Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4627

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
200.176.838/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. onvoldoende onderbouwing behoeftigheid. Terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.176.838/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen: -148733)

beschikking van 7 juni 2016

inzake

[verzoeker] ,
wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal appel,
verweerder in het incidenteel appel,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S.C. Koolmees te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G.L. van der Heide-Brink te Drachten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 7 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 14 september 2015;
- het verweerschrift teven incidenteel hoger beroep met productie(s);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);
- een journaalbericht met bijlagen van mr. Koolmees van 5 november 2015;
- een journaalbericht met bijlagen van mr. Koolmees van 4 februari 2016;
- een journaalbericht met bijlagen van mr. Van der Heide-Brink van 8 februari 2016.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2016 plaatsgevonden waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen. De advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het [in] 1986 gesloten huwelijk tussen partijen zijn geboren [in] 1995 [C] (verder te noemen: [C] ) en [in] 1997 [D] (verder te noemen: [D] ).

3.2

Bij beschikking van 25 juli 2007 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 26 juli 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk van partijen is geëindigd.

3.3

In de echtscheidingsbeschikking is het tussen partijen op 18 juni 2007 gesloten convenant opgenomen, waarin partijen onder meer zijn overeengekomen dat de man per datum echtscheiding aan de vrouw een partneralimentatie dient te voldoen van € 750,- per maand, dat eigen inkomen van de vrouw tot maximaal € 1.500,- bruto per maand daarop niet in mindering zal worden gebracht en dat het netto meerdere voor de helft in mindering wordt gebracht op de partneralimentatie. In het echtscheidingsconvenant is voorts verwezen naar het daaraan gehecht co-ouderschapsplan, waarin partijen onder meer zijn overeengekomen dat de man per datum echtscheiding een bedrag van € 375,85 per maand kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen voor [C] en [D] , naast andere in dat plan genoemde uitgaven voor hen betreffende sport, hobbyclubs, schoolkosten, aanvullende ziektekosten en spaarbijdragen.

3.4

De man is [in] 2012 gehuwd met [E] . Uit het huwelijk van de man en [E] is [in] 2012 geboren [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ) en [in] 2014 [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ). De man heeft voorts ter zitting medegedeeld dat hij en [E] in juli 2016 hun derde kindje verwachten.

3.5

De man heeft op 4 juni 2014 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank waarin hij verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2007 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant van 18 juni 2007 aldus te wijzigen dat de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op nihil wordt gesteld, althans wordt verlaagd tot een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de man inmiddels ook onderhoudsplichtig is voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naast zijn geldende onderhoudsverplichting voor [C] en [D] .

3.6

De vrouw heeft op 16 september 2014 een verweerschrift ingediend waarin zij verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man af te wijzen. Voorts heeft de vrouw daarbij het zelfstandig verzoek gedaan aan de rechtbank om met wijziging van de overeenkomst van 18 juni 2007, de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van de dagtekening van het zelfstandig verzoek te bepalen op € 2.000,- bruto per maand, althans op een hogere partneralimentatie dan destijds is overeengekomen, telkens bij vooruitbetaling en met veroordeling van de man in de kosten van de tenuitvoerlegging van de uitspraak.

3.7

De man heeft een verweerschrift ingediend met betrekking tot het zelfstandig verzoek van de vrouw en daarin geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw dan wel afwijzing van dat zelfstandig verzoek.

3.8

In de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot nihilstelling dan wel verlaging van de in de beschikking en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant overeengekomen partneralimentatie afgewezen. Tevens is het (zelfstandig) verzoek van de vrouw tot verhoging van die partneralimentatie tot € 2.000,- bruto per maand afgewezen, een en ander met compensatie van de proceskosten.

4. De omvang van het geding

4.1

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking. De grieven zien op de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij zijn verzoek in eerste aanleg is afgewezen en alsnog zijn verzoek in eerste aanleg toe te wijzen door de partneralimentatie op nihil te stellen dan wel te verlagen met ingang van de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift.

4.2

De vrouw is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gesteld of gebleken dat de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen partneralimentatie in een duidelijke wanverhouding staat tot wat op basis van de wettelijke maatstaven zou moeten en kunnen worden betaald. De vrouw verzoekt het hof om het verzoek van de man in principaal appèl af te wijzen en in incidenteel appèl verzoekt de vrouw om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij haar zelfstandig verzoek om wijziging van de meergenoemde overeenkomst en verhoging van de partneralimentatie tot € 2.000,- bruto per maand is afgewezen. De vrouw verzoekt het hof dat verzoek alsnog toe te wijzen, primair met ingang van 18 juni 2007, subsidiair met ingang van 15 september 2014.

