [de minderjarige] woont inmiddels ongeveer drie jaar bij de pleegouders en is aan hen gehecht geraakt.

5.8

Gezien het belaste verleden van [de minderjarige] en haar kwetsbare ontwikkeling is het voortduren van het hechtingsproces van essentieel belang voor haar ontwikkeling. Het doorbreken van de hechting kan haar ontwikkeling ernstig schaden en het is om die reden van groot belang dat door middel van de beëindiging van het gezag duidelijk wordt dat [de minderjarige] (in ieder geval) tot haar volwassenheid zal opgroeien bij de pleegouders.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn waarbinnen de ouders weer in staat moeten worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, is verstreken. Het is in haar belang en in het belang van alle betrokkenen dat thans duidelijkheid wordt verkregen over het toekomstperspectief van [de minderjarige] .

Het belang bij duidelijkheid is des te groter nu de ouders de hoop lijken te hebben dat [de minderjarige] op langere termijn weer bij hen kan wonen. Het voortduren van het gezag van de ouders, terwijl het perspectief van [de minderjarige] blijvend bij de pleegouders ligt, zou tot gevolg hebben dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing jaarlijks zouden dienen te worden verlengd, hetgeen in de toekomst veel onrust en onzekerheid met zich zou brengen. Ook valt niet uit te sluiten dat [de minderjarige] zou worden belast door de wens van de ouders om haar op termijn bij zich te laten wonen, zeker als zij bij de jaarlijkse toetsing van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing door de rechter moet worden gehoord, hetgeen vanaf haar twaalfde levensjaar het geval is. Bij dit alles geldt ook nog dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in beginsel van tijdelijke aard dienen te zijn en die tijdelijkheid niet past bij de huidige situatie, waarin duidelijk is dat [de minderjarige] ’s belang gelegen is in een bestendiging van het verblijf bij de pleegouders.

5.9

Voor zover de ouders hebben aangevoerd dat zij ondanks toezeggingen van de toenmalige gezinsvoogd niet de kans hebben gekregen om mogelijk in aanmerking te komen voor een opname van de moeder en [de minderjarige] in gezinskliniek [H] , is het hof van oordeel dat dit niet is komen vast te staan, maar zelfs als dergelijke toezeggingen zouden zijn gedaan en niet nagekomen, doet dat niet af aan het feit dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] verstreken is.

5.10

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige] de stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de ouders te beëindigen.

5.11

Het hof wenst ten overvloede nog op te merken dat het feit dat de ouders van het gezag over [de minderjarige] zijn ontheven, niet met zich brengt dat zij voor [de minderjarige] minder belangrijk zijn. Immers, de ouders zullen ondanks de beëindiging van het gezag altijd de ouders van [de minderjarige] blijven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 oktober 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, J.B. de Groot en G. Jonkman, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 21 juni 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.