Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4479

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.158.290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; uitgifte door golfclub van participaties; geen geldlening maar kapitaalsdeelneming; overdraagbaarheid en mogelijkheid deze te gelde te maken; geen vermoeden dat golfvereniging bij de uitgifte van de participaties een handelspraktijk zou hebben verricht die oneerlijk is, zodat geen aanleiding bestaat voor ambtshalve onderzoek naar de betekenis van de Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.158.290

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, kantonrechter, 2366294)

arrest van 7 juni 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. R.V.H. Jonker,

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

Vereniging Old Course Loenen,

gevestigd te Loenen aan de Vecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: OCL,

advocaat: mr. J.W. Stam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 9 december 2013 (comparitievonnis) en 14 juli 2014 (eindvonnis) die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 november 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie d.d. 6 april 2016.

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

[appellante] is sedert 1990 spelend lid van de golfvereniging Amsterdam Old Course (verder: AOC). Omdat de verlenging van de huurovereenkomst van AOC en daarmee haar toekomst niet was verzekerd, heeft een aantal van haar leden in 2006/2007 het initiatief genomen tot oprichting van OCL. In een extra editie van het verenigingsblad van AOC van april 2007 zijn de oprichting van OCL en de mogelijkheid tot participatie daarin beschreven (productie 2 bij conclusie van antwoord). Op 16 april 2007 (zie voor de notulen productie 1 bij conclusie van antwoord), 7 mei 2007 en op 30 mei 2007 (zie voor de notulen productie 4 bij conclusie van antwoord) was de oprichting van OCL onderwerp van de algemene ledenvergadering van AOC. [appellante] is in ieder geval aanwezig geweest bij de algemene ledenvergaderingen van 7 mei 2007 en 30 mei 2007.

2.2

OCL is bij notariële akte van 9 juli 2007 opgericht (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Zij heeft overeenkomstig haar statutaire doelstelling een golfterrein met accommodatie in gebruik verkregen waarop onder andere evenementen en wedstrijden op het gebied van de golfsport worden georganiseerd. Op grond van artikel 4 lid 1 van haar statuten van die datum heeft OCL a. gewone leden en ereleden, alle leden in de zin van de wet, en b. buitenleden, juniorleden, jeugdleden, sociëteitsleden, bedrijfsleden en leden van verdienste, die geen van alle leden zijn in de zin van de wet. Volgens artikel 6 lid 3 van de statuten zijn gewone leden, buitenleden, juniorleden en jeugdleden gehouden bij het verkrijgen van het lidmaatschap een participatie te nemen, zoals nader geregeld in het huishoudelijk reglement.

2.3

In 2007 was het binnen de golfwereld zeer gebruikelijk dat participaties werden uitgegeven. Vrijwel iedere golfvereniging werkte met participaties en kende een soortgelijk systeem als dat van OCL. In die tijd werkten de golfverenigingen vanwege de grote vraag (nog) met wachtlijsten.

2.4

Bij brief van 7 augustus 2007 (productie 2 bij inleidende dagvaarding en 5 bij conclusie van antwoord) heeft AOC de hierna te bespreken Intentieverklaring aan haar leden, onder wie [appellante] , toegezonden en bericht:

“(…)

-Het benodigde startbedrag, te weten de fee van de initiatiefnemers inclusief het aanleggen van de baan en het in opdracht te bouwen clubhuis, wordt begroot op € 6.000.000.

-De financiering van dit bedrag wordt gevormd door enerzijds speelrechten van de leden, anderzijds een aanvullende lening. Met de Rabobank Hilversum-Vecht en Plassen is overeenstemming bereikt voor voorfinanciering en financiering van het, na verkoop van de speelrechten, resterende bedrag.

(…)

-Zoals u in het bijgevoegde antwoordformulier kunt lezen zijn de initiële kosten voor het speelrecht voor (uitsluitend) leden van AOC, die zich voor 1 oktober inschrijven en voor 15 november 2007 het bedrag overmaken: € 8.000,-. Dit bedrag staat los van de jaarlijks te heffen contributie. Het speelrecht is op naam gesteld en slechts overdraagbaar met toestemming van OCL.

