Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4473

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
200.099.601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fietspad voldeed aan de daaraan in 2005 te stellen eisen. Geen gebrekkige opstal. Gemeente niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van gladheid. Gladheidsvoorspelling KNMI noopte gemeente niet tot preventief strooien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/90
PS-Updates.nl 2016-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.099.601 en 200.099.608

(zaaknummers rechtbank Arnhem 205457 en 205458)

arrest van 7 juni 2016

in de zaak 200.099.601 van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. H. Solstad,

tegen:

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Nijmegen,

zetelend te Nijmegen,

hierna: gemeente Nijmegen,

en

2. de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

h.o.d.n. Centraal Beheer Achmea,

gevestigd te Apeldoorn,

hierna: Achmea,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J. Schoonen,

en in de zaak 200.099.608 van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. H. Solstad,

tegen:

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Nijmegen,

zetelend te Nijmegen,

hierna: gemeente Nijmegen,

en

2. de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

h.o.d.n. Centraal Beheer Achmea,

gevestigd te Apeldoorn,

hierna: Achmea,

geïntimeerden,

advocaat: mr. A. J. Schoonen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 april 2014 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de brief van 18 september 2014 en de daarbij gevoegde producties 2 en 3 van de zijde van de gemeente Nijmegen en Achmea,;

- het proces-verbaal van gerechtelijke plaatsopneming en comparitie van partijen ter plaatse d.d. 14 oktober 2014;

- de memories na gerechtelijke plaatsopneming en comparitie van partijen van [appellant] en [appellante] ;

-de memorie van antwoord na gerechtelijke plaatsopneming en comparitie van de zijde van de gemeente Nijmegen en Achmea.

1.3

Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

Het hof heeft op 14 oktober 2014 de ongevalslocatie bezocht waarbij twee raadsheren, de ongevalsroute van [appellant] en [appellante] volgend, op een fiets vanaf de Neerbossche brug naar de kruising zijn gereden. Zowel [appellant] als [appellante] verklaren dat het fietspad thans steiler is dan ten tijde van het ongeval (de kruising en de toerit zijn tussen de ongevalsdatum en de bezichtiging gereconstrueerd).

De situatie ter plaatse is overzichtelijk zowel wat betreft het verval in het fietspad als de kruising en de bocht naar rechts. Het verval in het fietspad gaat geleidelijk over een lange afstand waardoor tijdens de plaatsopneming de snelheid van de fiets zonder te trappen en bij te remmen geleidelijk oploopt van 15 km/h naar ongeveer 30 km/h. Het verval in het fietspad dwingt de fietser zonder meer tot bij remmen. Hiertoe is in verband met de afstand waarover het verval zich voordoet en de overzichtelijkheid van de situatie voldoende gelegenheid. De fietser wordt door het geleidelijk oplopen van de snelheid en de naderende kruising met een gevaarlijke bocht naar rechts niet plotseling met de situatie overvallen en heeft voldoende gelegenheid om op de naderende situatie -een gevaarlijke bocht naar rechts- te anticiperen. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de gemeente Nijmegen met het plaatsen van een verkeersbord waarmee de fietser wordt gewaarschuwd voor een gevaarlijke bocht naar rechts (de uiteindelijke route van [appellante] ) en het op het fietspad voor deze bocht aangebrachte zigzagteken waarmee de fietser wordt gewaarschuwd om snelheid te minderen, de fietser op adequate wijze heeft gewaarschuwd voor de aanwezige gevaren. Aldus voldeed (de inrichting van) het fietspad ten tijde van het ongeval in 2005 in zoverre aan de daaraan te stellen eisen zodat geen sprake is van een gebrekkige opstal zoals bedoeld in artikel 6:174 BW. Eventuele aanwezigheid van bladeren op het fietspad maken dit niet anders omdat deze in de herfst te verwachten en voor de fietsers zichtbaar waren, zodat zij daarmee rekening konden houden. Het bewijsaanbod van [appellante] omtrent de toestand van het fietspad wordt op grond van het voorgaande gepasseerd.

