Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4448

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.173.186/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. In hoger beroep afgewezen verzoek. Terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.173.186/01

(zaaknummer rechtbank C/16/365815 / FL RK 14-693)

beschikking van de familiekamer van 2 juni 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.B. Streefkerk, kantoorhoudend te Almere,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K.G.I.M. Schröder, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 21 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 13 juli 2015;

- een brief van mr. Streefkerk van 16 juli 2015 met bijlagen;

- een brief van mr. Streefkerk van 24 juli 2015 met bijlagen;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 12 oktober 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 14 december 2015;

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 11 januari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 20 januari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 22 januari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Streefkerk van 2 februari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Schröder van 4 februari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Schröder van 15 februari 2016 met bijlage.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 februari 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Mr. Schröder heeft het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 november 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Uit het huwelijk van partijen zijn twee (thans meerderjarige) kinderen geboren, te weten [de meerderjarige1] (hierna te noemen: [de meerderjarige1] ), geboren [in] 1993, en

[de meerderjarige2] (hierna te noemen: [de meerderjarige2] ), geboren [in] 1995.

3.3

Bij beschikking van 9 januari 2008 heeft de (voormalige) rechtbank Zwolle-Lelystad bepaald dat de man een bedrag van € 350,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en een bedrag van € 1.360,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

3.4

Bij beschikking van 7 maart 2013 heeft het hof deze beschikking gewijzigd en de door de man te betalen bijdrage van de kinderen met ingang van 1 januari 2013 bepaald op nihil en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voor de maand december 2012 bepaald op € 1.268,- en met ingang van 1 januari 2013 op nihil.

3.5

Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank binnengekomen op 27 maart 2014, hebben de vrouw, [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] de rechtbank verzocht te bepalen dat met ingang van

1 juli 2013 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] op een bedrag van € 366,- per kind per maand wordt gesteld, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Voorts hebben zij de rechtbank verzocht te bepalen dat met ingang van 1 juli 2013 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op een bedrag van € 1.422,- per maand wordt gesteld, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.6

De man heeft verweer gevoerd en de rechtbank bij zelfstandig verzoek verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw binnen een tijdspanne van een jaar, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, trapsgewijs althans periodiek te verlagen tot nihil.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.7

Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - bepaald dat de man met ingang van 27 maart 2014 een bedrag van

€ 260,- per maand aan [de meerderjarige2] dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie en met ingang van 27 maart 2014 een bedrag van

€ 583,- bruto per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en per 1 mei 2014 een bijdrage van € 318,- bruto per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

21 april 2015. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud betreft en opnieuw rechtdoende een beslissing te nemen op grond van het in het appelschrift gestelde, inhoudende dat alsnog het inleidend verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man met ingang van 1 juli 2013 gehouden is een bedrag van

€ 1.360,- per maand en wettelijke indexering aan de vrouw te voldoen als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud wordt toegewezen.

4.3

De man heeft verweer gevoerd en is op zijn beurt met zes grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover in die beschikking een door de man te betalen partneralimentatie is vastgesteld en opnieuw rechtdoende de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dat verzoek af te wijzen, althans bij (gedeeltelijke) toewijzing van het verzoek van de vrouw het zelfstandige verzoek van de man toe te wijzen.

4.4

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

● het beroep op artikel 21 Rv;

● de ingangsdatum;

● de behoefte van de vrouw;

● de behoeftigheid van de vrouw;

● de draagkracht van de man, en wel op de volgende punten:

○ de woonlasten van de man;

○ de bijdrage aan de vereniging van eigenaren;

● de trapsgewijze nihilstelling.

5 De motivering van de beslissing

Het beroep op artikel 21 Rv

5.1

De man stelt dat de vrouw artikel 21 Rv heeft geschonden. Zij heeft volgens de man op meerdere momenten nagelaten al haar financiële bescheiden in het geding te brengen en de rechtbank had hieraan volgens hem gevolgtrekkingen moeten verbinden.