De waarde van dit speelrecht wordt jaarlijks bepaald waarbij mede de geldontwaarding in acht wordt genomen.

(…)

- Als extra stimulans voor de vroege AOC-beslissers die € 8.000 hebben betaald voor 15 november 2007 zal bij beëindiging van hun OCL-lidmaatschap, mits zij het speelrecht minimaal vijf jaar bezaten, een winstdeel worden uitgekeerd gelijk aan de helft van het verschil tussen de oorspronkelijke waarde en de actuele waarde van het speelrecht voor een nieuw toetredend lid.

- (…) Wenst u geen gebruik te maken van het door u verworven speelrecht en kiest u voor het sociëteitslidmaatschap, dan bedraagt uw jaarlijkse contributie slechts € 150 (…). U kunt dan geen gebruik maken van uw speelrecht en OCL zal in dat geval een extra speelrecht uitgeven. U kunt in de toekomst uw sociëteitslidmaatschap omzetten naar een gewoon lidmaatschap en dus gebruik gaan maken van uw speelrecht wanneer er ruimte is voor nieuwe leden. U kunt in dat geval aanspraak maken op een voorkeursbehandeling.

- De speelrechten, of (nog) niet benutte speelrechten van sociëteitsleden zijn in de eerste lijn zonder tussenkomst van de vereniging overdraagbaar. (…)”.

2.5

Op 12 september 2007 heeft [appellante] de voorgedrukte Intentieverklaring lidmaatschap Old Course Loenen ondertekend (productie 1 bij inleidende dagvaarding en productie A bij akte van OCL van 3 maart 2014) en vervolgens geretourneerd met onder meer de volgende inhoud:

“( ) Ja, ik word/wij worden gewoon spelend lid van Old Course Loenen

*( ) Ja, ik word/wij worden sociëteitslid van Old Course Loenen en zullen dus bij opening van de baan geen gebruik maken van het speelrecht.

Stuur mij/ons een factuur voor 1 participatie (…) van ieder € 8.000,- = € 8.000 (…)

(…)

Tarieven & details

(…)
- Vanaf het moment dat de baan opengaat, is een contributiebedrag voor gewone leden verschuldigd van ongeveer € 1.000,- per kalenderjaar. (…) Voor sociëteitsleden is het contributiebedrag vanaf het moment dat de baan open gaat € 150,- (…)

- De eerste 500 leden van de Old Course Loenen worden vrijgesteld van entreegeld.

- De actuele waarde van het speelrecht wordt jaarlijks bepaald waarbij de geldontwaarding mede in acht wordt genomen

Bij opzegging van het lidmaatschap na minimaal vijf jaren, indien en op het moment dat de vereniging het speelrecht over kan doen aan een nieuw aan te nemen lid, krijgt het uittredend lid het betaalde bedrag van € 8.000 terug en bovendien de helft van het verschil tussen genoemd bedrag van € 8.000 en het bedrag dat het nieuw toetredende lid heeft betaald voor het speelrecht. (…)

*(door [appellante] bijgeschreven, hof:) Zolang AOC open blijft wil ik voorlopig sociëteitslid worden!”

2.6

Bij brief van 31 oktober 2007 (productie B bij akte van OCL van 3 maart 2014) heeft OCL € 8.000 voor “de verplichtingen voor de participatie voor de vereniging Old Course Loenen” in rekening gebracht met vermelding dat bij gebreke van tijdige betaling het aan de participatie verbonden financiële voordeel zou vervallen en een verhoging zou optreden van € 2.000. [appellante] heeft op 9 november 2007 € 8.000 betaald onder vermelding van het factuur- en debiteurennummer.

2.7

Artikel 11 van het op 10 juni 2009 vastgestelde huishoudelijk reglement (productie D bij akte van OCL van 3 maart 2014) bepaalt over participaties onder meer:

“3 Bij beëindiging van het lidmaatschap wordt ten minste de oorspronkelijk betaalde participatie terug betaald aan de participatiehouder wanneer er in plaats van het lid een nieuw lid wordt aangenomen in zijn of haar categorie.

