Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4741

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
21-005331-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

‘Wurgzaak Emmen’. Verweren met betrekking tot doodsoorzaak en vrijwillige terugtred worden verworpen. Verdachte wordt (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Het hof veroordeeld verdachte ter zake van doodslag op haar partner en een poging tot doodslag op haar dochter tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en TBS met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005331-15

Uitspraak d.d.: 15 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 september 2015 met parketnummer 18-950009-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans ingeschreven en verblijvende in de PPC te Zwolle, 8013 NR Zwolle, Huub van Doornestraat 15.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 december 2015, 1 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat hij persisteert bij de reeds op 10 december 2015 gedane vordering strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van de onder 1 tenlastegelegde doodslag en de onder 2 tenlastegelegde poging tot moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek en tot oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 25.805,08, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot € 25.000,-, subsidiair 1 dag hechtenis, en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige, dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar geheel niet-ontvankelijk zal worden verklaard en – ten slotte – dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] geheel zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag, subsidiair 1 dag hechtenis. Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
zij in of omstreeks de periode van 23 januari 2015 tot en met 24 januari 2015

te en in de gemeente [plaats] (haar echtgenoot/partner) [slachtoffer] opzettelijk en

met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd,

door de keel/hals van die [slachtoffer] (met een sjaal, althans een dergelijk

voorwerp) dicht te knijpen/drukken en/of enige tijd dichtgeknepen/dichtgedrukt

te houden, althans door op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer]

gedurende lange(re) tijd af te sluiten;


2:
zij in of omstreeks de periode van 23 januari 2015 tot en met 24 januari 2015

te en in de gemeente [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade (haar dochter) [benadeelde 1]

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- een sjaal, althans een dergelijk voorwerp, om de keel/hals van die [benadeelde 1]

heeft gelegd en/of

- de/een sjaal, althans een dergelijk voorwerp, die/dat die [benadeelde 1] om de

hals/nek had, heeft vastgepakt en die sjaal/dat voorwerp (gekruist) (strak) heeft aangetrokken, althans bezig is geweest op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [benadeelde 1] af te sluiten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging

Openbaar ministerie

Zoals reeds hiervoor opgenomen heeft de advocaat-generaal in zijn requisitoir bepleit dat verdachte ter zake van de onder 1 tenlastegelegde doodslag en ter zake van de onder 2 tenlastegelegde poging tot moord dient te worden veroordeeld.

Verdediging

De verdediging heeft in de eerste plaats betoogd dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde geheel dient te worden vrijgesproken nu de doodsoorzaak van [slachtoffer] niet voldoende vast staat. Ten aanzien van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman, deels bij wijze van subsidiair standpunt, bepleit dat er bij de verdachte geen sprake is geweest van voorbedachte raad. In reactie op het standpunt van de advocaat-generaal heeft de raadsman ter zake van het onder 2 tenlastegelegde benadrukt dat uit het dossier niet blijkt van enige aan verdachtes handelen voorafgaande bezinning. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde vrijwillig is teruggetreden, zodat zij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Indien het hof, ondanks de gevoerde bewijsverweren, aan een strafoplegging mocht toekomen, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, in het bijzonder het gevaarscriterium, is voldaan.

Bewijsmiddelen

1. Een in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor, nummer 24, d.d. 5 februari 2015 (p. 252 en verder van een dossier met nummer 2015023869 (TGO Bamberga)), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van verdachte:

[slachtoffer] is vrijdagavond 23 januari 2015 tussen 7 uur en half 8 naar bed gegaan en [benadeelde 1] is daarbij gaan liggen. Ik weet dat het om 8 uur gebeurd is.

Ik ben naar boven gegaan. Ik zag [slachtoffer] en [benadeelde 1] slapen. Ik weet dat ik die sjaal heb gepakt. Dat was mijn sjaal. Die ligt op de kast. Toen heb ik gewurgd, die sjaal rond zijn keel. Toen ik bij mijn positieven kwam, dacht ik: hij is dood.