2.2

In de -gevaarlijke- bocht naar rechts is een inmiddels eveneens gereconstrueerde afslag naar links. [appellant] heeft deze afslag naar links willen nemen en is daarbij ten gevolge van gladheid ten val gekomen. Deze afslag naar links werd ten tijde van het ongeval in 2005 gescheiden door een middengeleider (betegelde vluchtheuvel) waarop (voor [appellant] aan de rechterzijde) een paaltje (een Amsterdammertje) was geplaatst. Door de aanwezigheid van de middengeleider is de ruimte voor de fietser om de bocht naar links te vervolgen beperkt tot een breedte van ongeveer 60 cm en dit dwingt de fietser tot het aanpassen van zijn snelheid. Bij zijn val -veroorzaakt door gladheid- is [appellant] met zijn knie tegen dit paaltje op de middengeleider gekomen waardoor hij gewond is geraakt aan die knie. Het hof is met [appellant] van oordeel -de gemeente Nijmegen en Achmea hebben dit ook niet gemotiveerd betwist- dat de aanwezigheid van het paaltje rechts op de middengeleider de gevolgen van zijn ongeval ongetwijfeld zal hebben vergroot. Het paaltje heeft echter de val niet veroorzaakt. Evenmin heeft de middengeleider de val van [appellant] veroorzaakt. De middengeleider en het paaltje hadden als functie om de verkeersstroom op het tweezijdige fietspad naar de kruising ordelijk te doen verlopen en om het gemotoriseerd verkeer van het tweezijdige fietspad weg te houden. Hoewel de aanwezigheid van de middengeleider en het paaltje het nemen van de betreffende bocht voor de fietser onmiskenbaar lastiger heeft gemaakt brengen deze omstandigheden gezien de functie van de middengeleider en het paaltje niet mee dat er sprake is geweest van een gebrekkige opstal zoals bedoeld in artikel 6:174 BW. De middengeleider en het paaltje hadden een zinvolle functie -gericht op de veiligheid van de fietsers- terwijl de situatie voor de fietser in Webers rijrichting duidelijk zichtbaar en overzichtelijk was zodat hij daarop tijdig heeft kunnen en moeten anticiperen. Aldus komt het hof tot het oordeel dat ook ter plaatse van de val van [appellant] in 2005 geen sprake is geweest van een gebrekkige opstal zoals bedoeld in artikel 6:174 BW. Dit wordt niet anders doordat de gemeente Nijmegen naar aanleiding van een landelijk advies van het Fietsberaad uit 2012 tijdens de reconstructie van de weg en het fietspad de middengeleider en het paaltje inmiddels heeft verwijderd. Voor de beoordeling van de vraag of het fietspad in 2005 voldeed aan de daaraan te stellen eisen zijn slechts de in 2005 bestaande inzichten bepalend. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente Nijmegen naar de in 2005 bestaande inzichten op het punt van veiligheid van fietspaden ondanks de zinvolle functie van de middengeleider en het paaltje deze voorzieningen had moeten verwijderen. Het bewijsaanbod van [appellant] omtrent de toestand van het fietspad wordt op grond van het voorgaande gepasseerd.

2.3

Ten aanzien van het antwoord op de vraag of DAR N.V. namens de gemeente Nijmegen op grond van de mededelingen van Meteo Consult B.V. tijdig is begonnen met het bestrijden van de gladheid is van belang hetgeen Meteo Consult B.V. op 17 en 18 november 2005 aan DAR N.V. heeft bericht over de mogelijkheid van gladheid. Omdat de originelen van deze berichten niet meer voorhanden waren, heeft Meteo Consult B.V. bij brief van 17 mei 2011 de destijds in 2005 aan DAR N.V. afgegeven gladheidsverwachtingen aan de gemeente Nijmegen toegezonden. Op bevel van het hof -ingevolge artikel 22 Rv- hebben de gemeente Nijmegen en Achmea bij brief van 14 oktober 2014 de genoemde brief van 17 mei 2011 in het geding gebracht. [appellant] en [appellante] hebben de inhoud van deze brief niet gemotiveerd betwist.

De brief van Meteo Consult B.V. houdt onder meer in:

Allereerst de verwachtingen.

