Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4978

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
21-005609-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:5854, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte drie aangevers heeft gechanteerd en één aangever heeft gepoogd te chanteren door zich op internet voor te doen als een meerderjarig meisje dat bereid was om na betaling voor de webcam uit de kleren te gaan. Verdachte heeft daarvoor filmpjes van zogenaamde “webcam girls” gebruikt die hij op internet had gevonden. Nadat de aangevers een beginbedrag hadden betaald en een kijkmoment hadden gekregen, gaf verdachte zich nog steeds voordoend als een webcam meisje en via chatgesprekken - aan dat “zij” minderjarig was en aangevers dus hadden gekeken naar seksuele handelingen van een minderjarige. Daarna dreigde hij met aangifte en bekendmaking van het feit aan de directe omgeving van de slachtoffers. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf niet alleen vergelding maar ook de generale preventie voor ogen gehad: het voorkomen van deze en vergelijkbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IR 2016/113, UDH:IR/13460 met annotatie van Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005609-14

Uitspraak d.d.: 15 juni 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 17 september 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-900868-12 en 05-820592-14, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte niet ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep ten aanzien van de feiten 2 en 5 van de dagvaarding met parketnummer 05/900868-12 en de verdachte ten aanzien van de andere feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen kunnen geheel worden toegewezen met de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. C.D.A.J. Majoie, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De rechtbank heeft het openbaar ministerie ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 05/900686-12 niet-ontvankelijk verklaard nu de aangever heeft aangegeven geen vervolging meer te wensen. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof desgevraagd te kennen gegeven dat het hoger beroep zich niet tegen deze beslissing richt. De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte ten aanzien van dit feit niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof is van oordeel dat verdachte geen belang heeft bij het hoger beroep.

Voorts is verdachte bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het aan hem onder parketnummer 05/900686-12 onder 5 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat niet open.

Het hof zal verdachte daarom ten aanzien van de feiten 2 en 5 niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover aan de orde in hoger beroep, tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-900868-12:

1:

hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2012 tot en met 7 maart 2012 te Ermelo en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 60 euro) over zou maken aan verdachte;

3:

hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2010 tot en met 9 december 2010 te Kampen en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 1.800,- euro) over zou maken aan verdachte;

4:

hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2011 tot en met 16 juni 2011 te Kampen en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 2.000,- euro) over zou maken aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 05-820592-14 (gevoegd):

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2011 tot en met 12 juli 2011 te Ermelo en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 27.572,- euro) over zou maken aan verdachte.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 05-820592-14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:

hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2012 tot en met 7 maart 2012 te Ermelo en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 60 euro) over zou maken aan verdachte;

3:

hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2010 tot en met 9 december 2010 te Kampen en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 1.800,- euro) over zou maken aan verdachte;

4:

hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2011 tot en met 16 juni 2011 te Kampen en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 2.000,- euro) over zou maken aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak met parketnummer 05-820592-14 (gevoegd):

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2011 tot en met 12 juli 2011 te Ermelo en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 27.572,- euro) over zou maken aan verdachte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 1 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-820592-14 bewezen verklaarde levert op, telkens:

afdreiging;

het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 4 bewezen verklaarde levert op:

poging tot afdreiging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat, grotendeels zoals de rechtbank heeft overwogen, verdachte drie aangevers heeft gechanteerd en één aangever heeft gepoogd te chanteren door zich op internet voor te doen als een meerderjarig meisje dat bereid was om na betaling voor de webcam uit de kleren te gaan. Verdachte heeft daarvoor filmpjes van zogenaamde “webcam girls” gebruikt die hij op internet had gevonden. Nadat de aangevers een beginbedrag hadden betaald en een kijkmoment hadden gekregen, gaf verdachte zich nog steeds voordoend als een webcam meisje en via chatgesprekken - aan dat “zij” minderjarig was en aangevers dus hadden gekeken naar seksuele handelingen van een minderjarige. Voorts werd hun te verstaan gegeven dat dit een ernstig misdrijf was en dat er aangifte zou worden gedaan. Ook zou de persoonlijke omgeving van aangevers worden geïnformeerd over het pedofiele gedrag, hun smerige praktijken en dergelijke. Dit konden de aangevers voorkomen door geld over te maken op een aan hen kenbaar gemaakte bankrekening. Nadat aangevers een bedrag hadden overgemaakt benaderde verdachte zich nog immer voor een meisje uitgevend - aangevers opnieuw met dreigementen en wilde steeds meer geld. Daarbij deed hij voorkomen als of er al aangifte was gedaan. Als bewijs stuurde hij een door hem gefingeerde aangifte van een meisje mee.

Via de betalingsgegevens van de aangevers zocht verdachte via internet naar hun persoonlijke gegevens. Op die manier kwam hij achter de namen van vrienden, buren en werkgevers en dreigde hij die persoonlijk in te lichten. In één van de gevallen is verdachte zo lang door gegaan met zijn bedreigingen dat hij de betreffende persoon ruim € 27.500,- afhandig heeft weten te maken. Deze aangever heeft daarvoor zelfs een lening moeten afsluiten. In een ander geval is het bij een poging gebleven, omdat de betreffende aangever weigerde te betalen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij ongeveer twee jaar bezig is geweest met internetoplichting en later met chantage via internet en dat hij daarmee ongeveer € 50.000,- heeft verdiend.