5.2

Het hof overweegt dat de procedure in hoger beroep er mede toe strekt eventuele (processuele) onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Het hof zal als het van oordeel is dat de vrouw in hoger beroep onvoldoende stukken in het geding heeft gebracht hieraan de consequenties verbinden die het geraden acht.

Het hof verbindt aan deze grief van de man dan ook verder geen gevolgen.

De ingangsdatum

5.3

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. In zaken waarin wijziging wordt verzocht van een vastgestelde alimentatiebijdrage is het gebruikelijk dat deze wijziging eerst ingaat op de datum waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend, in casu 27 maart 2014.

5.4

De vrouw stelt dat de man het gerechtshof in 2013 verkeerd heeft voorgelicht over zijn vermogen in dat jaar en dat de man, ondanks dat hij ervan op de hoogte was dat zowel de vrouw als de kinderen behoefte hadden aan een financiële bijdrage van hem, heeft nagelaten de vrouw ervan op de hoogte te stellen dat hij weer een inkomen uit arbeid genereerde. De vrouw heeft pas achteraf na eigen onderzoek vernomen dat de man weer een inkomen had en het is haar pas tijdens de procedure in eerste aanleg kenbaar geworden dat de man al op

1 juli 2013 in dienst is getreden bij [C] tegen een salaris van € 4.000,- bruto per maand. Het had derhalve op de weg van de man gelegen om de vrouw te informeren over het feit dat hij wederom inkomsten uit loondienst verwierf die dusdanig waren dat de man aan zijn onderhoudsverplichting kon voldoen. De handelswijze van de man dient niet te worden beloond door nu een latere ingangsdatum vast te stellen, aldus de vrouw. Daarbij kon de man in elk geval vanaf januari 2014 rekening houden met een eventueel te betalen bijdrage nu de advocaat van de vrouw hem toen heeft aangeschreven.

5.5

De man stelt dat hij in 2013 geen vermogen had, maar dat er een betaling van [D] B.V. via zijn privérekening is gelopen. Op de peildatum van 31 december 2013 stond er geen vermogen op zijn rekening. Voorafgaand aan de procedure in eerste aanleg heeft de (toenmalige) advocaat van de vrouw de advocaat van de man benaderd om informatie over zijn financiële positie. De advocaat van de man heeft aangegeven dat de stukken waren opgevraagd bij de man en heeft aan de advocaat van de vrouw stukken verzocht omtrent de financiële positie van de vrouw en de kinderen. Van de advocaat van de vrouw is daarop geen inhoudelijke reactie ontvangen en de toezending van de financiële stukken van de man aan de vrouw is daarom achterwege gebleven. De advocaat van de vrouw heeft in de brief van januari 2014 geen concrete alimentatiebedragen genoemd en heeft geen indicatie van de behoefte gegeven. De man heeft dus pas in eerste aanleg uit de processtukken kunnen vernemen of er bij de vrouw en de kinderen sprake was van behoeftigheid. De man ziet daarom geen aanleiding om een ingangsdatum vast te stellen die is gelegen voorafgaand aan de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift.

5.6

Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man haar had moeten informeren op het moment dat hij weer een inkomen genereerde. Aan de ander kant had de vrouw de man op zijn verzoek moeten informeren over haar financiële situatie en haar behoefte aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud. Nu beide partijen steken hebben laten vallen, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke ingangsdatum, zijnde de datum indiening van het inleidende verzoekschrift. Het hof zal de eventuele verplichting van de man om een bijdrage aan de vrouw te voldoen in de kosten van haar levensonderhoud dan ook eerst per 27 maart 2014 in laten gaan.

De behoefte van de vrouw

5.7

De vrouw stelt dat de rechtbank haar aan het huwelijk gerelateerde behoefte ten onrechte op € 1.360,- heeft gesteld. In de echtscheidingsprocedure is haar behoefte volgens de vrouw nimmer daadwerkelijk vastgesteld. De in 2007 opgelegde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is bepaald aan de hand van de draagkracht van de man. De vrouw stelt voor om het bedrag van € 1.360,- per maand - geïndexeerd naar het heden - te hanteren als aanvullende behoefte en hierop derhalve niet haar WW-uitkering in mindering te laten strekken.