U vraagt mij hoe ik [slachtoffer] heb gewurgd. Sjaal om en trekken. Die sjaal zat om zijn nek. Ik heb één keer getrokken. Ik heb gezegd: “lieverd het moet even, ik hou van je, ik ben zo bij je”. Ik heb de sjaal behoorlijk aangesjord. Ik zag dat het niet goed ging, ik wist dat het te laat was. U vraagt mij of ik hard moest trekken. Ja, van een klein beetje trekken ga je niet dood. Ik trok, ik heb gezegd dat ik van hem hield en ik heb hem gekust. Op het laatst hoorde ik wat gegorgel. Toen wist ik dat het te laat was. Het duurde ongeveer drie à vier minuten.

[slachtoffer] was dood. Ik heb het dekbed er zo overheen gelegd dat [benadeelde 1] het niet kon zien. Ik heb een ander sjaaltje uit de kast gehaald. Toen zei ze: ‘wat doe je met die sjaal’. Ze voelde nattigheid.

2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, d.d. 30 juni 2015 , voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

[benadeelde 1] had een sjaal om. Die heb ik aangetrokken. Ze werd wakker en riep: ‘mama, mama, wat doe je’. Ze had een wollen sjaal om. Daar heb ik aan getrokken. Vast wel kruislings. Toen schrok ze wakker. Ze kwam half overeind en schreeuwde.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0100-2015023869-13, d.d. 25 januari 2015 (p. 62 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als relaas van verbalisant:

Op zaterdag 25 januari 2014 hoorden wij de getuige [benadeelde 1] .

Ik heb haar gevraagd te vertellen wat er gisteravond was gebeurd. Ze vertelde zonder onderbreking:

“Ik bracht mijn stiefvader naar boven. Ik ging bij hem in bed liggen. We zijn in slaap gevallen. Ik hoorde kotsgeluiden van [slachtoffer] . Ik hoorde mijn moeder. Mijn moeder kwam daarna aan mijn kant van het bed. Ze legde een sjaal onder mijn hoofd. Ik had een sjaal om. Zij deed of ze mijn sjaal af wilde doen. Ze trok hard aan. Ik gilde en dacht wat is dit. Toen stopte het.”

Na doorvragen vertelde [benadeelde 1] :

- Dat ze haar stiefvader rond 19.00 uur naar boven bracht.

- Dat hij al snel in slaap viel en dat ze zelf ook in slaap was gevallen.

- Dat ze dan wakker wordt van rare geluiden van haar stiefvader.

- Dat ze zegt dat het stikgeluiden zijn als haar gevraagd wordt wat die rare geluiden zijn.

- Dat ze haar moeder hoort praten. Dat haar moeder zegt: “Je slaapt, je droomt, slaap maar lekker verder”.

- Dat haar moeder toen aan de bedkant van haar stiefvader was.

- Dat ze haar moeder toen niet heeft gezien, maar wel gehoord.

- Dat ze haar moeder daarna hoorde bij de kast op de slaapkamer waar ze lag.

- Dat haar moeder in de kast rommelde.

- Dat haar moeder daarna bij haar op de bedrand ging zitten.

- Dat ze voelt dat haar moeder iets onder haar hoofd legt.

- Dat haar moeder tegen haar zegt: “doe je sjaal af, straks stik je nog”.

- Dat ze met een sjaal om in bed was gaan liggen.

- Dat ze deze sjaal twee keer om haar hals droeg.

- Dat ze voelde dat haar moeder aan haar sjaal zat.

- Dat haar moeder haar sjaal een keer van haar nek deed.

- Dat ze direct daarna voelde dat haar moeder de sjaal gekruist voor haar hals hard aantrok.

- Dat ze direct begon te gillen nadat haar moeder de sjaal hard aantrok.

- Dat haar moeder toen direct losliet.

4. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage van 9 mei 2015, opgemaakt door M. Buiskool, arts en patholoog, verbonden aan voornoemd instituut (los in het dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Overledene: [slachtoffer]

De overledene is dood aangetroffen te [adres] te [plaats] op 24 januari 2015 omstreeks 09.30 uur.

B: Inwendig

2. De hersenen toonden aan het oppervlak afgeplatte windingen en waren te zwaar door vochtophoping. Ter plaatse van de kleine hersenen waren snoergroeven ten teken van herseninklemming.

Bij sectie zijn tekenen van herseninklemming (sub B2) vastgesteld waardoor hersenfunctiestoornissen zijn opgetreden, waarmee het overlijden kan worden verklaard.