16 november 12 uur : Vanmiddag breekt de zon af en toe door maar er vallen ook buien. Er waait een matige noordwestelijke wind. De temperatuur stijgt naar 7 graden. Vanavond en vannacht neemt de wind in kracht af. De opklaringen worden breder en de buien zullen zich beperken tot een enkel exemplaar. Het koelt af naar 2 graden met lokaal vorst aan de grond. Tegen het einde van de nacht dalen wegtemperaturen van bruggen en viaducten van de koudste schaduwplaatsen lokaal tot circa +1 graden, maar blijven boven het vriespunt. Er wordt GEEN GLADHEID verwacht. Morgen wisselen zon en bewolking elkaar af, lokaal valt er een bui. Temperatuur stijgt naar 7-8 graden.

17 november 12 uur : Vanmiddag wisselen zon en enkele wolkenvelden elkaar af. Lokaal valt een bui, op de meeste plaatsen overheersen de droge perioden. De temperatuur stijgt naar 8 graden. Vanavond en vannacht blijft het overwegend droog met een afwisseling van wolkenvelden en heldere luchten. Het koelt daarbij af tot net onder het vriespunt. GLADHEID: Bij langdurige opklaringen dalen tijdens de tweede nachthelft de wegtemperaturen van koude schaduwplaatsen, bruggen en viaducten tot iets onder het vriespunt. Op nog vochtige (ZOAB)wegen kan LOKALE gladheid optreden door BEVRIEZING. DAB-wegen zijn in het algemeen opgedroogd. Morgen schijnt de zon regelmatig en de temperatuur stijgt naar 8 graden.

Opgetreden omstandigheden:

In de nacht en ochtend van 18 november is het overwegend helder met af en toe wat wolkenvelden. Het blijft droog. De luchttemperatuur daalt tot net onder het vriespunt. Er staat een zwakke westelijke wind.

Gladheidsituatie:

Om hier een zo goed mogelijke uitspraak te doen is mede gebruik gemaakt van de meetgegevens van het nabijgelegen RWS-meetstation Neerbos (0457). Dit meetstation heeft zowel wegdeksensoren op de reguliere weg als wegdeksensoren in een (onder deze omstandigheden kouder) viaduct. De reguliere wegdektemperaturen zijn op meetstation Neerbos deze nacht niet onder het vriespunt gekomen. (laagste wegdektemperatuur bedroeg tussen 08.00-08.30 uur + 0.2C) De wegdeksensoren op het viaduct zijn met precies 0.0C iets lager uitgekomen. Daarbij trad ook lichte rijpvorming op. De wegdektemperaturen op de Neerbosschebrug zullen onder de opgetreden meteorologische omstandigheden nog iets lager zijn uitgekomen. Hierdoor is het aannemelijk dat de wegdektemperaturen op enig moment onder het vriespunt zijn uitgekomen met daarbij bovendien lichte rijpvorming. Ten tijde van het ongeval zijn de wegdektemperaturen al weer stijgende maar is het nog steeds mogelijk dat op een enkele (schaduw)plek er nog juist wat ijs op het fietspad heeft gelegen. Omdat er geen meetpunten in de gemeente Nijmegen zijn kan niet geconstateerd worden of er gestrooid is.

Contacten meteoroloog – gladheidcoördinator:

DAR Nijmegen heeft een contract met Meteo Consult voor de levering van gladheids- verwachtingen. Daarnaast wordt DAR Nijmegen actief gewaarschuwd indien er sprake is van sneeuw of ijzel dan wel indien er onverwachte gladheid optreedt. Daarnaast kan DAR Nijmegen gebruik maken van telefonische consulten. De voorafgaande avond om 23 uur heeft de coördinator van DAR contact gezocht met de weerkamer van Meteo Consult. Er is toen een update verstrekt van de weer- en gladheidomstandigheden. Daarbij zijn geen afwijkingen van het reeds gestelde weerbeeld aangegeven.

Conclusie:

De voorgaande dag(en) was er nog geen sprake van gladheid. In de nacht en vroege ochtend van 18 november werd lokaal gladheid verwacht, op o.a. bruggen en viaducten. De weer- en gladheidverwachtingen zijn vrijwel exact uitgekomen met daarmee daadwerkelijk gladheid juist op bruggen en niet op reguliere wegen. Er is door de coördinator van DAR contact geweest met de weerkamer waarbij de weersituatie is doorgenomen. Ten tijde van het ongeval mag worden aangenomen dat er zeer lokaal ijs op het fietspad van de Neerbosschebrug heeft gelegen. Het is niet bekend of er op de Neerbosschebrug door DAR deze nacht gestrooid is”.

