Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4697

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
200.141.785/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dakdekker had het louter om esthetische redenen aanbrengen van leislag op een APP dakbedekking moeten afraden nu dat volgens de deskundige een naar de stand van de wetenschap een nutteloze en af te raden behandeling was. Door deze bewerking toch uit te voeren is zij tekort geschoten in haar verplichting om als redelijk bekwaam en redelijk handelend dakdekker goed en deugdelijk werk te leveren en is zij aansprakelijk voor de schade die de opdrachtgever dientengevolge heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.141.785/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 111212 / HA ZA 09-610)

arrest van 14 juni 2016

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [appellante],

appelanten in het principaal appel, tevens geïntimeerden in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. W. Sleijfer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Technisch Installatiebureau Boerema B.V.,

gevestigd te Haren,

geïntimeerde in het principaal appel, tevens appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: TIB,

advocaat: mr. C.H.J. van der Maas, kantoorhoudend te Haren (Groningen).

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 december 2015 hier over.

1.2

Op 15 maart 2016 heeft ter uitvoering van genoemd tussenarrest een comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt bevindt zich bij de stukken.

1.3

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.3) van het vonnis van de rechtbank van 15 september 2010 zijn geen grieven ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog als onweersproken vaststaat, gaat het om het volgende.

2.2

[appellanten] heeft TIB begin 2003 benaderd om een drietal lekkages en kale plekken op het dak te verhelpen. TIB heeft op 7 februari 2003 een offerte uitgebracht voor het instrooien van het schuine dak met leislag voor een bedrag van € 2.969,05 incl. btw.
In de offerte staat voorts vermeld dat eventuele herstelwerkzaamheden aan de

dakbedekking niet in de offerte zijn begrepen en op regiebasis zullen worden uitgevoerd.

[appellanten] heeft ingestemd met de offerte en de opdrachtbevestiging ondertekend.

TIB heeft het dak in de zomer van 2003 ingestrooid met leislag en reparatiewerkzaamheden aan het dak verricht. TIB heeft in verband met deze werkzaamheden op 1 juli 2003 twee facturen gestuurd van EUR 3.028,43 (aanbrengen leislag) respectievelijk EUR 92,20 (verhelpen lekkages). Deze facturen zijn door [appellanten] voldaan.
In juli, november en december 2004 heeft TIB, naar aanleiding van klachten van
over lekkage(s), een bezoek gebracht aan [appellanten] , de klachten onderzocht en een aantal werkzaamheden uitgevoerd. Voor deze werkzaamheden heeft TIB facturen gestuurd voor in totaal circa EUR 270,-. Van dit bedrag heeft [appellanten] ongeveer EUR 25,- voldaan.

2.3

[appellanten] heeft [vof] v.o.f. (hierna: [vof] )

onderzoek laten uitvoeren naar de conditie van de dakbedekking. Dit bedrijf heeft op

28 december 2006 en 6 april 2009 haar bevindingen gerapporteerd aan [appellanten] .

[appellanten] heeft voorts in 2007 een rapport laten opmaken door Dakbestek adviesbureau.
TIB is niet betrokken bij genoemde onderzoeken.

2.4

Bij brief van 30 augustus 2007 heeft [appellanten] TIB in gebreke gesteld en

gesommeerd over te gaan tot herstel en het vergoeden van schade. TIB heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil en de beslissing van de rechtbank
3.1 Bij exploot van 1 juli 2009 heeft [appellanten] TIB gedagvaard voor de rechtbank Groningen. [appellanten] heeft, na eiswijziging – samengevat – gevorderd:
primair: herstel van gebreken aan het dak, op straffe van een dwangsom,

subsidiair: vervangende schadevergoeding ad € 8.288,35 incl. btw, vermeerderd met

rente,

primair en subsidiair:

1. betaling van € 2.376,28 incl. btw, zijnde de kosten voor het vervangen van het

dakraam, vermeerderd met rente,

2. betaling van € 1.713,- incl. btw, zijnde de kosten voor het herstel van de zinken

dakgoten, vermeerderd met rente,

3 . betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 3.932,55, vermeerderd met de kosten

van de procedure.