4.3

De man heeft daarop het verzoek van de vrouw in incidenteel appèl bestreden en het hof verzocht om dat af te wijzen.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw

5.1

Het (zelfstandig) verzoek van de vrouw is gebaseerd op de stelling dat de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen partneralimentatie zoals opgenomen de echtscheidingsbeschikking is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.2

Op grond van voormeld artikel kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd indien die is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hiermee wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de partnerbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Dit betreft gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

5.3

In het geval partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven geldt volgens vaste rechtspraak (naar analogie van artikel 1:159 lid 3 BW) dat de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud zal mogen overgaan, indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Dit brengt mee dat hij bij een eventuele wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en eventuele door partijen getroffen regelingen van andere aard. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal de rechter zowel bij zijn oordeel of aan de voorwaarden voor wijziging is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten.

5.4

De vrouw heeft in het onderhavige geval gesteld dat partijen onopzettelijk zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven ten tijde van het echtscheidingsconvenant en wel zodanig dat sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen wat partijen zijn overeengekomen en wat de rechter zou hebben vastgesteld. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw met name gewezen op de door de man bij het inleidend verzoekschrift overgelegde draagkrachtberekening (productie 3) waaruit zou blijken dat de man (ten tijde van de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant in 2007) een voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte had van € 3.743,- bruto per maand. Het verschil tussen de overeengekomen partneralimentatie van € 750,- bruto per maand en de draagkrachtruimte van de man in 2007 is derhalve € 2.993,- bruto per maand. De wanverhouding is daarom evident, volgens de vrouw.

5.5

De man heeft betwist dat uit de desbetreffende door de man in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening blijkt dat hij in 2007 een draagkracht had van € 3.743,- bruto per maand. De man wijst erop dat die berekening alleen een berekening van het netto besteedbaar inkomen behelst en dat daarin geen rekening is gehouden met zijn lasten. Van een duidelijke wanverhouding tussen hetgeen partijen voor ogen hadden en wat een rechter destijds zou hebben opgelegd aan partneralimentatie is daarom volgens de man geen sprake. Het bedrag van € 750,- per maand is volgens de man destijds bewust afgesproken en was volgens de man destijds een onderdeel van een meeromvattend geheel van afspraken. Partijen zijn volgens de man bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven.

5.6

Het hof stelt voorop dat van bewuste afwijking alleen kan worden gesproken indien partijen ervoor hebben gekozen om van de wettelijke maatstaven af te wijken en de gevolgen daarvan te accepteren en voorts dat zij die keuze hebben gemaakt op basis van een juist inzicht in de betekenis van de wettelijke maatstaven en op basis van juiste en volledige gegevens. Daarbij is van belang wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond. In het onderhavige geval staat vast dat partijen zich bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant hebben laten bijstaan door professionals. De vrouw heeft weliswaar bestreden dat de adviseur die haar bijstond, [F] , een financieel adviseur is, maar uit de nadien door de man overgelegde uitdraai van een webpagina van het kantoor blijkt het tegendeel, hetgeen door de vrouw niet meer is weersproken. De man heeft voorts toegelicht dat het overeengekomen bedrag van € 750,- bruto per maand destijds bewust is vastgesteld als onderdeel van een groter pakket van regelingen, waartoe onder meer ook afspraken behoren over de verdeling van de kosten van de kinderen en de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de vrouw, ondanks het feit dat partijen een co-ouderschap hadden, de volledige kinderbijslag zou ontvangen en de man naast de afgesproken kinderalimentatie alle kosten van de kinderen voor zijn rekening zou nemen, zoals schoolkosten en de kosten van sport. Deze toelichting van de man strookt met wat in het ouderschapsplan is vastgelegd (zie r.o. 3.3) en is door de vrouw onvoldoende weersproken. Ten slotte heeft de vrouw ter zitting erkend het bedrag aan partneralimentatie te hebben aanvaard, hoewel zij dat te laag vond. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat partijen destijds bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven op het punt van de partneralimentatie. De vrouw heeft geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel nopen dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de man, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

5.7

Het hof concludeert dat de beslissing van de rechtbank om het (zelfstandig) verzoek van de vrouw tot verhoging van de partneralimentatie af te wijzen, in hoger beroep stand houdt.
Ten aanzien van het verzoek van de man

5.8

Niet in geschil is dat door de gewijzigde gezinssituatie van de man sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. Echter wanneer partijen in hun echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, kan de rechter de alimentatie slechts wijzigen indien vanwege gewijzigde omstandigheden ongewijzigde instandhouding daarvan niet kan worden gevergd. Deze inbreuk op de wijzigingsbevoegdheid van art. 1:401 lid 1 BW strekt niet verder dan ingevolge de afspraken tussen partijen gerechtvaardigd is.
* de behoefte en behoeftigheid van de vrouw

5.9

In het echtscheidingsconvenant is uitgangspunt geweest dat eigen inkomsten van de vrouw geen invloed hebben op de destijds overeengekomen bruto partneralimentatie van
€ 750,- per maand, voor zover die eigen inkomsten van de vrouw niet het bedrag van
€ 1.500,- bruto per maand te boven gaan. Voor zover de eigen inkomsten van de vrouw voormeld bedrag te boven gaan, wordt de helft van het netto meerdere in mindering gebracht op de partneralimentatie.