5.8

De man is van mening dat de vrouw haar behoefte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet heeft onderbouwd. De man kan ook niet duiden waar het door de vrouw genoemde bedrag van € 1.360,- per maand vandaan komt. Daarnaast is de man van mening dat de rechtbank de behoefte van de vrouw, ad € 1.360,- per maand, ten onrechte heeft geïndexeerd naar € 1.516,15 bruto per maand. De man heeft in eerste aanleg betwist dat de behoefte van de vrouw geïndexeerd diende te worden en de vrouw heeft niet gesteld dat dit wel diende te gebeuren. De rechtbank is daarmee volgens de man buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. De man heeft zijn stelling dat er niet diende te worden geïndexeerd onderbouwd met een verwijzing naar de uitspraak van het hof van 7 maart 2013. In alinea 5.14 heeft het hof overwogen dat er sprake is van een stilzwijgende afspraak tussen partijen dat er niet wordt geïndexeerd.

5.9

De vrouw stelt dat indien indexering niet van toepassing is dit volgens de wet schriftelijk moet worden uitgesloten, bij overeenkomst of rechterlijke uitspraak. Hiervan is geen sprake.

5.10

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar behoefte aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud voldoende onderbouwd aan de hand van een behoeftelijst en onderliggende stukken. De man heeft diverse posten op de behoeftelijst van de vrouw betwist. Met de man stelt het hof vast dat de vrouw niet elke post op haar behoeftelijst heeft onderbouwd met nota's dan wel rekeningafschriften. De posten op de behoeftelijst komen het hof echter niet bovenmatig voor en daarbij heeft de man ter zitting van het hof niet bestreden dat de behoefte van de vrouw op basis van 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk ongeveer gelijk is aan het bedrag dat uit de behoeftelijst volgt. Het hof stelt de behoefte van de vrouw op basis van haar behoeftelijst dan ook vast op € 2.139,49 per maand.

De behoeftigheid van de vrouw

5.11

De man stelt dat de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud voorziet met de bedragen die zij van haar familie in Taiwan ontvangt. Op 29 mei 2013 is op de rekening van de vrouw een bedrag van € 25.734,48 bijgeschreven. Daarnaast heeft de vrouw een bedrag van € 39.227,- en een bedrag van € 42.990 (in juli 2011) ontvangen. Op 27 augustus 2014 is vervolgens € 4.000,- en € 1.688,- op haar rekening bijgeschreven. Deze bijschrijvingen heeft de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Daarnaast noemt een boekhouder in zijn e-mail aan de voormalige advocaat van de vrouw op 7 november 2014 een saldo op

1 januari 2014 op de lopende rekeningen van de vrouw van € 97.991,-. De bijdragen van haar familie waren derhalve niet opgesoupeerd zoals de rechtbank heeft overwogen. Voorts is de man van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat de vrouw ten gevolge van depressieve klachten niet kan werken.

5.12

De vrouw bestrijdt dat zij met haar eventueel aanwezige vermogen in haar levensonderhoud kan voorzien gedurende de resterende tijd die de man nog onderhoudsplichtig is jegens haar. Daarbij merkt de vrouw op dat het ook ten tijde van het huwelijk gebruikelijk was dat partijen spaarden en dat het bedrag dat werd gespaard ook feitelijk tot haar maandelijkse behoefte behoort. Daarnaast stelt de vrouw dat zij leningen is aangegaan met haar familie in Taiwan. Dat de uiteindelijke bedragen op de [a-bank] -rekening van de vrouw hoger zijn dan de bedragen die in de leningsovereenkomst staan vermeld heeft te maken met het feit dat er naast grote bedragen ook kleine bedragen aan de vrouw zijn geleend.