3.2

TIB heeft verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft de kosten van herstel van de zinken dakgoten toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 oktober 2009. Voor het overige heeft zij de vorderingen van [appellanten] afgewezen, onder compensatie van proceskosten.

4 Wijziging van eis

4.1

[appellanten] heeft zijn eis in hoger beroep opnieuw gewijzigd en wel in die zin dat hij niet langer herstel vordert maar enkel vervangende schadevergoeding. Zijn vordering in hoger beroep luidt als volgt:
“te vernietigen het vonnis op 9 december 2010, onder zaak/rolnummer 111212/ HAZA 09/610, door de Rechtbank Groningen gewezen tussen [appellanten] als eiser en TIB als gedaagde, voor zover daartegen grieven zijn aangevoerd, en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. TIB te veroordelen tot betaling aan [appellanten] van vervangende schadevergoeding

ad € 8.288,35 inclusief btw (€ 6.965,- exclusief btw) (zegge achtduizend tweehonderd

achtentachtig euro en 35 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september

2007, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg, tot aan de dag der algehele

voldoening;

2. TIB te veroordelen tot betaling aan [appellanten] van de kosten voor het vervangen van het dakraam ad € 2.376,28 inclusief btw (zegge: tweeduizend driehonderdzesenzeventig

euro en 28 cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2007, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg, tot aan de dag der algehele voldoening;

3. TIB te veroordelen tot betaling aan [appellanten] van de buitengerechtelijke kosten ad € 3.932,55;

4. TIB te veroordelen tot betaling aan [appellanten] van de kosten aan [appellanten] in

deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.2

TIB heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van eis. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis, nu het deze ook niet in strijd met de goede procesorde acht.

5 Beoordeling van de grieven
5.1 [appellanten] heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen en TIB één grief in het incidenteel appel.
5.2 De grieven 1, 2 en 3 in het principaal appel zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering die ziet op vervanging van het dakraam.
heeft aangevoerd dat TIB één van de drie in 2003 bestaande lekkages, namelijk die onder het dakraam, niet naar behoren heeft hersteld. Door een slechte aansluiting van de dakbedekking op een metalen goot is water bij het dakraam gekomen en het kozijn gaan rotten, zo stelt [appellanten] . Hij verwijst in dit verband naar de rapporten de [vof] in 2006 en 2009 heeft uitgebracht.

5.3

TIB heeft een en ander gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat [appellanten] na uitvoering van de werkzaamheden bleef klagen over lekkage in het dakraam. TIB heeft vastgesteld dat de aantasting van het kozijn een gevolg was van het feit dat een condensgootje verstopt was waardoor er langere tijd water in het hout van het kozijn kon lopen. TIB heeft [appellanten] daarop gewezen en hem gezegd dat hij daarvoor een aannemer diende in te schakelen, hetgeen [appellanten] echter heeft nagelaten.
TIB heeft ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep gesteld dat zij de lekkage onder het dakraam in 2003 heeft verholpen door de aanhechting tussen het dakraam en de dakbedekking vast te zetten. Zij heeft aangevoerd dat een eventuele lekkage van de dakbedekking onder het kozijn niet tot aantasting van het kozijn daarboven kan hebben geleid.

5.4

Bij memorie van grieven heeft [appellanten] betwist dat TIB hem heeft geadviseerd een aannemer in te schakelen. Dat TIB dat advies wel degelijk heeft gegeven blijkt uit de factuur die TIB op 22 december 2004 aan [appellanten] heeft gezonden en waarop is vermeld:
“De lekkage van het dak wordt veroorzaakt door het dakraam, met u afgesproken dat u hiervoor een aannemer inschakelt.”

5.5

[vof] heeft in haar rapport van december 2006 de volgende analyse gegeven van de door haar in 2006 geconstateerde lekkage:
“De lekkage bij het dakraam ontstaat doordat de dakbedekking aan de onderzijde

van het raam is losgelaten van de metalen goot.

