Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4441

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.188.363/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rechtsvordering getroffen. Werking beschikking voor periode van 4 maanden geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0155

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.188.363/02 en 200.188.363/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/105232/FA RK 14-1440)

beschikking van 31 mei 2016

in de zaak met zaaknummer 200.188.363/02 (het incident ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en in de zaak met zaaknummer 200.188.363/01 (de hoofdzaak) van:

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H. Noorman te Emmen,

en

[verweerder],

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.M. Hidding te Nieuw-Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 16 maart 2016 (verder ook te noemen: de rechtbank), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek een voorlopige voorziening te treffen

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, tevens houdende een verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 4 december 2013, ingekomen op 30 maart 2016;

- het verweerschrift zowel in de hoofdzaak als met betrekking tot het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 4 december 2013, ingekomen op 29 april 2016;

- de van de rechtbank ontvangen processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg;

- een journaalbericht met bijlagen d.d. 17 mei 2016 van mr. Noorman.

2.2

Mr. Hidding heeft ter zitting naar voren gebracht dat door het hof nog stukken zullen worden ontvangen van de rechtbank betreffende het politie-/justitieonderzoek naar het vermeende seksueel misbruik van [de minderjarige] door de vader. Het hof heeft deze stukken na de zitting niet ontvangen en zal daarmee reeds daarom geen rekening houden.

2.3

Bij het beroepschrift heeft de moeder, voor zover hier van belang, verzocht te bepalen dat de bij beschikking van 4 december 2013 vastgelegde zorgregeling, inhoudende dat de na te noemen minderjarige [de minderjarige] één weekend per veertien dagen bij de vader verblijft in de oneven weken, alsmede de woensdag in de even weken en (in beginsel) de vakanties bij helfte, zal worden geschorst in afwachting van het hoger beroep.

2.4

De vader heeft verweer gevoerd en verzocht de moeder in haar provisionele verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar dit te ontzeggen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 17 mei 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad van de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is in het kader van zijn adviserende taak verschenen mevrouw [C] . Mr. Hidding heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is [in] 2010 te [D] geboren de minderjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 4 december 2013 is bepaald dat een zorgregeling geldt tussen de vader en [de minderjarige] waarbij [de minderjarige] kortgezegd in de oneven week van zaterdag tot zondag bij de vader verblijft en in de even week op woensdagmiddag, evenals (in beginsel) de helft van de vakanties.

3.3

Op 14 mei 2014 is de zorgregeling door de moeder stopgezet vanwege vermoedens bij haar van seksueel misbruik van [de minderjarige] door de vader.

3.4

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 2 juni 2014, welk verzoekschrift op 15 september 2014 is aangevuld, heeft de moeder, voor zover hier van belang, verzocht te bepalen dat de bij beschikking van 4 december 2013 vastgelegde zorgregeling zal worden gewijzigd in die zin dat de vader het recht op omgang met [de minderjarige] voor onbepaalde, dan wel bepaalde tijd zal worden ontzegd. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.5

Bij vonnis in kort geding van 11 juli 2014 is de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] geschorst voor de duur van de procedure in eerste aanleg.

3.6

Bij beschikking van 15 oktober 2014 heeft de rechtbank de raad onder meer verzocht een onderzoek in te stellen naar, voor zover hier van belang, de vraag of de vader het recht op omgang met [de minderjarige] voor onbepaalde tijd dient te worden ontzegd, dan wel of er mogelijkheden zijn tot contact(herstel) tussen de vader en [de minderjarige] .

3.7

De raad heeft, voor zover hier van belang, bij rapport van 17 april 2015 geconcludeerd dat er geen mogelijkheden zijn tot contact(herstel) tussen de vader en [de minderjarige] .

3.8

Bij beschikkingen van 30 september 2015 en 10 december 2015 heeft de rechtbank de beslissing opnieuw aangehouden.