Verdachte heeft hiermee niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, maar hun ook angst aangejaagd en hen langere tijd in onzekerheid doen verkeren, uitsluitend om in zijn eigen geldelijk gewin te kunnen voorzien. Verdachte is zeer geraffineerd te werk gegaan en het hof rekent dit verdachte in ernstige mate aan.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie volgt dat hij eerder is veroordeeld. Omtrent de persoon van verdachte is een reclasseringsrapport opgemaakt. Financiële gewin was een belangrijk motief en daarnaast speelde de kick die hij kreeg een belangrijke rol. Verdachte is geschrokken van de gevolgen. De reclassering concludeert dat verdachte al geruime tijd geen contact heeft gehad met justitie en zijn leven op positieve wijze vorm heeft gegeven. Hij volgt de opleiding HBO recht en komt enthousiast en vastberaden over. De reclassering schat het recidiverisico in als laag/gemiddeld. Ingeschat wordt dat er een laag/gemiddeld risico is op onttrekken aan voorwaarden.

Anders dan bepleit door de verdediging acht het hof gelet op de aard en de ernst, maar ook de duur van het delict, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf niet alleen vergelding maar ook de generale preventie voor ogen gehad: het voorkomen van deze en vergelijkbare feiten. Het lijkt er op dat seksuele chantage via het internet toeneemt. Door angst voor de gevolgen en uit schaamte bij de slachtoffers van deze chantage wordt vaak geen aangifte gedaan. Het hof ziet in de persoon en de omstandigheden van de verdachte wel aanleiding af te wijken van de straf die de rechtbank verdachte heeft opgelegd en de overeenkomstige straf die de advocaat-generaal in hoger beroep heeft geëist. Bovendien is sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak tegen verdachte afgehandeld had moeten zijn. De bewezenverklaarde feiten dateren van eind 2010 tot begin 2012 en zijn daarmee niet van recente datum. Verdachte was toen relatief jong en lijkt in de afgelopen jaren een beter besef te hebben gekregen van de onaanvaardbaarheid van zijn toenmalig handelen. Hij heeft spijt betuigd voor hetgeen hij de slachtoffers heeft aangedaan. Een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel zoals door de rechtbank is opgelegd zal naar verwachting negatieve gevolgen hebben voor de opleiding van verdachte of voor zijn verdere maatschappelijke ontplooiing. Het hof acht het in dit licht aangewezen een lager onvoorwaardelijk deel op te leggen. Mogelijk zal de executie van het onvoorwaardelijk strafdeel in een vakantie kunnen plaatsvinden. Dat is vanzelfsprekend aan de met de executie belaste instanties. Het is aan verdachte en zijn advocaat desgewenst te overleggen met deze instanties.

Verdachte zal naast het feit dat hij een vrijheidsstraf moet ondergaan ook op andere wijze de consequenties van zijn handelen moeten dragen nu hij een aantal van zijn slachtoffers (aanzienlijke) schadevergoedingen zal dienen te betalen en het hof in de ontnemingszaak beslist dat het wederrechtelijk genoten voordeel dat verdachte heeft behaald met zijn criminele activiteiten hem zal worden ontnomen. Hij zal dus naar verwachting langdurig een deel van zijn toekomstige inkomen moeten afstaan.

Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur zodat verdachte de weg die hij lijkt te zijn ingeslagen blijft volgen. Aan het voorwaardelijke deel zal het hof een verplicht reclasseringscontact verbinden waarbij, indien de reclassering dit aangewezen acht, verdachte dient mee te werken aan een psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek en een eventuele ambulante behandeling.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 560,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De impact van het gedrag van de verdachte op het leven van de benadeelde partij is enorm. Het hof acht de door de verdediging betwiste immateriële schade voldoende onderbouwd en billijk. De vrees van het slachtoffer, die zelfs zijn laatste geld aan verdachte moet overmaken, voor bekendmaking was groot en hij moet zich daar ellendig onder hebben gevoeld.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 28.918,09. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-820592-14 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 2 en 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 05-820592-14 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 05-820592-14 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook als die aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zich psychologisch en/of psychiatrisch laat onderzoeken en, indien aangewezen, een ambulante behandeling volgt.

Geeft deze instelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 560,00 (vijfhonderdzestig euro) bestaande uit € 60,00 (zestig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-900868-12 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 560,00 (vijfhonderdzestig euro) bestaande uit € 60,00 (zestig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-820592-14 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 28.918,09 (achtentwintigduizend negenhonderdachttien euro en negen cent) bestaande uit € 27.668,09 (zevenentwintigduizend zeshonderdachtenzestig euro en negen cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-820592-14 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 28.918,09 (achtentwintigduizend negenhonderdachttien euro en negen cent) bestaande uit € 27.668,09 (zevenentwintigduizend zeshonderdachtenzestig euro en negen cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 179 (honderdnegenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. A. van Waarden, voorzitter,

mr. R. Krijger en mr. J. van den Bos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.T.H. Toonen-Janssen, griffier,

en op 15 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.