Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4744

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
200.180.152/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing. Verzoek afgewezen. Hoofdverblijfplaats bij vader bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.180.152/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/110576/ FA RK 15-1355)

beschikking van 2 juni 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A.J. van der Klaauw te Haarlem,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J. de Graaf-Bakker te Emmen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 30 september 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 november 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 november 2015, als ook

10 februari 2016;

- een journaalbericht van 30 maart 2016 van mr. Van der Klaauw met productie(s);

- een journaalbericht van 12 april 2016 van mr. De Graaf-Bakker met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 mei 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Op verzoek van het hof is na de zitting ontvangen een faxbericht van 10 mei 2016 van mr. Van der Klaauw met productie(s).

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2008 te [C] , over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

Na het uiteengaan van partijen in maart 2014 is [de minderjarige1] bij de moeder ingeschreven en was sprake van een zorgregeling (co-ouder) met de vader. [de minderjarige1] is nu ingeschreven bij de vader.

3.3

De moeder is vanaf 19 november 2015 woonachtig te [A] . Zij woont daar samen met [D] . Uit de moeder is [in] 2015 geboren [de minderjarige2] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de verhuizing van de moeder met [de minderjarige1] van [B] naar [A] , de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] naar [A] te verhuizen afgewezen en verstaan dat de vader zijn verzoeken tot bepaling van het hoofdverblijf en tot vastlegging van een zorgregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft ingetrokken.

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van

30 september 2015. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt de beschikking van 30 september 2015 te vernietigen en opnieuw recht doende haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] naar [A] te verhuizen en een zorgregeling vast te stellen waarbij de vader elke veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur omgang heeft met [de minderjarige1] , waarbij [de minderjarige1] tijdens verjaardagen van respectievelijk de vader en de moeder bij hen verblijft, met verdeling van vakanties en feestdagen zoals het hof wenselijk acht.

4.3

De vader is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op het hoofdverblijf en de zorgregeling. De vader verzoekt de beschikking van

30 september 2015 te vernietigen voor zover deze ziet op het oordeel dat de rechtbank verstaat dat de vader zijn verzoeken tot bepaling van het hoofdverblijf en tot vastlegging van een zorgregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft ingetrokken en voor zover de moeder besluit om (bij afwijzing van haar verzoek om vervangende toestemming) zonder [de minderjarige1] naar [A] te verhuizen, en in zoverre opnieuw recht doende te bepalen dat [de minderjarige1] zijn hoofdverblijf bij de vader heeft, dat [de minderjarige1] om het weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de moeder zal verblijven, dat [de minderjarige1] volgens een in het petitum van het incidenteel appelschrift nader uitgeschreven verdeling van de vakanties en feestdagen bij de moeder zal verblijven en dat de moeder het halen en brengen van [de minderjarige1] voor haar rekening neemt.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5. De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt voorop dat zowel de vader als de moeder het hof ter zitting hebben verzocht te beslissen op de verzoeken zoals door de vader in hoger beroep aan het hof voorgelegd. Het hof zal aan dat verzoek gehoor geven. De vraag of de vader al dan niet in eerste aanleg zijn verzoeken dienaangaande heeft ingetrokken, zal het hof om die reden passeren.

Vervangende toestemming en het hoofdverblijf

5.2

Het hof leest in de grief van de moeder en de daarop door en namens haar gegeven toelichting geen andere relevante stellingen dan zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank deze gemotiveerd en op goede gronden heeft verworpen, onderschrijft het oordeel van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing en neemt de motivering daarvan - na eigen onderzoek - over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

5.3

De moeder heeft bij de rechtbank verklaard dat zij in [B] zou blijven wonen indien de rechtbank haar geen toestemming zou verlenen om samen met [de minderjarige1] naar [A] te verhuizen. Partijen waren het er in die situatie over eens dat voortzetting van de bestaande co-ouderschapsregeling het meest in het belang van [de minderjarige1] zou zijn. Inmiddels is de moeder