4 Bij beëindiging van het lidmaatschap wordt de participatie tegen ten minste de uitgifteprijs van € 12.000 aan de participatiehouder terugbetaald, indien en voorzover dit naar het oordeel van het bestuur overeenkomt met de vermogenspositie van de vereniging. Indien de vermogenspositie van de vereniging volledige terugbetaling van de participatie niet toelaat, zal het bestuur vaststellen welk gedeelte van de uitgifteprijs bij beëindiging wordt terugbetaald. Voor het ontbrekende gedeelte houdt de betrokkene een renteloze vordering op de vereniging die bij de vereffening van de vereniging zal worden voldaan indien en voor zover een batig saldo resteert.”

2.8

Toen in 2010 bekend werd dat AOC haar golfterrein kon blijven huren, heeft [appellante] haar sociëteitslidmaatschap opgezegd tegen 31 december 2010; zij heeft voorts OCL verzocht het bedrag van € 8.000 terug te betalen. OCL heeft aan dit verzoek niet voldaan en [appellante] per e-mail van 19 oktober 2010 (productie 4 bij memorie van antwoord) onder meer bericht:

“Voor het retourneren van de participatie hebben wij u op de wachtlijst geplaatst.

U krijgt uw participatie retour op het moment dat de vereniging een nieuw lid van de wachtlijst toelaat.

Wij hebben op dit moment echter nog geen wachtlijst voor nieuwe leden (bij een ledenaantal van 510 gewone leden).

Daarnaast heeft al een aantal leden voor u opgezegd, deze krijgen derhalve als eerste hun participatiebedrag terug.”

Met zeven andere sociëteitsleden staat [appellante] nu als vierde op de wachtlijst.

2.9

Bij brief van 23 augustus 2011 (productie 5 bij memorie van antwoord) heeft OCL aan [appellante] over het terugbetalen van de participatie na beëindiging van de maatschap onder meer bericht:

“Helaas is het beoogde ledental van 510 nog niet bereikt. Nederland kruipt langzamer uit de crisis dan andere Europese landen en dit is te zien in de aanwas van nieuwe leden. Toch hebben wij de afgelopen periode 10 nieuwe leden weten te verwelkomen, waardoor het aantal leden met een participatie voor het gewoon lidmaatschap op 480 staat.

Het bestuur blijf actief nieuwe acties opzetten om de laatste 30 leden te kunnen werven.

(…)

Helaas is het niet mogelijk om een termijn aan te geven waarop wij verwachten de participaties te gaan retourneren.”

2.10

Ter algemene ledenvergadering van 29 november 2012 is, zoals op 15 februari 2013 aan de participatiehouders werd bericht, de participatie losgelaten en zijn twee maatregelen genomen:

1. tot 1 januari 2013 werd kandidaten de mogelijkheid geboden een jaarlijks speelrecht te verwerven zonder lid te worden van de vereniging en

2. na januari 2013 werd afgezien van een vaste waarde van de participatie ter verkrijging van het gewone lidmaatschap en werd een markt gecreëerd, waarbinnen participaties verhandelbaar zijn.

Daarna werd een participatie weer verplicht en is de uitgifteprijs van de participatie nog een periode gesteld op € 2.000 met het verdere deel als renteloze lening, maar inmiddels bedraagt een participatie € 1.

2.11

Bij brief van 2 mei 2013 heeft [appellante] OCL gesommeerd tot betaling van € 8.000 (productie 5 bij inleidende dagvaarding).

2.12

De jaarrekening van OCL over 2013 (productie 6 bij memorie van antwoord) toont een resultaat van € 26.160, verder aan de actiefzijde van de balans financiële vaste activa van € 6.016.100, vorderingen en overlopende activa van € 879.084 en liquide middelen van € 174.940 en aan de passiefzijde van de balans een verenigingskapitaal van € 66.041, voorzieningen van € 10.000 (voor groot onderhoud), participaties leden van € 6.056.432 en kortlopende schulden van € 937.254. De betaalde participaties zijn in de vorm van financiële vaste activa ter beschikking gesteld aan de Stichting Golfbaan Loenen, die daarmee de ontwikkeling van de golfbaan heeft voldaan alsmede de bouw van het clubhuis.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, OCL zal veroordelen tot betaling aan haar van:

1) de volgens haar uitgeleende hoofdsom ad € 8.000,

2) de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2011, subsidiair de dag der dagvaarding,

3) een bedrag aan incassokosten, gelijk aan 10% van de hoofdsom, zijnde € 800 en

4) de proceskosten.