Als oorzaak van deze herseninklemming kan de mechanische belemmering van de ademhaling en de bloedtoevoer naar de hersenen, zoals opgeleverd door samendrukkend en/of omsnoerend geweld mechanisch geweld op de hals, opgeleverd in het kader van wurghandelingen, overwogen worden.

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van relaas, zonder proces-verbaalnummer, d.d. 25 februari 2015 (p. 1 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als relaas van verbalisant:

[slachtoffer] was getrouwd, zijn echtgenote is genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Doodsoorzaak [slachtoffer]

Uit het forensisch rapport d.d. 9 mei 2015 blijkt dat herseninklimming als doodsoorzaak van [slachtoffer] is aan te wijzen. Deze herseninklimming kan veroorzaakt zijn door twee als extern aan te merken omstandigheden, namelijk alcoholintoxicatie en/of verwurging, waarbij een onderlinge versterking ook niet uitgesloten kan worden. Geen van beide omstandigheden kan door de deskundigen ‘onomstotelijk’ als oorzaak voor de herseninklimming worden aangewezen. Met betrekking tot voornoemde wurging heeft deskundige Buiskool ter terechtzitting in eerste aanleg op 30 juni 2015 – in navolging van haar rapport – gesteld dat een patholoog verstikking nooit kan aantonen of uitsluiten. Uit de verklaring van de door de rechtbank op de zitting van 3 september 2015 als deskundige gehoorde forensisch toxicoloog Vincenten - Van Maanen volgt in dit kader dat naar een eventueel overlijden door alcoholintoxicatie tot op heden te weinig onderzoek is gedaan om daaraan verstrekkende conclusies te verbinden voor het onderhavige overlijden van [slachtoffer] .

Voornoemd klinische of forensische oordeel omtrent de mogelijke doodsoorzaak of doodsoorzaken staat naar het oordeel van het hof echter los van de context zoals die uit het dossier blijkt, nu bij de lijkschouwing alleen objectief gekeken wordt naar het stoffelijk overschot. Deze objectieve, maar niet eenduidige vaststelling wordt door het hof ingevuld aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier blijken. In dit kader stelt het hof vast dat de context waarin het overlijden heeft plaatsgevonden, zonder meer duidt op een overlijden door verstikking als gevolg van de door verdachte verrichte wurgingshandeling. Verdachte heeft immers verklaard dat zij het slachtoffer een sjaal om de nek heeft gelegd en hem daarmee gewurgd heeft, waarbij zij gegorgel heeft gehoord. Ook de verklaring van [benadeelde 1] ondersteunt de lezing dat [slachtoffer] door het handelen van verdachte is overleden, nu zij in haar verklaring melding maakt van stikgeluiden bij [slachtoffer] ten tijde van het handelen van verdachte. Het intreden van de dood door alcohol zou bovendien gelegen moeten zijn op een moment tussen het naar bed gaan en de handelingen van verdachte. Het dossier biedt echter geen enkel aanknopingspunt waaruit blijkt dat [slachtoffer] in deze zeer korte tijdspanne – tussen 19.00 uur en 20.00 uur – al zou zijn overleden. Integendeel, uit de verklaringen van [benadeelde 1] en verdachte maakt het hof op dat hij ten tijde van de wurghandeling juist nog tekenen van leven vertoonde door geluiden te maken. De in dit kader door de raadsman aangehaalde verklaring van verdachte, inhoudende dat [slachtoffer] koud aanvoelde, heeft betrekking op een later moment in die nacht. Blijkens de verklaring van verdachte voelde [slachtoffer] koud aan, toen [benadeelde 1] voor de tweede maal op bed ging, rond half elf. Het standpunt dat [slachtoffer] op het moment van wurging al koud aanvoelde, mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Voorbedachte rade

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet – volgens vaste jurisprudentie – vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Met de rechtbank, advocaat-generaal en de raadsman ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten om ter zake van het onder 1 tenlastegelegde te komen tot een bewezenverklaring van de voorbedachte raad.