2.4

De gemeente Nijmegen heeft als wegbeheerder ten opzichte van de weggebruikers een zorgplicht waaronder is begrepen het bestrijden van gladheid. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente bij de invulling van deze zorgplicht -in het bijzonder wat betreft de bestrijding van gladheid- zich niet mag baseren op de informatie van Meteo Consult B.V. De vraag is dan of de gemeente in het kader van haar zorgplicht op basis van de verkregen informatie anders had behoren te handelen dan zij op 17 en 18 november 2005 heeft gedaan. [appellant] en [appellante] stellen dat het bericht van 17 november 2005 aan DAR N.V. de gemeente Nijmegen dwong tot het preventief strooien van het fietspad vanaf de Neerbosschebrug komende vanuit de richting Upenbroekweg, hetgeen de gemeente heeft nagelaten.

2.5

Uit het bericht van Meteo Consult B.V. volgt dat op vochtige zeer open asfalt beton (ZOAB) wegen lokale gladheid kan optreden en dat wegen met dicht asfalt beton (DAB) in het algemeen zullen zijn opgedroogd. Daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat het betreffende fietspad was voorzien van zeer open asfalt beton kan uit het bericht van Meteo Consult B.V. worden afgeleid dat in samenhang met de te verwachten temperatuur -net onder het vriespunt- de kans dat op 18 november 2005 op het betreffende fietspad gladheid zou optreden niet groot was. Tijdens het telefooncontact op 17 november 2005 om 23.00 uur is het in de brief afgegeven weerbeeld door Meteo Consult B.V. herhaald. Hoewel de kans op gladheid volgens Meteo Consult B.V. niet groot was, staat vast dat deze kans zich wel heeft gerealiseerd en dat ten gevolge van de opgetreden gladheid [appellante] en [appellant] zijn gevallen en daarbij lichamelijk letsel hebben opgelopen. Dat het gevaar -gladheid- zich heeft verwezenlijkt en dat dit voorkomen had kunnen worden door het treffen van maatregelen -preventief strooien- wettigt niet zonder meer de conclusie dat nalaten van deze maatregelen een schending van de zorgplicht oplevert. Hierbij merkt het hof op dat bij gelegenheid van de comparitie van 14 oktober 2014 van de zijde van de gemeente Nijmegen is gesteld dat preventief strooien van het fietspad volgens de toen -in 2005- gangbare methode geen zin had en dat fietspaden destijds nooit preventief werden gestrooid.

2.6

Op grond van de informatie van Meteo Consult B.V. was de gemeente Nijmegen (DAR N.V.) op de hoogte van mogelijke gladheid in de ochtend van 18 november 2005 en was zij aldus op de hoogte van een mogelijk gevaarlijke situatie. Hoewel de gemeente Nijmegen deze gevaarlijke situatie niet zelf heeft gecreëerd, zal de vraag wat van de gemeente Nijmegen in verband met dit mogelijke gevaar mag worden verwacht volgens vaste rechtspraak mede worden beantwoord aan de hand van de Kelderluikcriteria (HR 5 november 1965, NJ 1966, 136, ECLI:NL:HR:1965:AB7079).

2.7

In rechtsoverweging 2.1 en 2.2 is reeds overwogen dat op de ongevalslocaties de situatie voor de fietser overzichtelijk is en dat de gemeente Nijmegen de fietser voldoende duidelijk waarschuwt voor de gevaarlijke situatie. Bij gelegenheid van de comparitie d.d. 14 oktober 2014 is voorts gebleken dat het geen extra oplettendheid van de fietser vereist om het risico van de afdaling en de naderende bocht waar te nemen en het fietsgedrag daarop aan te passen. Tegen deze achtergrond mocht de gemeente Nijmegen ervan uitgaan dat fietsers aldaar de nodige voorzichtigheid in acht zouden nemen. Voorts mocht de gemeente Nijmegen er van uitgaan dat fietsers er mee bekend zijn -en hun fietsgedrag daarop aanpassen- dat in de wintermaanden bij lage temperaturen in de ochtend er door opvriezing plaatselijk gladheid kan ontstaan. In het kader van de afweging wel of niet preventief te strooien zal de gemeente Nijmegen ook rekening mogen houden met aspecten zoals kosten en milieu. De gemeente Nijmegen heeft in dit verband gesteld dat het qua kosten niet te doen is om telkens als het vriest preventief te gaan strooien en dat dit ook zeer bezwaarlijk is voor het milieu. Van de zijde van [appellant] en [appellante] is dit niet gemotiveerd betwist. In samenhang met de informatie van Meteo Consult B.V. -waaruit kan worden afgeleid dat de kans op gladheid ter plaatse niet groot was- komt het hof tot het oordeel dat het nalaten van preventief strooien niet strijdig is geweest met de zorgplicht van de gemeente Nijmegen.