3.2

Na verweer van OCL, een comparitie van partijen en nadere aktewisseling heeft de kantonrechter bij haar eindvonnis het gevorderde afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Daartoe heeft de kantonrechter, samengevat, het volgende overwogen.

Op grond van de tekst van de participatie-overeenkomst, de tekst van de brief van 7 augustus 2007 en de inhoud van de statuten, waarvan [appellante] kennis had kunnen nemen, had zij niet mogen verwachten dat zij een overeenkomst van geldlening sloot en dat OCL garandeerde dat die lening zou worden terugbetaald in geval van opzegging van het lidmaatschap. [appellante] had moeten begrijpen dat zij een overeenkomst sloot op grond waarvan zij € 8.000 diende te investeren, dat zij daarmee een participatie zou verwerven en dat zij de waarde daarvan alleen zou terugkrijgen indien OCL die participatie zou kunnen overdoen aan een nieuw lid. [appellante] heeft haar vordering niet gebaseerd op de route van artikel 11 lid 4 van het in 2009 vastgestelde en op haar situatie toepasselijke huishoudelijk reglement. [appellante] heeft niet gesteld dat OCL had moeten begrijpen dat zij wel sociëteitslid wilde worden maar eigenlijk niet wilde participeren. Dat OCL, geen financiële instelling, [appellante] duidelijk en ondubbelzinnig had moeten wijzen op het risico van waardedaling van de participatie, heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd. Zij moet hebben begrepen dat een participatie die in waarde kan stijgen ook in waarde kan dalen. De subsidiaire grondslag kon naar het oordeel van de kantonrechter niet tot toewijzing leiden omdat [appellante] niet voldoende heeft onderbouwd dat er wel nieuwe leden zijn die haar participatie willen overnemen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

In de door haar ingevulde Intentieverklaring van 12 september 2007, waarop [appellante] heeft aangekruist één participatie te nemen, heeft [appellante] niet gekozen voor de mogelijkheid van gewoon spelend lid maar voor de mogelijkheid van voorlopig sociëteitslid zonder het recht om te spelen en getekend voor de passage:

“Bij opzegging van het lidmaatschap na minimaal vijf jaren, indien en op het moment dat de vereniging het speelrecht over kan doen aan een nieuw aan te nemen lid, krijgt het uittredend lid het betaalde bedrag van € 8.000 terug en bovendien de helft van het verschil tussen genoemd bedrag van € 8.000 en het bedrag dat het nieuw toetredende lid heeft betaald voor het speelrecht.”

Het hof merkt op dat ter comparitie voor het hof is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de termen “speelrecht” en “participatie” door OCL en AOC door elkaar zijn gebruikt, terwijl daarmee hetzelfde wordt bedoeld.

4.2

Voor de interpretatie van voormelde passage in de Intentieverklaring verwijst het hof, evenals de kantonrechter, naar het arrest HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex):

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld (…) kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het gaat dus om de tekst en de gehele context, ook buiten het contract.

4.3

In de Intentieverklaring is geen sprake van een geldlening, noch van opeisbaarheid, aflossingsverplichting of van rente. De Intentieverklaring spreekt daarentegen wel over een, in de golfwereld gebruikelijke, participatie, ofwel deelneming, waarvoor de deelnemer pas betaling kan ontvangen op het moment dat de vereniging deze kan overdoen aan een nieuw aan te nemen lid.