Evenmin is het hof van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft getracht haar dochter [benadeelde 1] van het leven te beroven. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof in verdachtes handelen tussen het doden van [slachtoffer] en de poging om [benadeelde 1] te wurgen geen moment van bezinning, kalm beraad of het nemen van een weloverwogen besluit. De opeenvolgende handelingen van verdachte hebben plaatsgevonden binnen een suïcidale roes, waarbij verdachte naar het oordeel van het hof niet aanwijsbaar stil heeft gestaan bij de mogelijke gevolgen van haar handelen en zich daar rekenschap van heeft kunnen geven. Verdachte raakte pas uit die roes toen [benadeelde 1] gilde en haar moeder, verdachte, aansprak op wat ze aan het doen was.

Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van de onder 1 en 2 impliciet tenlastegelegde moord en poging tot moord.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
zij op 23 januari 2015 te [plaats] haar echtgenoot [slachtoffer] opzettelijk

van het leven heeft beroofd, door de keel/hals van die [slachtoffer] met een sjaal dicht te knijpen/drukken en enige tijd dichtgeknepen/dichtgedrukt te houden;


2:
zij op 23 januari 2015 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar dochter [benadeelde 1] van het leven te beroven, met dat opzet een sjaal, die die [benadeelde 1] om de hals/nek had, heeft vastgepakt en die sjaal gekruist strak heeft aangetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Vrijwillige terugtred

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 26 januari 2016, volgt dat vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bij een voltooide poging niet reeds in zijn algemeenheid is uitgesloten, nu het niet gaat om de vraag of verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij of zij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn of haar wil onafhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. Overeenkomstig hetgeen de raadsman onder aanhaling van het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2006 heeft bepleit, behoeven van buiten komende factoren die mede ertoe hebben geleid dat het misdrijf niet is voltooid niet aan vrijwillige terugtred in de weg te staan.

Het hof is van oordeel dat het leerstuk van de vrijwillige terugtred aan te merken is als een zogenoemde ‘inkeerbepaling’, waarbij de verdachte haar handelingen zou afbreken en er voorts alles aan doet om het oorspronkelijk beoogde gevolg niet te doen of laten intreden. Uit het dossier volgt echter dat verdachte juist niet tot inkeer kwam. Integendeel, zij heeft de hele nacht getracht de door haar gevormde en op dat moment ten dele ten uitvoer gebrachte gedachte alsnog te verwezenlijken, zij het dat de wijze van uitvoering diende te veranderen. Verdachte heeft direct nadat [benadeelde 1] met gegil reageerde op de tenlastegelegde wurghandeling, [benadeelde 1] meegenomen naar de woonkamer. Daar heeft zij [benadeelde 1] een breezer voorgeschoteld met de bedoeling dat [benadeelde 1] dan vaster zou slapen en verdachte meer kans zou hebben om haar alsnog van het leven te beroven. Diezelfde nacht heeft verdachte twee pogingen ondernomen om alsnog haar inmiddels tot plan verworden gedachte ten uitvoer te brengen, door middel van verstikking met behulp van een kussen of het doodsteken met een mes. In dit kader heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat zij niet wilde dat [benadeelde 1] zag of merkte waar ze mee bezig was, waardoor zij telkens de uitvoering niet heeft kunnen volbrengen. Het hof merkt op dat dit niet kunnen volbrengen wezenlijk verschilt van het in de vrijwillige terugtred besloten liggende niet meer willen uitvoeren of voltooien. Gelet op het optreden van de verdachte met betrekking tot de ten laste gelegde eerste poging om [benadeelde 1] te doden, waarbij het intreden van dit gevolg niet door haar interne drijfveren werd belet, maar enkel afhankelijk was van externe omstandigheden, met name het gillen van [benadeelde 1] , is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een vrijwillige terugtred van verdachte.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid naar voren is gebracht, noch is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Het hof heeft in zijn oordeel omtrent de strafbaarheid van de verdachte de na te noemen deskundigenrapportages van 7 juni 2015 en 8 juni 2015 betrokken.

Oplegging van straf en maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 23 januari 2015 haar partner, [slachtoffer] , in zijn slaap met een sjaal gewurgd, ten gevolge waarvan hij is komen te overlijden. Vervolgens heeft zij geprobeerd haar dochter eveneens met een sjaal te wurgen. Enkel en alleen door het gillen van [benadeelde 1] is verdachte gestopt met het trekken aan de sjaal, waardoor het daadwerkelijk bij een poging is gebleven.