2.8

De gemeente Nijmegen heeft aangevoerd dat zij op 18 november 2005 om 08.40 uur de eerste melding kreeg van daadwerkelijke gladheid. [appellant] en [appellante] hebben daartegenover verwezen daarvoor naar de informatie van Meteo Consult B.V. d.d. 17 november 2005 en het telefonisch contact die avond om 23.00 uur. Daarmee hebben zij onvoldoende onderbouwd dat er toen al gladheid was opgetreden of dat het optreden van gladheid in de ochtend van 18 november 2005 een zekerheid was, nu uit deze informatie van Meteo Consult B.V. alleen blijkt van een kans op gladheid. Van daadwerkelijke gladheid was toen nog geen sprake.

[appellant] en [appellante] hebben voorts gesteld dat de gemeente Nijmegen de gladheid niet conform het winterdienstboek 2005-2006 heeft bestreden. Voor zover zij daarvoor verwijzen naar hetgeen in het winterdienstboek 2005-2006 is opgenomen over preventief strooien van fietspaden verwijst het hof naar hetgeen hierover onder 2.7 is overwogen. Voor de gemeente Nijmegen was er onvoldoende aanleiding om preventief te strooien zodat hetgeen daarover is opgenomen in het winterdienstboek 2005-2006 niet aan de orde is. [appellant] en [appellante] stellen voorts dat de gemeente Nijmegen op 18 november 2005 niet tijdig is begonnen met strooien toen de gladheid zich eenmaal had gemanifesteerd. De gemeente Nijmegen heeft dit gemotiveerd betwist en gesteld dat DAR N.V. na de melding van 8.40 uur om 8.45 uur is begonnen met strooien. De gemeente Nijmegen heeft dit onderbouwd met het “DAGRAPPORT WINTERDIENST” van 18 november 2005 (productie 7 bij inleidende dagvaarding) waarin [de medewerker] rapporteert dat hij vanaf 8.45 uur met behulp van een kleine strooier heeft gestrooid, onder meer op de fietspaden Neerbosschebrug en Neerbosscheweg. [appellant] en [appellante] hebben na deze gemotiveerde betwisting door de gemeente hun stelling niet nader onderbouwd. Vaststaat dat [appellante] die ochtend rond 9.00 uur is gevallen en [appellant] omstreeks 10.10 uur en dat op genoemde tijdstippen ter plaatse nog niet was gestrooid. In dit verband is van belang hetgeen de gemeente Nijmegen in haar brief van 20 juni 2006 (productie 10 bij inleidende dagvaarding) heeft gesteld: “Nijmegen heeft 33.693 km. aan rijwegen en 370 km. aan fietspaden en nog niet te spreken over voetpaden.” Bij gelegenheid van de comparitie heeft de heer Aalders namens de gemeente Nijmegen voorts opgemerkt dat er in 2005 23 strooiwagens beschikbaar waren en dat bij inzet van al deze wagens het drie uur duurt voordat alles gestrooid is. [appellante] en [appellant] hebben ter onderbouwing van hun betwisting niet gesteld dat bij aanvang van de gladheidsbestrijding om 8.45 uur conform de route in het winterdienstboek 2005-2006 de gladheid ter plaatse om 9.00 uur respectievelijk 10.10 uur zou zijn bestreden. Zij hebben ook de inhoud van het “DAGRAPPORT WINTERDIENST” van 18 november 2005 niet bestreden. [appellante] en [appellant] hebben daarmee het verweer van de gemeente Nijmegen dat die ochtend om 8.45 uur conform het winterdienstboek 2005-2006 de gladheidbestrijding ter hand is genomen onvoldoende gemotiveerd betwist.