De bevestiging van de dakbedekking op de metalen goot is altijd kritisch. Omdat

het twee verschillende materialen betreft (bitumen en metaal) is de hechting

moeilijk. Daarnaast zal het metaal als gevolg van temperatuurswisselingen een

andere beweging vertonen dan bitumen waardoor spanning op de aansluiting komt.

Op deze plaats is geen reparatie te zien zodat geconcludeerd mag worden dat deze

lekkage ook in 2003 al aanwezig was.

Om de lekkage te verhelpen moet de bestaande dakbedekking van de metalen goot

verwijderd worden, waarna een nieuwe bedekking kan worden aangebracht.

Om te zorgen voor een maximale hechting moet de metalen goot goed

schoongemaakt worden en moet een voorsmeerlaag op het metaal worden'

aangebracht.

Door een niet goed afwaterend condensgootje is er gedurende lange tijd water in

het hout van het kozijn gelopen. Dit heeft voor aantasting van het hout van het

kozijn gezorgd. Het hout is zover aangetast dat het vervangen moet worden.,

De inwatering in het hout van het kozijn is niet de oorzaak van de lekkage.”

5.6

[appellanten] vordert niet de kosten van het herstel van de bevestiging van het dakleer op de metalen goot, maar de kosten van vervanging van het dakraam. Uit het rapport van [vof] blijkt niet dat het dakraam is aangetast door de lekkage die zich onder dat raam voordeed (door de slechte aansluiting van het dakleer op de metalen goot).
[vof] schrijft over de aanstasting van het dakraam:
“Door een niet goed afwaterend condensgootje is er gedurende lange tijd water in het kozijn gelopen. Dit heeft voor aantasting van het hout gezorgd. Het hout is zover aangetast dat het vervangen moet worden. De inwatering in het hout van het kozijn is niet de oorzaak van de lekkage.
[vof] bevestigt derhalve het oordeel van TIB dat de aantasting van het kozijn een gevolg is van het verstopte condensgootje.
Zij oordeelt immers dat de inwatering in het kozijn niet de oorzaak is van de lekkage onder het dakraam. Dat de verrotting van het kozijn een gevolg is van de slechte aansluiting van de dakbedekking op de metalen goot, zoals [appellanten] stelt, blijkt uit het rapport evenmin. Het hof laat daarbij nog in het midden of het feit dat de aansluiting van de dakbedekking in december 2006 los zat de conclusie rechtvaardigt dat TIB haar werkzaamheden in juli 2003 niet naar behoren heeft uitgevoerd.

5.7

[appellanten] , die niet erg voortvarend heeft geprocedeerd, heeft pas ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep meegedeeld dat hij reeds in 2010 een volledig herstel van het dak en dakraam heeft laten uitvoeren. Een nader onderzoek naar de voordien bestaande situatie is derhalve niet meer mogelijk.

5.8

Het causale verband tussen de vermeende tekortkoming van TIB – namelijk het niet goed herstellen van de lekkage onder het dakraam – en de aantasting van het dakraam is aldus niet komen vast te staan. Nu [appellanten] bovendien het advies van TIB om een aannemer in te schakelen niet heeft opgevolgd, kan hij TIB niet aansprakelijk houden voor de (verdergaande) aantasting van het dakraam.

5.9

De grieven 1 tot en met 3 in principaal appel falen.

5.10

Grief 4 in het principaal appel is gericht tegen de afwijzing van de vordering die ziet op de kosten van het aanbrengen van een tweelaags dakbedekking.
De stellingen van [appellanten] komen erop neer dat TIB tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen doordat de werkzaamheden – het met de hand instrooien van leislag – niet op deskundige wijze zijn uitgevoerd.
verwijst naar de bevindingen van [vof] en Dakbestek.

5.11

In het rapport van [vof] van 2006 wordt ter zake onder meer vermeld:
“Het aanbrengen van een nieuwe laag leislag op een dakbedekking wordt al jaren

niet meer toegepast. Als een dakbedekking is voorzien van leislag laten we de

leislag kaal worden waarna een nieuwe toplaag wordt aangebracht.