Door haar handelen heeft verdachte een mensenleven beëindigd en daarmee een onomkeerbaar verlies teweeggebracht. Het overlijden van [slachtoffer] heeft – aldus de slachtofferverklaringen – een behoorlijke psychische impact op de nabestaanden. De zus van [slachtoffer] heeft het enorme verdriet en gemis dat zij ondervindt, maar ook bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ziet, treffend omschreven in haar schriftelijke slachtofferverklaring. [slachtoffer] was als een vader voor [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , een vader die zij nu moeten missen. Dit gemis uit zich in boosheid en onbegrip; het gezin is door het handelen van verdachte op een afschuwelijke manier uit elkaar gerukt.

Naast het gemis van een vaderfiguur, zal [benadeelde 1] in het bijzonder ook moeten leren omgaan met de wetenschap dat haar moeder haar om het leven heeft proberen te brengen. Een gebeurtenis die, zeker in combinatie met het overlijden van haar stiefvader en het aantreffen van zijn levenloze lichaam, een enorme psychische impact heeft en – naar verwachting – nog zeer lange tijd bij haar zal doorwerken.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte laten blijken dat ook zij het verschrikkelijk vindt dat haar dochters alles kwijt zijn geraakt en dat [slachtoffer] gemist moet worden door zijn familie. Voor zover van een bedoeling gesproken kan worden, is het niet verdachtes bedoeling geweest dat het gezin zo verscheurd zou eindigen. Zij wilde zich – zo komt al in de politieverhoren tot uitdrukking – met het hele gezin ontworstelen aan het ‘rotleven’ hier. Verdachte zag geen toekomst voor het gezin als geheel, noch voor de individuele leden van het gezin en wilde het gezin – met andere woorden – in zijn geheel naar het hiernamaals brengen. Dit doel of motief komt ook naar voren in het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 7 juni 2015, opgemaakt door psycholoog De Jonge en het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 8 juni 2015, opgesteld door psychiater Van der Werf.

Uit voornoemd rapport van de psychiater volgt dat verdachte op het moment van handelen, maar ook tijdens de eerste gesprekken met de psychiater, de overtuiging had dat de dood in het belang van haar partner en kinderen was, dat ze allen beter af waren met de dood. Aan deze gedachten en het daaruit voortvloeiende handelen liggen blijkens het rapport meerdere ziekelijke stoornissen ten grondslag. Bij verdachte zijn ziekelijke stoornissen in de vorm van PDD-NOS, ook wel een pervasieve ontwikkelingsstoornis, niet anders omschreven genoemd, alsmede een doorgemaakte aanzienlijke depressie (deels in remissie) en afhankelijkheid van alcohol (tijdens detentie gedwongen in remissie) geconstateerd. Verdachte kent al vanaf haar jeugd sterke gevoelens van onmacht, neerslachtigheid, insufficiëntie, verbittering, wantrouwen en eenzaamheid. De bij haar geconstateerde PDD-NOS zorgde voor de nodige frustrerende miscommunicatie met anderen, zoals collega’s, haar partner en kinderen, waardoor het isolement bevorderd werd, alsook de overvraging van en frustraties bij verdachte opliepen. Daarnaast kleurden verdachtes depressieve verschijnselen haar gedrag en werkelijkheidsbeleving extra negatief, waardoor verdachte ieder zicht op enig toekomstperspectief verloor. De PDD-NOS, in combinatie met intoxicatie met alcohol heeft gezorgd voor fatale misinterpretaties van enkele cruciale uitlatingen bij haar dierbaren. Ze heeft hieraan – overhaaste en verstrekkende – gevolgen verbonden in de richting van het willen doden van zichzelf en haar gezin. De overmatige inname van alcohol heeft verdachtes werkelijkheidstoetsing en zelfregulering in (zeer) forse mate nog eens extra ingeperkt. Deze stoornissen hebben in onderling versterkend verband in zeer aanzienlijke mate verdachtes gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed tijdens de toedracht, uitvoering en afhandeling van het tenlastegelegde. In het rapport wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht volgens de actuele 3-punts beoordeling, waarbij wordt opgemerkt dat verdachte volgens de voormalige 5-punts schaal als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden gezien.