In aansluiting hierop vermeldt de aanbiedingsbrief van 7 augustus 2007 onder meer dat het speelrecht (de participatie, hof), los staat van de contributie, op naam is gesteld, slechts overdraagbaar is met toestemming van OCL, dat de waarde daarvan jaarlijks wordt bepaald en dat als extra stimulans voor de vroege AOC-beslissers bij beëindiging van hun OCL-lidmaatschap, mits zij het speelrecht/de participatie minimaal vijf jaar bezaten, een winstdeel zal worden uitgekeerd gelijk aan de helft van het verschil tussen de oorspronkelijke waarde en de actuele waarde van het speelrecht voor een nieuw toetredend lid.

4.4

Uit een en ander behoorde [appellante] redelijkerwijs te begrijpen dat zij niet een geldlening aanging maar deelnam in het door OCL benodigde kapitaal en dat zij haar participatie slechts te gelde kon maken door deze hetzij, met toestemming van OCL, rechtstreeks aan een nieuw lid over te dragen hetzij aan OCL te retourneren na vijf jaren en wel op het moment dat OCL deze participatie naar de dan geldende waarde kon overdoen aan een nieuw aan te nemen lid.

4.5

De, ook aan [appellante] gezonden, extra editie van het verenigingsblad van AOC van april 2007 en de notulen van de vergaderingen van 16 april 2007 en van 30 mei 2007 boden geen ander beeld.

Die extra editie vermeldt onder meer (op pagina 8):

“Daarnaast speelt natuurlijk de vraag wat er gebeurt met de waarde van de participatie. Wanneer deze vrij onderhandelbaar wordt, is dat voor de leden het gunstigst. De vereniging moet dan echter wel een constructie vinden om toch te kunnen balloteren. Natuurlijk hebben we daarvoor diverse varianten de revue laten passeren, maar definitieve gedachten zijn er nog niet.”

De notulen van de algemene ledenvergadering van AOC van 16 april 2007 vermelden onder meer (op pagina 4):

“De commissie heeft de financiering doorgerekend. Een participatie zal voor snelle beslissers € 8.000 bedragen en zal in de tijd oplopen naar € 12.000. De contributie zal liggen rond € 900 per jaar.”

4.6

Uit het karakter van de participatie in het kapitaal van OCL, de jaarlijkse bepaling van de waarde van het speelrecht/de participatie en de mogelijkheid van winstdeling in geval van een hogere opbrengst behoorde [appellante] , ondanks dat de golfsport in 2007 nog booming was, redelijkerwijs te begrijpen dat ook waardefluctuaties in neergaande zin denkbaar waren met alle risico’s voor haar als kapitaalverstrekker van dien en dat OCL zich niet wilde verbinden tot terugbetaling van een nominaal bedrag boven hetgeen een nieuw lid voor een participatie zou betalen. [appellante] klaagt er wel over dat de brieven waarop zij is ingegaan zeer aanlokkelijk zijn gesteld en dat daarin met geen woord is gerept over mogelijke risico’s van een waardedaling. Naar het oordeel van het hof gaat het echter niet om verkoop van een financieel product door een financiële instelling, maar om plaatsing van participaties door een vereniging ter financiering van een kapitaalintensieve golfbaan en dit in een tijd toen alle betrokkenen verwachtten dat er alleen maar groei zou optreden. Daarom was OCL in redelijkheid niet gehouden om gegadigden voor participaties van meer informatie te voorzien dat zij heeft gedaan.

4.7

De Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt, PbEU L 149, (die ingevolge artikel 19 moest worden geïmplementeerd vóór 12 juni 2007, maar in Nederland pas werd geïmplementeerd per 15 oktober 2008 (in de artikelen 6:193a-193j BW)) strekt blijkens onder meer overweging 8 tot bescherming van de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. Deze richtlijn moet binnen de grenzen van de rechtsstrijd in appel ook ambtshalve worden toegepast, indien de rechter beschikt over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, om te vermoeden dat de verweten gedragingen onder het bereik van de richtlijn vallen én die gedragingen in strijd zijn met de richtlijn. Gezien de uitvoerige door OCL ook aan [appellante] verstrekte hiervoor besproken informatie komt het hof niet tot het vermoeden dat OCL bij de uitgifte van de participaties een handelspraktijk zou hebben verricht die oneerlijk is en met name waardoor het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar werd of kon worden beperkt (vergelijk artikel 6:193b lid 2 BW). Het hof ziet derhalve geen aanleiding voor ambtshalve onderzoek naar de betekenis van de richtlijn voor het geschil.