3.9

Bij beschikking van 16 maart 2016 heeft de rechtbank het verzoek van de moeder met betrekking tot de zorgregeling afgewezen. De moeder is in hoger beroep gekomen van deze beschikking, welk hoger beroep bij het gerechtshof in behandeling is onder zaaknummer 200.188.363/01.

4 De motivering van de beslissing


In de zaak met zaaknummer 200.188.363/02

4.1

Aan de orde is het verzoek van de moeder om de schorsing te bevelen van de werking van de beschikking van de rechtbank van 4 december 2013.

4.2

Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.

4.3

Bij uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures.

4.4

Ingevolge artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid twee van dat artikel bepaalt dat het verzoek moet samenhangen met het verzoek in de hoofdzaak Tevens geldt dat sprake moet zijn van een voldoende dringend belang. Onder dat laatste wordt verstaan een zodanig belang dat van de verzoeker niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht. De belangen van partijen dienen te worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, de proceskansen daarin en de belangen van het kind.

4.5

Aan de vereisten dat een geding aanhangig is, alsmede dat sprake is van een voldoende samenhang van de verzochte voorziening met het in de hoofdzaak gedane verzoek is naar het oordeel van het hof voldaan.

4.6

Het belang van de moeder bij schorsing van de werking van de beschikking van 4 december 2013 is - kort samengevat - daarin gelegen dat zij [de minderjarige] niet wenst bloot te stellen aan contact met de vader, nu zij ervan overtuigd is dat de vader [de minderjarige] in het verleden seksueel heeft misbruikt. Indien de werking van de beschikking van 4 december 2013 niet zou worden geschorst, kan de vader contact met [de minderjarige] afdwingen en dit zal volgens de moeder onomkeerbare gevolgen voor [de minderjarige] hebben.

4.7

Het belang van de vader bij afwijzing van het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 4 december 2013 is - kort samengevat - daarin gelegen dat hij wenst te voorkomen dat hij verder van [de minderjarige] vervreemdt, doordat er (nog) langer geen omgang tussen hem en [de minderjarige] plaatsvindt. De vader acht het in [de minderjarige] 's belang dat zij op korte termijn weer omgang met hem zal hebben.

4.8

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de moeder in emotioneel opzicht niet voldoende in staat is om uitvoering te geven aan de zorgregeling zoals vastgesteld bij de beschikking van de rechtbank van 4 december 2013. Het hof acht het niet in [de minderjarige] 's belang dat de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank van 4 december 2013 onverkort en/of met behulp van de sterke arm ten uitvoer zal/kan worden gelegd en is om die reden van oordeel dat sprake is van een voldoende dringend belang van de moeder bij haar verzoek tot schorsing. Afweging van de belangen van partijen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin, maakt echter dat het hof aanleiding ziet om de werking van de beschikking van de rechtbank van 4 december 2013 slechts te schorsen voor een periode van vier maanden. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.

4.9

Uit het raadsrapport van 17 april 2015 komt naar voren dat er vanuit [de minderjarige] gezien tot juni 2014 geen belangrijk beletsel was om een zorgregeling met de vader op te bouwen. Eind mei 2014 hebben verhalen van [de minderjarige] bij de moeder geleid tot de vaststelling dat de vader [de minderjarige] seksueel misbruikt zou hebben en niet te vertrouwen is. De moeder heeft de contacten van [de minderjarige] met de vader toen stopgezet en [de minderjarige] heeft de vader sindsdien niet meer gezien. [de minderjarige] ervaart volgens de raad zeer waarschijnlijk dat ze de vader niet positief mag beleven omdat hij ''stout'' is. Seksueel misbruik van [de minderjarige] door de vader is evenwel niet vastgesteld. De strafzaak tegen de vader is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Door de vragen die erover zijn gesteld en de aandacht die het krijgt (van de moeder, de politie, [E] kinder- en jeugdpsychiatrie (hierna: [E] ), de school en de raad) is het negatieve vaderbeeld voor [de minderjarige] echter een werkelijkheid geworden. De moeder kan de vader blijkens het raadsrapport niet vertrouwen. Zij raakt nerveus en angstig bij het idee [de minderjarige] in een onveilige situatie te moeten brengen. [de minderjarige] zou dan naar de vader moeten gaan in het besef dat de moeder dat niet vertrouwt, een ambivalente moeder meemaken en in een ingewikkelde situatie terecht komen. De raad is daarom, zo is ter zitting bevestigd, van mening dat er op dit moment onvoldoende ruimte bestaat bij de moeder om inhoud te geven aan een (begeleide) zorgregeling met de vader. De raad is van mening dat afhankelijk van [de minderjarige] 's ontwikkeling, waarbij mogelijk vroeg of laat helderder wordt hoe zij de vader ervaart, opnieuw beoordeeld kan worden welke ruimte er bij haar en ook bij de moeder is voor contact met de vader. De raad stelt voor daarvoor een termijn in acht te nemen van enkele jaren, waarin de situatie voor [de minderjarige] tot rust komt en kan stabiliseren en waarbij enerzijds oog is voor specifieke signalen die [de minderjarige] eventueel gaat tonen, maar waarbij zij anderzijds ook kan opgroeien als normaal kind zonder "misbruikstempel".