Indien verdachtes stoornissen onbehandeld blijven, zal het risico dat verdachte wederom jegens haar naasten een soortgelijk gewelddadig delict begaat of zichzelf alsnog iets aandoet, onverminderd aanhouden. Uit het rapport volgt dat verdachtes recidiverisico als matig tot hoog moet worden ingeschat. Dit risico kan aanzienlijk gereduceerd worden, als het alcoholisme en de depressieve stoornis beteugeld worden, alsook de beperkingen die voortkomen uit verdachtes autisme-problematiek behandeld en begeleid kunnen worden. Geadviseerd wordt om verdachte zo spoedig mogelijk aan een klinische behandeling binnen een forensische psychiatrische kliniek (FPK) te laten deelnemen, gespecialiseerd in verdachtes stoornissen. Aansluitend op de klinische behandeling is een ambulant traject op een forensisch psychiatrische polikliniek (FPP) aangewezen. Vanuit gedragsdeskundig advies wordt een terbeschikkingstelling met voorwaarden (TBS met voorwaarden) voldoende geacht om het geadviseerde behandeltraject succesvol te gaan realiseren. Indien dit zou botsen met een op te leggen gevangenisstraf of verdachte zich niet zou houden aan de gestelde voorwaarden, ziet de psychiater terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (TBS met dwang) als enige resterende mogelijkheid.

Het hiervoor reeds aangehaalde rapport van de psycholoog bevat soortgelijke conclusies. Uit het onderzoek komt naar voren dat verdachte beneden gemiddeld intelligent is en dat er ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van afhankelijkheid van alcohol, een depressieve stoornis (verergerd door haar extreme alcoholgebruik) en van PDD-NOS, waarbij vooral het sociale en communicatieve aspect op de voorgrond staat. Er was binnen de zeer geïsoleerde gezinssituatie sprake van veel problemen op zowel sociaal, relationeel en financieel gebied. De samenloop van omstandigheden in de bewuste avond van 23 januari 2015 heeft een bewustzijnsvernauwing en een impulsdoorbraak veroorzaakt van waaruit verdachte heeft gehandeld zoals ze deed. De hoeveelheid alcohol heeft die impulsdoorbraak bevorderd. Dit handelen en verdachtes beleving daarvan is in sterke mate bepaald door de geconstateerde stoornissen. In dit kader acht de psycholoog verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar voor beide tenlastegelegde feiten. De psycholoog stelt dat verdachte gezien de combinatie van de depressieve vernauwing van dat moment en de vertekende werkelijkheidsbeleving vanuit de PDD-NOS en de depressie niet in staat was om de onoorbaarheid van haar daden in te zien. Zij zag het als een oplossing voor het lijden van het hele gezin en een weg naar een beter leven elders.

De kans op herhaling acht de psycholoog matig hoog. Het gevaar is met name gelegen in de onbehandelde depressie en hernieuwd ernstig alcoholgebruik bij onbegrip van sociale situaties en gebrek aan inlevingsvermogen. Bij verdachte kan dan opnieuw de gedachte postvatten dat het voor haar kinderen en/of een eventuele nieuwe partner of andere naasten beter is om met haar in het hiernamaals te verblijven. Met andere woorden, als er niets gebeurd zal de geschiedenis zich zeer wel kunnen herhalen. Ook ziet de deskundige gevaren voor verdachtes eigen veiligheid, waarbij zij met name denkt aan suïcide. Verdachte zou behandeld moeten worden voor haar ernstige depressie en voor haar alcoholafhankelijkheid, aldus de psycholoog. Daarnaast moet ze leren omgaan met de bij haar geconstateerde PDD-NOS en dient de verwerking van de delicten een plaats te krijgen in de behandeling. Geadviseerd wordt om de behandeling te plaatsen in het wettelijke kader van TBS met voorwaarden. Indien TBS met voorwaarden gezien de op te leggen duur van een gevangenisstraf geen optie is, wordt TBS met dwang door de psycholoog als enige resterende optie gezien.