5.10

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de behoefte van de vrouw becijferd op € 2.643,28. Bij de vaststelling van de behoefte is de rechtbank uitgegaan van de hofnorm, zijnde 60% van het netto gezinsinkomen van partijen (van € 5.058,- per maand in 2007) verminderd met de kosten van de kinderen (€ 1.190,- per maand) en dat geïndexeerd naar 2014. Tegen de aldus vastgestelde behoefte is geen specifieke grief gericht zodat het hof ook van deze behoefte zal uitgaan.

5.11

Voor de bepaling van de behoeftigheid dient ingevolge het echtscheidingsconvenant rekening te worden gehouden met de eigen inkomsten van de vrouw zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.9. De rechtbank heeft de eigen inkomsten van de vrouw in de bestreden beschikking becijferd op € 814,- netto per maand, uitgaande van de in eerste aanleg beschikbare (jaar)stukken (2014) en vervolgens de aanvullende behoefte c.q. behoeftigheid van de vrouw bepaald op € 1.829,28 netto per maand (€ 2.643,28 minus € 814,-). Daaruit heeft de rechtbank, na bespreking van de draagkracht van de man, geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat de overeengekomen partneralimentatie te verlagen.

5.12

De man heeft gesteld dat de vrouw informatie achterhoudt en al jaren een veel hoger inkomen heeft dan dat zij zegt te genereren. Deze grief van de man slaagt omdat het hof van oordeel is dat de vrouw haar financiële situatie onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en het hof met name – anders dan de rechtbank – in het door de man overgelegde materiaal meer dan voldoende aanwijzingen ziet dat de vrouw (veel) meer inkomsten heeft dan zij beweert. Uit de door de man ingebrachte onderzoeksrapport van [G] Groep van medio 2013 kan worden afgeleid dat de vrouw niet incidenteel, zoals haar stelling luidt, maar met grote regelmaat naast haar (honden)trimsalon (contante) inkomsten heeft uit een hondenpension, wat bevestigd wordt door de overgelegde foto’s van de kennels, de agenda en de stapels contant geld (in coupures van € 50,-), alsmede de verklaringen van de kinderen van partijen. Het hof volgt de man in zijn stelling dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de jaarstukken (2014) die de vrouw heeft overgelegd. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat al haar (contante) inkomsten uit hondenopvang in de boekhouding zijn verwerkt, maar dat valt moeilijk te rijmen met de grote hoeveelheid contant geld die bij haar is aangetroffen. Bovendien zijn de kosten die daarmee gepaard zijn gegaan niet in de boekhouding van de vrouw terug te vinden, terwijl haar stelling dat zij in het geheel geen kosten maakt zonder nadere onderbouwing ongeloofwaardig voorkomt. Ten slotte zijn de verklaringen die de vrouw gedurende de procedure heeft afgelegd over het contante geld tegenstrijdig en heeft zij de vraagtekens die het oproept allerminst opgehelderd.

5.13

Bij gebreke aan inzicht in de inkomsten van de vrouw is het hof van oordeel dat de vrouw haar behoeftigheid onvoldoende heeft onderbouwd. Op grond daarvan zal het hof de partneralimentatie met ingang van 4 juni 2014, zijnde de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift door de man, op nihil bepalen. Aan bespreking van de draagkracht van de man komt het hof dus niet toe.

Terugbetaling
5.14 Het voorgaande betekent dat de man mogelijk te veel alimentatie aan de vrouw heeft betaald. Nu de vrouw geen inzicht heeft gegeven in haar inkomsten en haar vermogenssituatie ziet het hof geen aanleiding te bepalen dat zij het eventueel te veel door haar ontvangen bedrag aan partneralimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen. Gesteld noch gebleken is dat zij niet in staat is om dat bedrag terug te betalen.

6 De slotsom

6.1

Al wat hiervóór is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het gerechtshof:


vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 7 juli 2015 waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank van 25 juli 2007 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant van 18 juni 2007in die zin dat de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud met ingang van 4 juni 2014 op nihil wordt bepaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, M.P. den Hollander en E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016 in bijzijn van de griffier.