4.10

Het hof is, vooruitlopend op het oordeel dat moet worden gegeven in de hoofdzaak met zaaknummer 200.188.363/01, in afwijking van het advies van de raad, vooralsnog van oordeel dat er omgang (onder begeleiding) dient plaats te vinden tussen [de minderjarige] en de vader. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat er op basis van de stukken waarover het hof thans beschikt geen objectief vastgestelde contra-indicaties voor omgang tussen de vader en [de minderjarige] zijn, anders dan de onmogelijkheid bij de moeder (als gevolg van haar angsten) om [de minderjarige] goed voor te bereiden en te ondersteunen bij de omgang met de vader. Het hof benadrukt dat op de moeder de verplichting rust om het contact en de omgang tussen de vader en [de minderjarige] te stimuleren. Daar waar zij daar als gevolg van persoonlijke problematiek in wordt belet, ligt het op haar weg om daarvoor de benodigde hulpverlening in te schakelen. Uit de in het incident overgelegde stukken blijkt nog altijd onvoldoende dat bij de moeder daadwerkelijk, zoals zij stelt, het posttraumatisch stress syndroom (PTSS) is vastgesteld en welke professionele hulpverlening zij in verband daarmee heeft ingeschakeld en tot welk resultaat dat heeft geleid. Het hof acht het zorgelijk dat er inmiddels al ruim twee jaar geen contact is tussen [de minderjarige] en de vader, waardoor er geen gelegenheid is voor [de minderjarige] om een eventueel negatief beeld dat zij heeft van de vader bij te stellen. Uit het verslag van [E] van het vak-therapeutisch onderzoek (door een dramatherapeut/speltherapeut)), en zoals opgenomen in het raadsrapport, komt overigens naar voren dat [de minderjarige] niet in paniek lijkt te raken of overspoeld lijkt te raken in haar emoties. [de minderjarige] laat haar ervaringen gerelateerd aan de vader met name verbaal horen en laat dit in haar spel niet terug zien. Andere hevige emoties komen ook niet naar voren tijdens haar spel. Hoewel uit het raadsrapport naar voren komt dat gevolgen van (mogelijk) seksueel misbruik zich ook pas later kunnen manifesteren, acht het hof het gelasten van een rustperiode voor [de minderjarige] van enkele jaren niet in haar belang, daarbij in aanmerking genomen dat [de minderjarige] zich blijkens het raadsrapport op zichzelf goed ontwikkelt. Juist bij een kind op [de minderjarige] 's leeftijd is er nog gelegenheid om een eventueel en mogelijk ook onterecht negatief beeld dat zij heeft van haar vader bij te stellen. Dit zal moeilijker worden als zij nog enkele jaren geen contact heeft met de vader. Het hof betwijfelt bovendien of de moeder aan haar problematiek zal (blijven) werken, indien daartoe voor haar gelet op het ontbreken van omgang tussen de vader en [de minderjarige] geen acute noodzaak meer bestaat. In dat geval zal de moeder ook na de rustjaren niet in staat zijn om [de minderjarige] voldoende te ondersteunen in het contact met de vader. Het is een feit van algemene bekendheid dat het ontbreken van contact met een ouder op langere termijn de emotionele en/of identiteitsontwikkeling van een kind negatief kan beïnvloeden. Het hof is daarom van oordeel dat het gelasten van een rustperiode voor [de minderjarige] van enkele jaren niet in haar belang moet worden geacht.