In reactie op het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot een eventueel op te leggen maatregel, is het hof van oordeel dat de hiervoor aangehaalde Pro Justitia rapportages van de deskundigen – anders dan de raadsman heeft bepleit – wel degelijk aanknopingspunten bieden om te stellen dat voldaan is aan het gevaarscriterium. Niet alleen vormt verdachte – bij gebrek aan behandeling – een gevaar voor zichzelf, maar zeker ook voor anderen, aldus de deskundigen. Onder deze anderen verstaat het hof verdachtes kinderen, maar ook haar eventuele nieuwe partner of andere naasten. Dat het een niet veelvoorkomende combinatie van factoren is die heeft geleid tot het onderhavige delict, doet niet af aan het gevaar dat een (hernieuwd) contact tussen verdachte met haar kinderen of een nieuwe relatie in zich herbergt zolang behandeling van verdachte nodig is. Een dergelijk (hernieuwd) contact is in het kader van verdachtes onvermijdelijke terugkeer in de maatschappij op voorhand zeker niet als ondenkbaar uit te sluiten.

Naar aanleiding van voornoemde deskundigenrapportages heeft het hof het aangewezen geacht om een nader maatregelenrapport door de reclassering op te laten maken. Het reclasseringsrapport dat opgemaakt is ter voorbereiding van een eventuele TBS met voorwaarden d.d. 24 februari 2016 maakt melding van een redelijk positieve ontwikkeling bij verdachte. Verdachte laat steeds meer inzicht zien en wordt sterker, maar ze ervaart tegelijkertijd ook veel gemis en schuldgevoelens. Deze kanteling was reeds waarneembaar in het psychiatrisch rapport: waar verdachte in eerste instantie heeft verklaard dat het haar speet dat het plan om het volledige gezin te doden was mislukt, heeft zij later aangegeven dat ze inziet dat ze nooit haar partner had mogen doden en thans inziet dat ze eerder hulp had moeten zoeken. Uit het reclasseringsrapport volgt voorts dat verdachte zich binnen de PPC meewerkend en begeleidbaar opstelt, waarbij zij gemotiveerd lijkt om tot een gedragsverandering te komen. De reclassering adviseert – in lijn met de rapportages van de deskundige en het in het dossier aanwezige oudere reclasseringsadvies van 22 juni 2015 – de oplegging van een TBS met voorwaarden. In dit kader heeft de reclassering een lijst met tien specifieke voorwaarden opgesteld waaraan verdachte zich zou moeten houden, waaronder een klinische behandeling in de FPK te Assen, die verdachte al geaccepteerd hebben als cliënt, een aansluitende ambulante behandeling, een contactverbod met haar kinderen en de familie van [slachtoffer] , inzicht in haar volledige sociale en financiële situatie, een alcoholverbod en de mogelijkheid om verdachte – indien noodzakelijk – voor een time-out terug te plaatsen in de FPK. Verdachte heeft zich zowel tegenover de rapporteurs, als ter terechtzitting in hoger beroep bereid verklaard om zich aan deze voorwaarden te houden.

Al met al volgt uit het dossier, alsook uit het onderzoek ter terechtzitting, dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verre van rationeel heeft gehandeld, met zeer a-typische motieven. Verdachte heeft in dit kader nog een lange weg te gaan om de stoornissen en problematiek die mede hieraan ten grondslag heeft gelegen voor haarzelf en haar omgeving beheersbaar te maken. Dit neemt niet weg dat verdachte een tweetal levensdelicten heeft gepleegd welke diep in de levens van verdachtes naasten hebben ingegrepen. Ook verdachte zelf zal moeten leren omgaan met de last die zij draagt ten gevolge van haar handelen.

Gelet op voornoemde ongewone omstandigheden, in het bijzonder de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, de daaromtrent opgemaakte rapportages en verdachtes motief enerzijds, en anderzijds de aard en ernst van de feiten, is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is. Gezien de duur van de op te leggen gevangenisstraf en het door de deskundigen geadviseerde wettelijke kader ziet het hof aanleiding om aan verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden, onder de hierna te noemen algemene en specifieke voorwaarden, op te leggen, nu bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 76.610,17. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging, waarna de rechtbank via de weg van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering de verplichting tot betaling van een bedrag van € 5.000,- ten behoeve van [benadeelde 1] heeft opgelegd. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, waarbij is voorzien in een machtiging. Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat de post ‘kosten voor rechtsbijstand’ ter hoogte van € 1.610,17 geen onderdeel meer van het verzoek tot schadevergoeding uitmaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade, zoals gevorderd onder de post ‘smartengeld’, heeft geleden. De immateriële schade die door de benadeelde is geleden, acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt tot een bedrag van € 5.000,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige acht het hof de vordering onvoldoende onderbouwd en zal het hof deze vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Ter zake van de overige vergoeding van immateriële schade, bestaande uit de zogenoemde ‘shockschade’, is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor vergoeding van dergelijke schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De namens de benadeelde partij in het geding ingebrachte stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten om een dergelijk ziektebeeld vast te stellen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en de verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 52.052,17. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, waarbij ter terechtzitting in hoger beroep is aangegeven dat de post ‘kosten voor rechtsbijstand’ ter hoogte van € 2.052,17 geen onderdeel meer van het verzoek tot schadevergoeding uitmaakt.

