Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4696

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
200.129.352/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de tegenvordering niet eenvoudig is vast te stellen en dat daarom het bepaalde in artikel 6:136 BW aan het beroep op verrekening in de weg staat. Het hof onderschrijft dat oordeel en voegt hieraan toe dat ook indien het beroep op verrekening naar Duits recht dient te worden beoordeeld, tot hetzelfde oordeel wordt gekomen. In § 390 van het Bürgerliches Gesetzbuch wordt immers bepaald: "Eine Forderung, der eine Einrede entgegensteht, kann nicht aufgerechnet werden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.129.352/01

(zaaknummer rechtbank Assen 330332 / CV EXPL 11-5708)

arrest van 14 juni 2016

in de zaak van

[appellant]
wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.M. Jansen, kantoorhoudend te Roden,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [bedrijf]

wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] , Duitsland,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W. Schoo, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 1 februari 2012, 5 september 2012 en 19 december 2012 van de (toenmalige) rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 maart 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep, zoals geformuleerd in de memorie van grieven, luidt:

"(…) voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij arrest:

I. te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank Assen, sector Kanton, locatie

Emmen, van 5 september en 19 december 2012, gewezen onder zaak- en

rolnummer 330332 / CV EXPL 11-5708, waarvan beroep;

II. opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellant als gedaagde in eerste aanleg

alsnog toe te wijzen en de vorderingen van geïntimeerde als eiseres in eerste

aanleg alsnog af te wijzen;

III. geïntimeerde te veroordelen hetgeen door appellant reeds krachtens genoemd

vonnis aan haar is voldaan aan appellant terug te betalen, vermeerderd met

wettelijke rente vanaf de datum der betaling(en) tot die der algehele voldoening

IV. geïntimeerde te veroordelen In de kosten van het geding in beide instanties,

waaronder de deurwaarderkosten, het griffierecht en het salaris van de

gemachtigde en (proces)advocaat van appellant, te begroten volgens het

gebruikelijke standaard forfaitaire tarief;

V. geïntimeerde te veroordelen in het nasalaris (proces)advocaat zijdens appellant,

zijnde een bedrag van € 131,- zonder betekening en € 199,- betekening van

het arrest in dezen, standaard forfaitair bepaald, indien betaling binnen een

termijn van veertien dagen na aanschrijving niet is gevolgd."

3 De vaststaande feiten

3.1

Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast.

3.2

[geïntimeerde] exploiteert een makelaarskantoor in [woonplaats] en heeft, vertegenwoordigd

door haar echtgenoot, de heer [echtgenoot geintimeerde] , diensten verleend aan [appellant] . Daarvoor heeft zij op 11 mei 2009 twee facturen aan gedaagde gezonden voor een totaalbedrag van

€ 18.900,-.

3.3

De eerste factuur heeft betrekking op provisie die [geïntimeerde] aan [appellant] in rekening heeft gebracht als vergoeding voor haar bemiddeling bij de aankoop van een woning te [plaats] door [appellant] voor een koopprijs van € 250.000,-. De provisie bedraagt 4% over de koopsom, derhalve een bedrag van € 10.000,-. Vermeerderd met Mehrwertsteuer van 19% bedraagt de factuur € 11.900,-. Deze woning in [plaats] heeft [appellant] op 18 december 2008 gekocht van mevrouw [X] , zoals [appellant] met grief 4 heeft aangevoerd en door [geïntimeerde] als juist is erkend. [appellant] is sinds 13 mei 2009 eigenaar van de woning in [plaats] .

3.4

De tweede factuur heeft tot een bedrag van € 5.000,- betrekking op de provisie die [geïntimeerde] aan [appellant] in rekening brengt als vergoeding voor haar bemiddeling bij de aankoop van een woning te [plaats] en tot een bedrag van € 2.000,- op provisie voor het verzorgen van een financiering.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en, na eisvermeerdering, gevorderd betaling van een hoofdsom van € 17.000,-, vermeerderd met rente (naar Duits recht) ad € 2.953,60 en advocaatkosten ad € 807,70. Zij heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] de onder 3.2 genoemde facturen onbetaald heeft gelaten. Zij vordert echter niet de volledige hoofdsom maar ‘slechts’ € 17.000,- omdat volgens haar partijen bij nadere overeenkomst van

14 november 2010 deze lagere hoofdsom zou zijn overeengekomen, te betalen uiterlijk op

30 juni 2011.