Omdat als dakbedekking alleen nog gemodificeerde bedekkingen worden toegepast

is tussentijds afstrooien niet meer nodig en in geval van een APP bedekking zelfs

niet mogelijk.

(…)

Gesteld mag worden dat het aanbrengen van nieuwe leislag op dit dak een nutteloze en
zelfs af te raden bewerking is.

De uitvoering van de leislag afwerking vertoont ook gebreken. Zo is er teveel leislag aanwezig dat kan zorgen voor verstopping en vervuiling. Als de leislag goed wordt afgeborsteld, hetgeen plaatselijk is gedaan, dan blijkt dat er geen goede hechting met de ondergrond tot stand is gekomen. Vermoedelijk is dit ontstaan doordat de werkzaamheden bij zeer warm weer zijn uitgevoerd en omdat de bestaande dakbedekking niet is voorgesmeerd.

Belangrijk is dat het dak goed wordt schoongeveegd zodat alle losse leislag van het

dak wordt verwijderd. De verwachting is dat dan een oppervlak ontstaat waar delen nieuwe leislag ontbreken.

Herstel van de leislag door het opnieuw afstrooien wordt ontraden. Er kan alleen een goede hechting ontstaan als de bedekking wordt voorgesmeerd en dit kan niet bij een APP bedekking.

De enige goede methode van herstel is het aanbrengen van een nieuwe tweelaags

dakbedekking op de bestaande.

Hierbij moeten alle details en aansluitingen opnieuw worden afgewerkt.”

5.12

Dakbestek onderschrijft de bevindingen van [vof] en vermeldt in haar rapport onder meer:
“ [vof] geeft dit ook aan aangezien zij stellen dat het afstrooien van de APP gemodificeerde

dakbedekking nooit had mogen plaatsvinden.

De bevindingen en conclusies van [vof] zijn dan ook correct.

Dat [vof] aangeeft dat bij groot onderhoud beter een nieuw tweelaags systeem kan worden

toegepast kunnen wij onderschrijven.
Het is namelijk niet goed mogelijk om probleemloos op een afgestrooid dak direct een nieuwe laag aan te brengen waardoor de door [vof] geadviseerde bewerkingen noodzakelijk worden om te komen tot voldoende hechting.

Dit zal dan tevens leiden tot hogere kosten bij toekomstig groot onderhoud aangezien de kosten voor deze bewerkingen hoger liggen dan die van het aanbrengen van een enkele laag wat mogelijk was geweest op de oorspronkelijke, niet afgestrooide, toplaag.

Wij zijn dan ook van mening dat het afstrooien van de APP gemodificeerde dakbedekking nooit had mogen plaatsvinden. (…)

Daarnaast kan als gevolg van de acties van Boerema het dak niet meer eenvoudig worden

overlaagd en zijn er aanvullende maatregelen nodig om een geheel nieuw dakbedekkingsysteem over het bestaande pakket aan te brengen.”

5.13

In haar rapport van 2009 heeft [vof] nog het volgende vermeld:
“In het verleden werden alleen bitumen daken gemaakt van geblazen bitumen.

Geblazen bitumen is gevoelig voor UV straling en dient hiertegen beschermd te

worden. Hiervoor werd een laag leislag op het dak aangebracht, welke er voor

zorgt dat de UV straling de bitumen niet kan bereiken. Als na verloop van jaren de

leislaglaag dunner werd en de bitumen in het zicht kwam, werd een nieuwe laag

leislag aangebracht ter bescherming. Op deze wijze kon men de levensduur van dé

dakbedekking oprekken.

Na 1980 zijn dakbedekkingen met geblazen bitumen vervangen door

gemodificeerde bitumen dakbedekkingen, te weten APP en SBS bitumen.

Uit verouderingsonderzoek is gebleken dat APP bitumen minder gevoelig is voor

inwerking van UV straling zodat deze daken niet voorzien hoeven te worden van

een beschermlaag van leislag. Deze dakbedekking kan dus zwart worden

toegepast. De SBS bitumen heeft dit voordeel niet en moet derhalve wel voorzien

worden van leislag.