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd, zogenoemde shockschade, is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De namens de benadeelde partij in het geding ingebrachte stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten om een dergelijk ziektebeeld vast te stellen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als gelijkgesteld aan een in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 615,20, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als gelijkgesteld aan een in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de na te noemen voorwaarden.

Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich houdt aan de voorwaarden en aanwijzingen die haar gesteld zijn door de toezichthoudende instantie;

  • -

    zich niet schuldig zal maken aan strafbare feiten of zich in situaties begeven die voor haar risicovol haar resocialisatie in gevaar brengen;

  • -

    het is verdachte gedurende de gehele looptijd van de tbs niet toegestaan zich buiten de landsgrenzen van het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden te begeven;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van de identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meerdere vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

Stelt als specifieke voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich conformeert aan de klinische behandeling (ook als dit overbruggingszorg inhoudt) en zich houdt aan de behandelafspraken, de huisregels en het vrijhedenprotocol zoals deze wordt voorgesteld en uitgevoerd door de FPK te Assen (onderdeel van GGZ Drenthe), of soortgelijke instelling die nader bepaald is door het NIFP, ifz;

  • -

    op haar einddatum detentie zal betrokkene met justitieel vervoer naar de kliniek worden gebracht;

  • -

    na afloop van de klinische behandeling bij de FPK te Assen (onderdeel van GGZ Drenthe), of soortgelijke instelling, zal betrokkene zich conformeren aan de aanwijzingen die reclassering haar geeft ten behoeve van wonen, dagbesteding/ werk, financiën, invulling van de vrije tijd en een ambulant behandeltraject;

  • -

    wordt verboden contact te (laten) leggen met haar kinderen en haar ex-schoonfamilie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Hernieuwd contact met haar kinderen kan enkel plaatsvinden met toestemming van de behandelaren en de reclassering. Bij een hernieuwd contact met haar kinderen zal betrokkene meewerken aan systeemgesprekken;

  • -

    bij de totstandkoming van een nieuwe partnerrelatie zal betrokkene meewerken aan relatie-/systeemgesprekken;

  • -

    inzicht verschaft in haar financiële situatie en controle hierop door de reclassering zal accepteren;

  • -

    haar medicatie inneemt zoals voorgeschreven door de behandelend arts;

  • -

    zich zal onthouden van alcohol- en druggebruik. Zij werkt mee aan alcohol- en drugscontroles;

  • -

    openheid geeft omtrent haar sociale contacten. Betrokkene stelt zich voor de reclassering open en controleerbaar op en geeft toestemming aan de reclassering om contact te hebben met alle personen en instellingen uit haar sociale netwerk, die in deze voorwaarden met name worden genoemd. Tevens geeft zij aan deze personen/instellingen toestemming informatie uit te wisselen met de reclassering;

  • -

    indien noodzakelijk voor een time-out wordt teruggeplaatst naar de FPK te Assen (onderdeel van GGZ Drenthe), of soortgelijke instelling. Deze time-outplaatsing duurt in ieder geval zolang als nodig is om betrokkene op verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de omstandigheden voorafgaand aan de time-out, maar maximaal zeven weken. Deze periode kan eenmaal met zeven weken worden verlengd. Tijdens de time-out zullen partijen in overleg beslissen of en op welke wijze voortzetting van het traject al of niet mogelijk en haalbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 615,20 (zeshonderdvijftien euro en twintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 615,20 (zeshonderdvijftien euro en twintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. A. Dijkstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 15 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. H.J. Deuring is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.