4.8

Voor de uitleg van de ter gelegenheid van het nemen van de participatie tussen OCL en [appellante] gemaakte afspraken is in beginsel niet van belang wat de statuten en het huishoudelijk reglement van 2009 op dit punt bepaalden. [appellante] was immers geen wettelijk lid maar slechts aangeslotene bij OCL en als zodanig niet onderworpen aan de institutionele lidmaatschapsverhouding terwijl zij een contract (tot participatie) met OCL had gesloten, dat voor de rechtsverhouding bepalend was. Aan de statuten en het huishoudelijk reglement kan zij evenmin voordeel ontlenen voor de interpretatie van die overeenkomst omdat zij zelf heeft aangevoerd dat zij destijds geen kennis heeft genomen van de statuten en dat het huishoudelijk reglement pas van 2009 dateert, zodat haar vertrouwen over de inhoud van de gemaakte afspraken niet op die stukken gebaseerd kan zijn.

4.9

Volgens [appellante] kan het niet zo zijn dat zij voor haar participatie afhankelijk is van de vraag of en zo ja een gegadigde wordt gevonden. Zij vindt het in strijd met elke redelijkheid dat zij, zelf geen wettelijk lid, daarop geen enkele invloed kan uitoefenen en OCL wel, aangezien OCL de prijs van de participaties kan aanpassen, waardoor niemand een participatie (tegen de door [appellante] gevraagde prijs van € 8.000) koopt.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] aanvaard dat haar aanspraak afhankelijk is van de overdracht aan een ander lid en valt in redelijkheid niet vol te houden dat OCL de prijzen daarvan onredelijk zou vaststellen. OCL heeft immers onweersproken uiteengezet dat zij voor de prijsstelling daarvan, zoals voor de hand ligt, afhankelijk is (geweest) van de sterk teruggelopen conjunctuur met een afnemende belangstelling voor het lidmaatschap van een golfvereniging als gevolg.

4.10

[appellante] stelt dat zij er geen zicht op heeft of OCL de afgelopen jaren leden heeft aangenomen.

In hoger beroep heeft OCL echter (als productie 4 bij memorie van antwoord) het eerste blad van een wachtlijst overgelegd van volgens haar verklaring ter comparitie in hoger beroep ongeveer 80 participanten, waarop [appellante] plaats 39 inneemt. Volgens haar verklaring komen daarop ongeveer 8 sociëteitsleden voor, waartussen [appellante] plaats 4 inneemt. Hiertegenover heeft [appellante] geen argumenten aangevoerd waarom deze lijsten niet op werkelijkheid zouden berusten, zodat van de juistheid van die lijsten moet worden uitgegaan.

4.11

In hoger beroep heeft [appellante] zich tevens beroepen op artikel 11 lid 4 van het op 10 juni 2009 vastgestelde huishoudelijk reglement. Indien dit reglement al ten gunste van [appellante] van toepassing zou zijn, geldt op dit punt het volgende. [appellante] heeft niet weersproken dat lid 4 pas van toepassing kan zijn indien zich een geval van lid 3 voordoet, namelijk dat er in haar plaats een nieuw lid wordt aangenomen in haar categorie (in dit geval van sociëteitsleden). Tegenover de gemotiveerde betwisting door OCL (zie rov. 4.10) heeft [appellante] niet feitelijk onderbouwd noch te bewijzen aangeboden dat er inmiddels in haar plaats een nieuw lid in haar categorie is of kan worden aangenomen, zodat hiervan niet kan worden uitgegaan.