4.2

[appellant] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 17.707,70 (hoofdsom van € 16.900,- plus advocaatkosten ad € 807,70) vermeerderd met de Duitse wettelijke handelsrente over genoemd bedrag van € 16.900,- vanaf 7 november 2011 tot de dag van volledige betaling.

5 Internationale rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1

[geïntimeerde] woont (en drijft haar onderneming) in Duitsland. Aldus heeft de zaak een internationaal aspect en dient het hof ambtshalve te onderzoeken en de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter in deze internationale rechtsmacht heeft. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. De vordering valt onder het formele en materiële toepassingsbereik van de EEX-Verordening nr. 44/2001, Pb EG L 12/2001 (Brussel I). Nu de oorspronkelijke gedaagde in Nederland woonachtig is, heeft de Nederlandse rechter internationale rechtsmacht op grond van de hoofdregel van artikel 2 van de verordening. Tussen partijen is niet in geschil dat op hun rechtsverhouding Duits recht van toepassing is, zoals door de kantonrechter is vastgesteld.

6 De beoordeling van de grieven en de vorderingen

6.1

Tegen het vonnis van 1 februari 2012 zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hoger beroep in zoverre zal worden verworpen.

6.2

Grief 1 houdt in dat de kantonrechter in r.o. 3.1 van het vonnis van 5 september 2012 en in r.o. 3 van het vonnis van 19 december 2012 ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde] , na vermeerdering van eis, € 21.601,30 bedraagt. Dit moet zijn:

€ 20.761,30. Op zichzelf heeft [appellant] hierin gelijk, zoals [geïntimeerde] heeft beaamd. Tot vernietiging van de bestreden vonnissen kan die vaststelling evenwel niet leiden, nu de kantonrechter minder heeft toegewezen dan het correcte bedrag van de vordering.

6.3

Grief 2 houdt in dat de kantonrechter in r.o. 2 sub a en b van het vonnis van

5 september 2012 en in r.o. 2 van het vonnis van 19 december 2012 ten onrechte heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] op 11 mei 2009 facturen voor verleende diensten aan [appellant] heeft gezonden en dat hij deze niet heeft voldaan. Deze grief valt in drie onderdelen uiteen.

6.4 (

(i) Voor zover met deze grief wordt bedoeld de verzending dan wel de ontvangst van bedoelde facturen te betwisten, wordt dit in de toelichting op de grief niet toegelicht. Dit had wel van [appellant] mogen worden verwacht nu in het door hem gestelde sub 11 van de conclusie van antwoord ligt besloten dat hij deze facturen wel heeft ontvangen. In zoverre faalt de grief dan ook.

6.5 (

(ii) [appellant] betwist van de factuur ad € 7.000,- de verschuldigdheid van het in rekening gebrachte bedrag van € 2.000,- . Nu echter dit bedrag door de kantonrechter ook niet is toegewezen (zie r.o. 4.2 en 4.3 van het vonnis van 19 december 2012) heeft [appellant] in zoverre geen belang bij de grief.

6.6 (

(iii) [appellant] handhaaft zijn in eerste aanleg gevoerde verweer dat hij tot een bedrag van € 6.650,- aan [geïntimeerde] heeft betaald doordat [geïntimeerde] van de huurder van de woning te [plaats] tot in totaal genoemd bedrag aan huurbetalingen heeft geïnd, welke huur aan [appellant] toekomt, maar niet aan hem is afgedragen en ook anderszins niet aan hem ten goede is gekomen.

6.7

De grief leent zich in zoverre voor gezamenlijke bespreking met grief 5. Aldaar wordt aangevoerd dat genoemd bedrag hetzij als betaling heeft te gelden, hetzij bij wijze van verrekening op de vordering van [geïntimeerde] in mindering dient te strekken. Voorts wordt aldaar betoogd dat het blijkens onderdeel 3 van de akte uitlating producties van [geïntimeerde] gaat om een bedrag van € 7.250,- in plaats van € 6.650,-.