4.11

De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat als het hof van oordeel is dat er wel toegewerkt moet worden naar herstel van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader, daarvoor in samenspraak met [E] Groningen een plan dient te worden opgesteld, waarbij [E] Groningen dient te onderzoeken op welke wijze de moeder [de minderjarige] op een positieve manier kan voorbereiden op het contact met haar vader en welke hulpverlening nodig is om het contactherstel succesvol te laten verlopen. Beide partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij vertrouwen hebben in [E] Groningen.

4.12

Het hof is van oordeel dat partijen de periode waarvoor het hof de beschikking van 4 december 2013 zal schorsen, van aanvang aan dienen te benutten om toe te werken naar een situatie waarin de moeder voldoende in staat zal zijn om [de minderjarige] voor te bereiden op en te ondersteunen bij (begeleide) omgang met de vader. Zij dienen daartoe, in samenspraak met [E] Groningen, over te gaan tot het opstellen van een plan zoals hiervoor omschreven. Het hof kan zich voorstellen dat dit voor de moeder aanleiding vormt om zich alsnog, via een verwijzing van haar huisarts, aan een persoonlijkheidsonderzoek te onderwerpen.
* In de zaak met zaaknummer 200.188.363/01

4.13

Het hof zal de raad verzoeken om ten behoeve van de behandeling van de hoofdzaak met zaaknummer 200.188.363/01 nader aan het hof te adviseren over de mogelijkheden van hervatting van de contacten tussen [de minderjarige] en de vader, daarbij in aanmerking nemend het door partijen in samenspraak met [E] Groningen op te stellen plan.

4.14

De moeder heeft naar voren gebracht dat het verslag van [E] Emmen, dat mede ten grondslag heeft gelegen aan het raadsrapport van 17 april 2015, inmiddels naar aanleiding van een klachtenprocedure is gewijzigd. Het hof verzoekt de raad ook dit gewijzigde verslag, voor zover die wijzigingen van belang zijn voor het oordeel van het hof, in zijn nadere advisering te betrekken.

4.15

Het hof verzoekt de raad voorts in het kader van het onderzoek al dan niet in samenspraak met [E] Groningen drie observatiecontacten tussen de vader en [de minderjarige] te laten plaatsvinden en het hof over het verloop van die contacten te berichten.

4.16

Indien de raad - ondanks zijn eerdere bezwaren - tot de conclusie komt dat contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] mogelijk is, verzoekt het hof de raad aan te geven op welke wijze de contacten dienen te worden ingevuld.

4.17

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na melden.

5 De beslissing

Het gerechtshof:


In de zaak met zaaknummer 200.188.363/02:


wijst het verzoek van de moeder toe;

schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 december 2013 voor de periode vanaf heden tot 31 augustus 2016

In de zaak met zaaknummer 200.188.363/01:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Noord Nederland, locatie Groningen, een onderzoek in te stellen zoals hiervoor omschreven in rechtsoverwegingen 4.13 tot en met 4.16 en draagt de raad op het hof hieromtrent te rapporteren en te adviseren vóór 30 september 2016, althans vóór 30 september 2016 schriftelijk bericht te geven over de voortgang van het onderzoek;

bepaalt dat, afhankelijk van de dan verkregen informatie over de voortgang van het onderzoek, een nadere zittingsdatum voor een mondelinge behandeling zal worden bepaald;

houdt iedere verder beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G.M. van der Meer en
mr. M.P. den Hollander en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 mei 2016 in bijzin van de griffier.