Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4581

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
200.182.590
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging geslachtsnaam. Toepasselijkheid Marokkaans recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.182.590

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 383415)

beschikking van 9 juni 2016

inzake

[verzoeker] , verder te noemen: de man,

en

[verzoekster], verder te noemen: de vrouw,

beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk ook te noemen: de ouders,

advocaat: mr. H.K. Jap-A-Joe te Utrecht,

en

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amersfoort,

gevestigd te Amersfoort,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand,

advocaat: mr. M. Knoops te Amersfoort.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 maart 2015 en 17 september 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 17 december 2015;

- het verweerschrift, ingekomen op 28 januari 2016.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 31 maart 2016 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat en vergezeld van de tolk [A]. Namens de ambtenaar van de burgerlijke stand is [B] verschenen, bijgestaan door mr. Knoops.

3 De vaststaande feiten

3.1

Op [geboortedatum] 2013 is te [geboorteplaats] uit de vrouw [kind] (verder te noemen: [kind]) geboren. De man heeft [kind] op 16 mei 2013 als ongeboren vrucht erkend. De man en de vrouw zijn op 4 maart 2014 te [plaats] in Marokko met elkaar gehuwd. Zij hebben sinds 27 augustus 2014 gezamenlijk het gezag over [kind]. De man, de vrouw en [kind] hebben de Marokkaanse nationaliteit.

3.2

Op 4 april 2014 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amersfoort het verzoek van de man om de geboorteakte van [kind] te wijzigen, in die zin dat de geslachtsnaam van [kind] wordt gewijzigd in “[achternaam vader]” afgewezen.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen op 19 december 2014 bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, hebben de ouders verzocht de geboorteakte van [kind] te wijzigen in die zin, dat als geslachtsnaam wordt vermeld “[achternaam vader]” in plaats van “[achternaam moeder]”.

3.4

Bij beschikking van 11 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat op de vaststelling van de geslachtsnaam van [kind], die uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit bezit, het Marokkaanse recht toepasselijk is, naar welk recht erkenning van het kind noch wettiging van het kind door huwelijk mogelijk is. De rechtbank heeft de beslissing aangehouden en de man en de vrouw in de gelegenheid gesteld om hun stelling dat sprake is van feiten en omstandigheden die het verzochte niettemin zouden kunnen rechtvaardigen. Zij dienden daarbij met name, maar niet uitsluitend, stukken over te leggen, waaruit blijkt dat de Marokkaanse ambassade in Nederland, dan wel een andere daartoe bevoegde autoriteit, weigert een op naam van [kind] gesteld paspoort (of identiteitskaart) af te geven, en dat de ziektekostenverzekeraar [kind] uit de verzekering heeft geschreven vanwege het ontbreken van een legitimatiebewijs.

3.5

In de bestreden beschikking van 17 september 2015 heeft de rechtbank het verzoek van de man en de vrouw afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die wijziging van de geslachtsnaam van [kind]

zonder wettelijke grondslag zouden rechtvaardigen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de ouders hun stelling dat [kind] geen geldige verblijfstitel kan krijgen omdat zij geen (Marokkaans) paspoort heeft, zodat zij geen zorgverzekering kan krijgen en niet op een school kan worden ingeschreven, niet, althans onvoldoende, met stukken hebben onderbouwd.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man en de vrouw zijn in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 september 2015. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het oorspronkelijk verzoek alsnog toe te wijzen.

4.2

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft het hof verzocht een beslissing in het belang van [kind] te nemen dan wel het verzoek van de man en de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van het eerste lid van artikel 10:19 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden de geslachtsnaam en de voornamen van een vreemdeling bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. Onder recht zijn mede begrepen de regels van internationaal privaatrecht. Uitsluitend voor de vaststelling van de geslachtsnaam en de voornamen worden de omstandigheden waarvan deze afhangen beoordeeld naar dat recht.

5.2

Het hof oordeelt als volgt. [kind] heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij is op 16 mei 2014 als ongeboren vrucht naar Nederlands recht (in de gemeente [woonplaats]) door de man erkend. De ouders zijn op 4 maart 2014 te [plaats] in Marokko met elkaar gehuwd. Op grond van het bepaalde in artikel 10:19 BW worden de geslachtsnaam en de voornamen van [kind] bepaald door het Marokkaans recht. Het Marokkaans recht kent echter niet de rechtsfiguren van erkenning of wettiging door huwelijk. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan derhalve, gelet op het Marokkaans recht, de geslachtsnaam van [kind] niet wijzigen van “[achternaam moeder]” in “[achternaam vader]”. Naar het oordeel van het hof hebben de man en de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [kind] geen geldige verblijfstitel kan krijgen omdat zij geen Marokkaans paspoort heeft, dat zij geen zorgverzekering kan krijgen en dat zij niet op een school kan worden ingeschreven. Op grond van het voorgaande kan het verzoek van de ouders niet worden toegewezen.

5.3

Het hof is van oordeel dat de door mr. Jap-A-Joe getrokken vergelijking met de uitspraak van het hof ‘s-Hertogenbosch van 25 april 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8650) hier niet opgaat. Het hof ’s-Hertogenbosch stelde in die beslissing het Marokkaanse recht terzijde en paste het Nederlandse recht toe, aangezien van het gezin van die ouders een ouder kind deel uitmaakte dat wel de geslachtsnaam van de vader droeg. Het hof oordeelde in dat specifieke geval dat het naamrecht onder het begrip privé- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM valt en dat, gelet op de door die ouders gewenste eenheid van naam binnen hun gezin, ook het jongste kind net als het oudere kind de geslachtsnaam van de vader diende te krijgen. In het onderhavige geval is [kind] echter het enige kind van de man en de vrouw.

5.4

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaard dat in artikel 156 van de Marokkaanse familiewet Muduwana (MUD), die in 2004 is herzien, wellicht een mogelijkheid kan worden gevonden waardoor [kind] alsnog de naam van de vader zou kunnen krijgen. Daarvoor is een erkenning in Marokko nodig, waartoe de ouders ten overstaan van een rechter dienen te verklaren dat zij (ten tijde van de geboorte van [kind]) met elkaar waren verloofd en dat hun wederzijdse ouders daarmee instemden. Nu die mogelijkheid nog onvoldoende feitelijk is toegelicht en onderzocht, ziet het hof thans onvoldoende grond voor toewijzing van het verzoek van de ouders.

5.5

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, treft het hoger beroep geen doel. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

17 september 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, A. Smeeïng-van Hees en J.B. de Groot, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer en op 9 juni 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.