2.9

[appellant] en [appellante] hebben in eerste aanleg en in hoger beroep gesteld dat de gemeente Nijmegen eerder op de hoogte was van de ongevalsgevaren ter plaatse. In eerste aanleg hebben zij van deze stelling getuigenbewijs aangeboden welk aanbod in hoger beroep is herhaald. Van de beoogde getuigen zijn summiere verklaringen ingebracht (productie 4 bij inleidende dagvaarding). Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat ter plaatse enkele personen -waaronder [appellante] en [appellant] - zijn gevallen maar op geen enkele wijze volgt uit deze verklaringen dat de gemeente Nijmegen van dergelijk valgevaar ter plaatse op de hoogte was voor 18 november 2005 noch dat de getuigen over een dergelijke wetenschap bij de gemeente Nijmegen kunnen verklaren. De gemeente Nijmegen heeft mede in haar brief van 20 juni 2006 gemotiveerd betwist dat zij eerder op de hoogte was van ongevallen ter plaatste. Daarop hebben [appellante] en [appellant] hun stelling -ook in hoger beroep- niet nader concreet onderbouwd, hetgeen wel van hen mocht worden verwacht. Het hof gaat daarom aan het bewijsaanbod van [appellant] en [appellante] omtrent de regelmaat van ongevallen ter plaatse en de kennis daarvan bij de gemeente voorbij.

2.10

Bij gelegenheid van de comparitie op 14 oktober 2014 heeft mr. Solstad namens [appellante] en [appellant] het hof verzocht terug te komen op rechtsoverweging 4.4 van het tussenarrest. Hij heeft dit toen niet nader toegelicht. Ook in verband daarmee is -mede op verzoek van mr. Solstad- aan partijen de gelegenheid gegeven tot het nemen van een memorie na plaatsopneming en comparitie. Mr. Solstad heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt maar heeft daarbij het verzoek om terug te komen op rechtsoverweging 4.4 van het tussenarrest niet herhaald noch nader onderbouwd. Het hof begrijpt hieruit dat een verzoek van de zijde van [appellante] en [appellant] om terug te komen op bedoelde rechtsoverweging niet meer voorligt en ziet ook geen aanleiding om ambtshalve terug te komen van bedoelde rechtsoverweging. Voor zover [appellante] en [appellant] met hun memorie na plaatsopneming en comparitie beogen alsnog de prioritering in het winterdienstboek 2005 aan te vallen (door de gemeente Nijmegen en Achmea in het geding gebracht bij akte van 8 juni 2011), zijn zij daarmee in verband met de twee conclusieregel te laat omdat zij op de inhoud daarvan hadden kunnen reageren bij memorie van grieven.

3 De slotsom

3.1

Uit het voorgaande volgt dat de gemeente Nijmegen en Achmea niet aansprakelijk zijn voor de schade van [appellante] en [appellant] ten gevolge van hun ongevallen op 18 november 2005. De grieven die ertoe strekken dat de gemeente Nijmegen en Achmea hiervoor wel aansprakelijk zijn, falen derhalve, zodat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partijen zal het hof [appellante] en [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Daarbij zal het optreden van de gemeente Nijmegen en Achmea bij de plaatsopneming tevens comparitie voor [appellante] en [appellant] ieder op een half punt worden gesteld nu dit in beide zaken gelijktijdig heeft plaatsgevonden. De gemeente Nijmegen en Achmea hebben verder voor beide zaken gelijktijdig één memorie van antwoord na gerechtelijke plaatsopneming en comparitie van partijen genomen. Deze memorie (0,5 punt) wordt daarom voor [appellante] en [appellant] op 0,25 punt gesteld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente Nijmegen en Achmea zullen in beide zaken worden vastgesteld op:

- griffierecht € 649,-

- salaris advocaat € 1.564,50 (1,75punten x tarief II)

Totaal € 2.213,50.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in beide zaken

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 24 augustus 2011;

in de zaak met nummer 200.099.601

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente Nijmegen en Achmea vastgesteld op € 649,- voor verschotten en op € 1.564,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in de zaak met nummer 200.099.608

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente Nijmegen en Achmea vastgesteld op € 649,- voor verschotten en op

€ 1.564,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H. Wammes en S.M. Evers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016