om haar moverende redenen zonder [de minderjarige1] verhuisd en heeft [de minderjarige1] feitelijk al gedurende enige tijd zijn hoofdverblijf bij zijn vader. Van zorgen over zijn verblijf bij de vader is het hof niet gebleken. De brief over [de minderjarige1] en die is overgelegd van de leerkracht van [de minderjarige1] , laat het hof buiten beschouwing nu de directeur van de school zich heeft gedistantieerd van de inhoud van deze brief. De zorgen die de moeder ter zitting benoemt, betreffen geschillen over de wijze van invulling van de opvoeding- en verzorgingstaken en zijn geschilpunten die, zoals ook de moeder ter zitting heeft toegegeven, zich ook voordeden toen de vader en de moeder nog samen waren. Dat [de minderjarige1] de moeder mist, wordt door de vader niet weersproken. Echter deze situatie zou zich andersom ook voordoen op het moment dat het hoofdverblijf bij de moeder wordt bepaald. Het hof is gelet op al hetgeen is overwogen van oordeel dat het niet in het belang is van [de minderjarige1] hem uit zijn vertrouwde woonomgeving te halen. [de minderjarige1] is de afgelopen tijd geconfronteerd met vele veranderingen. Zo is de relatie tussen zijn ouders beëindigd, is zijn moeder verhuisd naar een grote afstand van hem vandaan en is bij de moeder sprake van een nieuwe gezinssituatie met een andere partner en ook een halfzusje. Het hof acht het om die reden het meest in het belang van [de minderjarige1] dat hij het hoofdverblijf houdt bij zijn vader en het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] te verhuizen wordt afgewezen.

Wijziging zorgregeling

5.4

Partijen zijn het in hoger beroep eens geworden over de zorgregeling met de niet verzorgende ouder met uitzondering van de regeling omtrent het halen en brengen.

5.5

Het hof sluit aan bij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals tussen partijen overeenstemming bestaat en zoals hierna opgenomen in het dictum van de beslissing. Ten aanzien van het halen en brengen overweegt het hof als volgt.

5.6

In weerwil van de afspraken na het uiteengaan is de moeder op een afstand van circa 180 kilometer van de vader en [de minderjarige1] gaan wonen. De gevolgen van deze keuze dienen in overwegende mate voor haar rekening te komen. Het hof is om die reden van oordeel dat de moeder het halen en brengen in de reguliere weekenden voor haar rekening dient te nemen. Het hof heeft daarbij mede in overweging genomen dat de moeder hierdoor feitelijk ook meer tijd met [de minderjarige1] kan doorbrengen. Het halen en brengen aansluitend aan de schoolvakanties, dient bij helfte te worden gedeeld.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking wat betreft de afgewezen vervangende toestemming tot verhuizing bekrachtigen.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking wat betreft het hoofdverblijf en de zorgregeling vernietigen en beslissen als hierna aangegeven.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van

30 september 2015, voor zover daarbij het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing is afgewezen;

bepaalt dat [de minderjarige1] met ingang van heden zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus:

- [de minderjarige1] verblijft om het weekeinde van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de moeder;

- voorjaarsvakantie: [de minderjarige1] verblijft bij de moeder;

- meivakantie: [de minderjarige1] verblijft in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren vice versa;

- zomervakantie: [de minderjarige1] verblijft in de even jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder en in de oneven jaren vice versa;

- herfstvakantie: [de minderjarige1] verblijft bij de moeder;

- kerstvakantie: [de minderjarige1] verblijft in de even jaren de eerste week vanaf het begin van de vakantie tot Tweede Kerstdag 10.00 uur bij de vader en de tweede week van Tweede Kerstdag 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de moeder (inclusief Oud en Nieuw) en in de oneven jaren vice versa;

- Paasweekeinde: [de minderjarige1] verblijft bij de moeder;

- Pinksterweekeinde: [de minderjarige1] verblijft bij de moeder

- Hemelvaartsweekeinde: [de minderjarige1] verblijft Hemelvaartsdag en het daarop volgende weekeinde bij de moeder;

- de moeder haalt en brengt [de minderjarige1] tijdens de reguliere weekenden, alsmede tijdens het Paas-, Pinkster- en Hemelvaartsweekeinde;

- het halen en brengen van [de minderjarige1] tijdens de voorjaars-, mei-, zomer-, herfst- en kerstvakantie wordt gedeeld bij helfte;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 2 juni 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.