Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4840

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
15/01443
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6095, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Eigenwoningrente. Aftrek kosten levensonderhoud dochter?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1462
V-N 2016/55.2 met annotatie van Redactie
FutD 2016-1660
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/01443

uitspraakdatum: 14 juni 2016

nummer /

Uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 1 oktober 2015, nummer AWB 15/99, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikking is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de heffingsrentebeschikking. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de heffingsrente verminderd.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 5 november 2015 ter griffie ingekomen.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2016 te Arnhem. Belanghebbende is daar verschenen, bijgestaan door mr. [A] . Namens de Inspecteur is verschenen mr. [B] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft een eigen woning. Aan deze woning zijn rond 2001 onderhoudswerkzaamheden verricht.

2.2.

Belanghebbende heeft op 8 december 2003 met [a-bank] N.V. onder nummer [00000] een Contract Doorlopend Krediet (hierna ook: het krediet) gesloten. Blijkens een opgave van de [a-bank] N.V. had dit krediet op 1 januari 2010 een saldo van € 22.421,84 en op 31 december 2010 een saldo van € 22.537,70. Ook blijkt uit de opgave dat in 2010 € 1.860,15 rente is betaald.

2.3.

Voor het jaar 2011 heeft de Inspecteur de rente bij het vaststellen van de aanslag niet in aftrek toegelaten. In het kader van de behandeling van het bezwaarschrift schrijft de Inspecteur aan belanghebbende bij brief van 9 juni 2015 onder meer: “U heeft aangetoond dat het doorlopende krediet bij de [a-bank] is aangewend voor de eigen woning, derhalve is de aftrek van de rente ad € 1.850 verleend.”

2.4.

Bij het vaststellen van de aanslagen in de inkomstenbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2014 heeft de Inspecteur deze rente in aftrek toegelaten.

2.5.

Belanghebbende heeft aan zijn in 1985 geboren dochter, die niet tot zijn huishouden behoort, in het onderhavige jaar de volgende bedragen betaald: eerste kwartaal € 100, tweede kwartaal € 400, derde kwartaal € 6.300 en vierde kwartaal € 200.

2.6.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag aannemelijk geacht dat belanghebbende in verband met zijn bijdrage in het derde kwartaal recht heeft op een aftrek van € 1.065. Hij heeft voorts niet aannemelijk geacht dat de kosten van levensonderhoud van de dochter in het eerste, tweede en vierde kalenderkwartaal in belangrijke mate op belanghebbende drukten. Voor deze kwartalen heeft hij geen aftrek toegestaan.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van de hiervoor onder 2.2 vermelde betaalde rente en op aftrek in verband met het levensonderhoud van zijn dochter in het eerste, tweede en vierde kwartaal van het onderhavige jaar.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Eigenwoningrente

4.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met de hiervoor onder 2.3 aangehaalde brief bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat hij het krediet zou aanmerken als een schuld die behoort tot de eigenwoningschuld. De omstandigheid dat die brief betrekking heeft op het jaar 2011 doet daaraan niet af, nu de beoordeling of een schuld behoort tot de eigenwoningschuld voor deze jaren niet verschilt. Dat op dat moment een procedure liep over het jaar 2010 en de Inspecteur in die procedure, laatstelijk bij verweerschrift van 3 april 2015, zich op het standpunt stelde dat dat krediet niet tot de eigenwoningschuld behoort, maakt dat niet anders, aangezien uit de brief blijkt dat de Inspecteur toen hij de brief schreef ervan overtuigd was geraakt dat het krediet behoort tot de eigenwoningschuld. Daaraan kan niet afdoen dat de Inspecteur in de procedure over 2010 zich nadien, ter zitting van de Rechtbank, wederom op het standpunt heeft gesteld dat het krediet niet behoort tot de eigenwoningschuld. Ook is niet van belang dat de ambtenaar die het bezwaarschrift over het jaar 2011 behandelde een ander was dan de bij de beroepsprocedure over het jaar 2010 betrokken ambtenaar, nu beiden optraden namens de Inspecteur. Op grond daarvan heeft belanghebbende recht op aftrek van de in 2010 op het krediet betaalde rente van € 1.860.

4.2.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan in het midden blijven of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de in geding zijnde rente betrekking heeft op een schuld die behoort tot de eigenwoningschuld.

Kosten levensonderhoud dochter

4.3.

Belanghebbende stelt dat de bijdrage die belanghebbende in het derde kwartaal van het onderhavige jaar aan zijn dochter heeft betaald, bestemd was voor haar levensonderhoud, ook in de andere kwartalen van het jaar. Belanghebbende beroept zich op onderdeel 1.14 van het Besluit van 14 februari 2008, nr. CPP2007/3175M, Stcrt. 40, waarin staat:

“Ook de mate van onderhoud dient in beginsel per kwartaal te worden beoordeeld. Als de onderhoudsplicht feitelijk het gehele jaar heeft bestaan, hoeft evenwel geen betekenis te worden toegekend aan de omstandigheid dat in het ene kwartaal minder en in het andere kwartaal meer is bijgedragen. De hogere kosten in een kalenderkwartaal moeten dan wel betrekking hebben op uitgaven die aan het hele jaar zijn toe te rekenen.”

4.4.

Belanghebbende stelt dat hij eenmalig een hoog bedrag betaalde omdat zijn dochter samenwoonde met twee huisgenoten en zij waren overeengekomen dat ieder van hen in het kalenderjaar gedurende vier maanden de woonlasten, zoals huur en energie, voor haar rekening zou nemen. De dochter was voor de maanden september tot en met december aan de beurt. De betaling van belanghebbende aan zijn dochter diende voor deze betalingen en had daarom betrekking op de huisvesting van de dochter gedurende het gehele kalenderjaar, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft zijn stelling niet met nadere bewijsmiddelen onderbouwd.

4.5.

Het Hof acht van algemene bekendheid dat de gestelde afspraak ongebruikelijk is. Maar daarvan afgezien heeft belanghebbende zijn stelling tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Op dit punt is het gelijk aan de Inspecteur.

Slotsom

4.6.

Het belastbare inkomen uit werk en woning moet met € 1.860 worden verminderd tot € 24.068.

4.7.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de in geding zijnde aanslag betreft.

5 Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor de Rechtbank en het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen van de Rechtbank en het Hof. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 4 punten (beroepschrift, hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting van Rechtbank en Hof) × 1 (gewicht van de zaak) × € 496, ofwel op € 1.984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 60 voor reiskosten. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt. Omdat uit de stukken blijkt dat ter zake van het beroep aan belanghebbende een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, zal het Hof bepalen dat de vergoeding wordt betaald aan mr. [A] (art. 8:75, tweede lid, van de Awb).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.068;

  • -

    vermindert dienovereenkomstig de in rekening gebrachte heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 2.044, te betalen aan mr. A. Laghmouchi; en

  • -

    gelast dat de Inspecteur het griffierecht ad (€ 45 + € 123 =) € 168 aan belanghebbende vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 14 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

Het lid van de enkelvoudige

belastingkamer,

(E.D. Postema)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 17 juni 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.