Bovendien geeft artikel 11 lid 4 slechts aanspraak op betaling indien en voor zover dit naar het oordeel van het bestuur overeenkomt met de vermogenspositie van de vereniging, zodat hier een discretionaire bevoegdheid aan het bestuur toekomt, en oordeelt het bestuur van OCL dat haar vermogenspositie geen terugbetaling van de participatie toelaat. In aanvulling op de hiervoor onder rov. 2.12 opgenomen gegevens uit jaarrekening 2013 heeft OCL ter comparitie in hoger beroep onweersproken aangevoerd dat zij over 2014 en 2015 verliezen heeft geleden van € 10.000 respectievelijk € 21.000 en dat weliswaar een aantal leden de waarden van hun participaties uit fiscale motieven aan OCL hebben geschonken met een verbetering van haar kapitaalspositie c.q. vermogenspositie als gevolg, maar dat haar liquiditeitspositie geen uitkering toelaat aan de inmiddels ongeveer 300 uitgetreden participanten, onder wie [appellante] . Hiertegenover had het op de weg van [appellante] , op wie ter zake de stelplicht rust, gelegen om gemotiveerd uiteen te zetten dat en waarom het bestuur, in afwijking van de jaarrekening over 2013 en de opvolgende verliezen over 2014 en 2015 in redelijkheid niet zou hebben kunnen oordelen dat de financiële en met name de liquiditeitspositie van OCL geen terugbetaling van de participaties toelaat. Op dit punt heeft [appellante] haar vordering onvoldoende onderbouwd.

De stelling van [appellante] dat OCL haar middelen nodig heeft en schenking van participaties vraagt voor een voorgenomen uitbreiding van haar golfbaan tot 18 holes heeft OCL, ook wat betreft een dergelijk doel, gemotiveerd betwist en heeft [appellante] niet te bewijzen aangeboden, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan.

4.12

[appellante] heeft nog aangevoerd dat zij de participatie alleen maar heeft genomen omdat OCL haar daartoe naar mededelingen van diversen verplichtte, ook al wilde zij volgens haar toegevoegde verklaring op de Intentieverklaring slechts voorlopig sociëteitslid worden zolang AOC open bleef. Zij zou nooit een participatie hebben genomen indien zij uit de later aan haar bekend geworden statuten en uit het latere huishoudelijk reglement had begrepen dat zij daartoe helemaal niet verplicht was om sociëteitslid te worden. [appellante] acht zich niet goed dan wel onvoldoende voorgelicht, waar op OCL een informatieplicht rustte.

Naar het oordeel van het hof behoefde OCL uit de door [appellante] toegevoegde verklaring in redelijkheid niet op te maken dat deze slechts een participatie wilde nemen onder enige voorwaarde. Bovendien heeft OCL ter comparitie in hoger beroep onweersproken gesteld dat de inschrijving als sociëteitslid in 2007 gekoppeld was aan het nemen van ten minste één participatie en dat de gegeven informatie op basis waarvan [appellante] , evenals de overige sociëteitsleden, is overgaan tot het nemen van een participatie, wel degelijk klopte. OCL heeft toegelicht dat dit abusievelijk verkeerd terecht is gekomen in de eerste versie van de statuten; na een maand of drie zou dat hersteld zijn. OCL heeft daarmee gemotiveerd waarom zij de gestelde voorwaarde nooit zou hebben geaccepteerd. [appellante] heeft daar niets tegenover gesteld. Verder valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien hoe de andere stellingen van [appellante] zijn in te passen in de onderhavige vordering tot terugbetaling van een geldlening. Als deze stellingen al een beroep op vernietiging van de participatieovereenkomst wegens dwaling zouden kunnen rechtvaardigen, dan moet worden geconstateerd dat [appellante] haar vordering daarop niet - als zodanig kenbaar voor OCL en het hof – heeft gegrond, zodat daarop niet kan worden ingegaan.

4.13

[appellante] heeft geen feiten en/of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Daarom wordt aan haar bewijsaanbod voorbijgegaan.

5 De slotsom

5.1

Het hoger beroep faalt, zodat het bestreden eindvonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van OCL zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 704

subtotaal verschotten € 704

- salaris advocaat € 1.580 (2,5 punten x appeltarief I)

totaal € 2.284.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 juli 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van OCL vastgesteld op € 704 voor verschotten en op € 1.580 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.J. de Kerpel-van de Poel en J. Ekelmans, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.