Om esthetische redenen komt het voor dat ook een APP dakbedekking wordt

voorzien van leislag, deze laag wordt dan fabrieksmatig aangebracht. Als

beschermlaag is de leislag niet nodig.

Deze wetenschap is onder andere gepubliceerd in 1983 in het blad Bouwwereld

(bijlage 1). In 1988 is dit opgenomen in het BDA dakboekje (bijlage 2) .

Aangenomen mag worden dat anno 2003 (uitvoering dak) dit inmiddels bij mensen

die zich bezig houden met daken bekend is.”

5.14

TIB heeft aangevoerd dat aan de rapportages van [vof] beperkte waarde moet worden toegekend, enerzijds omdat het om partijrapportages gaat bij de totstandkoming waarvan TIB niet betrokken is geweest en anderzijds omdat [vof] en Dakbestek hun onderzoek niet direct na afronding van de werkzaamheden van TIB hebben ingesteld, maar pas jaren later. Verder heeft TIB benadrukt [appellanten] een esthetische verbetering van zijn dak wenste en koos voor de goedkope oplossing: het aanbrengen van een kleeflaag en het met de hand leislag strooien.

5.15

Het hof overweegt als volgt. Juist is dat de rapporten waarop [appellanten] zich beroept partijrapportages zijn. TIB, die bekend was met de aanhoudende klachten van
, heeft echter niet van de gelegenheid gebruik gemaakt een contraexpertise te laten verrichten. TIB heeft bovendien niet, althans niet gemotiveerd, het in genoemde rapporten vervatte standpunt betwist dat het handmatig aanbrengen van leislag op een APP dakbedekking naar de stand van de wetenschap in 2003 een nutteloze en juist af te raden bewerking was.
TIB heeft evenmin weersproken dat het door de uitgevoerde behandeling onmogelijk is geworden het dak in het kader van groot onderhoud van een enkellaags APP dakbedekking te voorzien en dat het aanbrengen van een tweelaags dakbedekking noodzakelijk is geworden.
Het hof is van oordeel dat TIB [appellanten] had moeten waarschuwen en had moeten afzien van handmatig aanbrengen van leislag, ook in het geval [appellanten] daarom verzocht. Door deze bewerking toch uit te voeren is zij tekort geschoten in haar verplichting om als redelijk bekwaam en redelijk handelend dakdekker goed en deugdelijk werk te leveren en is zijn aansprakelijk voor de schade die [appellanten] dientengevolge heeft geleden.

5.16

[appellanten] heeft gesteld dat de kosten van het aanbrengen van een tweelaags dakbedekking € 6.965,- excl. btw bedragen. TIB heeft een aantal van de in dat bedrag begrepen posten betwist, te weten het vervangen van de trim, de dakranden en het aanbrengen van een loden opstand. Hij betwist de noodzaak daarvan, nu deze posten ook niet voorkomen op de offerte die betrekking heeft op het aanbrengen van een enkellaags APP dakbedekking (mva randnummer 43).
Ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep heeft [appellanten] uiteengezet dat dit verschil een gevolg is van de omstandigheid dat niet met een enkel aanbrengen van een nieuwe toplaag kan worden volstaan, maar een nieuwe tweelaags dakbedekking noodzakelijk is. TIB is daarop vervolgens niet meer ingegaan. [appellanten] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep onweersproken gesteld dat het dak in 2010 is hersteld. Het hof zal de kosten van herstel van € 6.965,- excl. btw, derhalve € 8.288,35 incl. btw als onvoldoende weersproken toewijzen.

5.17

Grief 4 in principaal appel slaagt.

5.18

De grief in het incidenteel appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat TIB de kosten gemoeid met herstel van de dakgoten en standleidingen, die vervuild en verstopt waren geraakt door overtollig leislag, dient te voldoen.