6.8

Tussen partijen staat in dit verband vast dat de heer [geïntimeerde] , echtgenoot van [geïntimeerde] , bij de huurder van de woning in [plaats] contant een aantal huurtermijnen heeft geïnd. Volgens [appellant] kwamen deze bedragen aan hem toe en heeft de heer [geïntimeerde] die bedragen zonder rechtsgrond of volmacht geïnd en niet aan hem afgedragen noch aan hem ten goede laten komen. Het hof begrijpt dat [appellant] er daarbij van uitgaat dat de heer [geïntimeerde] in naam van [geïntimeerde] heeft gehandeld, althans dat het handelen van de heer [geïntimeerde] aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. [geïntimeerde] bestrijdt dit laatste. Zij stelt dat er een afzonderlijke rechtsbetrekking bestond tussen haar echtgenoot en [appellant] die ertoe strekte dat de heer [geïntimeerde] als ‘Verwalter’ van [appellant] in Duitsland optrad. Voorts stelt zij dat de door de heer [geïntimeerde] geinde bedragen deels niet toekwamen aan [appellant] maar aan de vorige eigenaar van de woning, mevrouw [X] , en deels wel ten goede zijn gekomen aan [appellant] .

6.9

Het hof stelt voorop dat, indien het door [appellant] gestelde al juist zou zijn, niet valt in te zien hoe die stellingen (naar Duits recht) tot de conclusie kunnen leiden dat de door de heer [geïntimeerde] geinde en niet afgedragen bedragen kunnen gelden als betaling door [appellant] op de schuld die hij aan [geïntimeerde] heeft uit hoofde van de onderhavige facturen. [appellant] heeft zijn stellingen in zoverre niet onderbouwd.

6.10

Wat betreft het beroep op verrekening overweegt het hof als volgt. [appellant] houdt [geïntimeerde] aansprakelijk voor het feit dat hij schade heeft geleden doordat de heer [geïntimeerde] zonder rechtsgrond huurtermijnen heeft geïncasseerd die toekwamen aan [appellant] en deze niet aan [appellant] heeft afgedragen, waardoor [appellant] deze huurtermijnen niet zelf meer op de huurster kon verhalen. [geïntimeerde] heeft deze tegenvordering van [appellant] gemotiveerd betwist: zie hiervoor onder 6.8. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de tegenvordering niet eenvoudig is vast te stellen en dat daarom het bepaalde in artikel 6:136 BW aan het beroep op verrekening in de weg staat. Het hof onderschrijft dat oordeel en voegt hieraan toe dat ook indien het beroep op verrekening naar Duits recht dient te worden beoordeeld, tot hetzelfde oordeel wordt gekomen. In § 390 van het Bürgerliches Gesetzbuch wordt immers bepaald: "Eine Forderung, der eine Einrede entgegensteht, kann nicht aufgerechnet werden".

Daarmee falen het derde onderdeel van grief 2 en grief 5.

6.11

Met grief 3 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat hij ter zake van de bemiddeling bij de aankoop van de woning te [plaats] heeft erkend dat een prijs is overeengekomen van € 5.000,-. Het hof stelt vast dat [appellant] dit bedrag inderdaad niet heeft erkend. Echter, hij heeft deze prijsafspraak (in eerste aanleg en in hoger beroep) ook niet betwist, althans niet gemotiveerd door aan te geven welke prijs partijen dan wel zijn overeengekomen of door te stellen dat partijen helemaal geen prijsafspraak hebben gemaakt. [appellant] heeft zich wat betreft de onderhavige factuur steeds beperkt tot de betwisting van het bedrag van € 2.000,-. Daarmee faalt de grief.

6.12

Grief 4 is reeds besproken onder 3.3.

7 De slotsom.

De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 683,- aan verschotten en wat betreft het te liquideren salaris van de advocaat overeenkomstig 1 punt in tarief I

De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het hoger beroep tegen het vonnis van 1 februari 2012 van de (toenmalige) rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen;

bekrachtigt, met verbetering van gronden, de vonnissen van 5 september 2012 en

19 december 2012 van de (toenmalige) rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 683,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. O.E. Mulder en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

14 juni 2016.