5.13

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie en de precieze redenen van de overboekingen van aanzienlijke bedragen aan de vrouw door haar familie. De vrouw heeft gesteld dat zij deze bedragen heeft geleend van haar familie, maar heeft de door de man opgeworpen vragen ten aanzien van deze vermeende leningen onvoldoende beantwoord. De vrouw geeft aan niet van deze geleende bedragen te leven maar eigen spaargeld te hebben waarvan zij de kosten van haar levensonderhoud voldoet, maar laat na dit inzichtelijk te maken. Daarbij is onduidelijk waarom de vrouw deze bedragen geleend heeft en waarom zij deze (of in ieder geval een deel daarvan) niet teruggestort heeft aan haar familie als zij het geleende geld niet nodig heeft. Ook heeft de vrouw onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke bedragen zij aan rendement op dit geleende geld ontvangt en of dit rendement haar toekomt. Daarbij heeft zij ter zitting van het hof bevestigd dat de bedragen die haar familie aan haar overmaakt bedoeld zijn om te kunnen voorzien in haar levensonderhoud, dat dit bijdragen van haar familie aan haar zijn. Voor het hof staat dan ook geenszins vast dat de bedragen als leningen zijn bedoeld en dat de vrouw deze in een later stadium aan haar familie moet terugbetalen. Ten overvloede merkt het hof hierbij op dat indien de vrouw de bedragen wel moet terugbetalen op het moment dat zij haar woning verkoopt dit geen probleem zal opleveren indien de vrouw de bedragen die zij thans op haar rekening heeft staan zou aanspreken om in haar levensonderhoud te voorzien omdat de vrouw ter zitting van het hof heeft aangegeven dat er sprake is van een overwaarde van (circa) € 120.000,-.

5.14

Duidelijk is dat de vrouw thans een aanzienlijk bedrag op haar rekeningen heeft staan. Uit haar belastingaangifte over het jaar 2014 blijkt een vermogen van € 97.990,-. Nu de man nog drie jaar onderhoudsplichtig is jegens de vrouw en zij verzoekt om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.360,- bruto per maand valt - gelet op het vorenstaande - niet in te zien dat zij gedurende deze resterende jaren niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft immers de beschikking over een aanzienlijk bedrag en dit door haar familie aan haar verstrekte bedrag is hiervoor volgens eigen zeggen bedoeld. Het hof zal het inleidende verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud dan ook alsnog afwijzen.

5.15

Nu het hof het verzoek van de vrouw afwijst omdat zij geen behoefte heeft aan een bijdrage van de man, komt het hof niet toe aan een bespreking van hetgeen de vrouw en de man verder omtrent de draagkracht van de man naar voren hebben gebracht en het verzoek van de man om een trapsgewijze afbouw van de onderhoudsplicht.

De terugbetalingsverplichting

5.16

Omdat het hof tot het oordeel is gekomen dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud en de man derhalve - indien hij enige bijdrage aan de vrouw heeft voldaan sinds de bestreden beschikking - onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald, dient de vrouw het teveel ontvangene in beginsel aan de man terug te betalen. Nu niet gesteld of gebleken is dat de vrouw niet in staat is om het eventueel door de man onverschuldigd betaalde terug te betalen en het hof niet is gebleken dat zulks niet van haar gevergd kan worden, acht het hof geen redenen aanwezig om van voormeld uitgangspunt af te wijken. Het hof zal dan ook bepalen dat de vrouw de door de man sinds de bestreden beschikking betaalde partneralimentatie aan de man dient terug te betalen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de incidentele grieven van de man. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 21 april 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het inleidende verzoek van de vrouw tot een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud;

bepaalt dat de vrouw is gehouden is tot terugbetaling aan de man van de na 21 april 2015 tot heden ontvangen partneralimentatie;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.P. den Hollander en

mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

2 juni 2016 in bijzijn van de griffier.