5.19

TIB voert in dit verband aan dat op grond van het rapport van Dakbestek van
5 augustus 2009 niet de conclusie kan worden getrokken dat de schade is veroorzaakt door de werkzaamheden van TIB. Verder voert TIB aan dat zij [appellanten] er in 2003 op heeft gewezen dat de goot aan de achterzijde van de woning aan vervanging toe was. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat alle goten aan het eind van hun levensduur waren, aldus TIB. TIB betwist niet dat afzetting van bitumen invloed kan hebben op de levensduur van goten, maar betwist dat dit in casu heeft geleid tot de noodzaak de goten eerder te vervangen. Ten slotte is TIB van mening dat de verstopping van de standleidingen aan [appellanten] zelf te wijten is, omdat er op uitdrukkelijk verzoek van [appellanten] excessief veel leislag op het dak is gestrooid.

5.20

Het hof overweegt als volgt. TIB heeft in eerste aanleg een beroep op verjaring gedaan. Dat beroep is door de rechtbank verworpen. Tegen dat oordeel heeft TIB niet gegriefd. Voor zover TIB een beroep doet op eigen schuld van [appellanten] , verwerpt het hof dat beroep. Zoals hiervoor is overwogen had TIB [appellanten] het handmatig instrooien van leislag op het dak moeten ontraden en had zij de betreffende behandeling achterwege moeten laten. Het rapport van Dakbestek dateert weliswaar van enkele jaren na de uitvoering van de werkzaamheden door TIB, maar niet in geschil is dat TIB in 2003 excessieve hoeveelheden leislag heeft aangebracht en dat een deel daarvan in de goten en in de standleidingen is beland. Nu TIB [appellanten] deze behandeling had moeten ontraden, is de daardoor ontstane schade aan haar toe te rekenen.
Aan de stelling van TIB dat de noodzaak van vervanging van de goten niet is aangetoond gaat het hof voorbij, nu [appellanten] immers niet de kosten van vervanging van de goten vordert, maar slechts de kosten van reiniging en herstel daarvan.
vordert immers de kosten van de herstelwerkzaamheden volgens de kostenraming van Dakbestek van 10 september 2009, die is gebaseerd op het advies van Dakbestek op 5 augustus 2009:

De zinken goten grondig reinigen en vrijmaken van bitumen emulsie.

De zinken goten voorsmeren met een geëigende hecht primer.

In de zinken goten aanbrengen van een conserverende laag van zelfklevende EPDMfolie.

De standleidingen reinigen en waar nodig vernieuwen.

5.21

De grief in het incidenteel appel faalt.

5.22

Het slagen van grief 4 in het principaal appel en het falen van de grief in het incidenteel appel leidt ertoe dat grief 5 in het principaal appel, die is gericht tegen de compensatie van proceskosten in eerste aanleg, slaagt.

Slotsom

5.23

Het vonnis van de rechtbank Groningen van 15 september 2010 zal worden bekrachtigd behoudens voor zover daarbij de vordering tot vervangende schadevergoeding van de kosten van herstel van het dak is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd. Het hof zal het vonnis ten aanzien van het dictum onder 5.1 en 5.3 vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen als hieronder vermeld. TIB zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Deze worden aan de zijde van [appellanten] wat het salaris voor de advocaat betreft tot aan deze uitspraak in eerste aanleg begroot op € 1.182,- (3 pt tarief € 384,-), in principaal appel op € 1.264,-
(2 pt tarief € 632,-) en in incidenteel appel op € 316,- (1/2 pt tarief 632).

De beslissing


Het gerechtshof:


in het principaal en in het incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 15 september 2010 behoudens ten aanzien van het dictum onder 5.1 en 5.3;

doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt TIB om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 10.001,35 inclusief btw
(€ 1.713,- + € 8.288,35), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 15 oktober 2009 tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt TIB in de kosten van de procedure in eerste aanleg en begroot deze aan de zijde van [appellanten] tot aan deze uitspraak op € 316,07 aan verschotten en op € 1.182,- aan salaris voor de advocaat;

veroordeelt TIB voorts in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] in principaal appel op € 722,89 aan verschotten en op € 1.264,- aan salaris voor de advocaat en in incidenteel appel op nihil aan verschotten en op € 316,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. G. van Rijssen en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 juni 2016.