Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4434

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
200.187.680
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2519, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling.

1. Geen grief gericht tegen oordeel van de rechtbank en de aan dat oordeel ten grondslag liggende overweging. Hof dient derhalve in hoger beroep te oordelen dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht.

2. Het enkele ontstaan van een nieuwe bovenmatige schuld staat op grond van het bepaalde in artikel 350 lid 3 onder d Fw aan het verlenen van een schone lei in de weg, zonder dat daarvoor is vereist dat sprake is van verwijtbaarheid van de zijde van de schuldenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.187.680

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 14/1072 R)

arrest van 6 juni 2016

inzake

[appellant],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

advocaat: mr. A.O.C.A. van Schravendijk.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 november 2014 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 maart 2016 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd.

1.3

Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 18 maart 2016 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 10 maart 2016 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem zal worden voortgezet.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief met bijlagen van 26 april 2016 van de bewindvoerder H.Ph. Wolfswinkel.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 mei 2016, waarbij [appellant], vergezeld door zijn partner [de partner], is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. De bewindvoerder is eveneens verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd omdat [appellant], kort gezegd, een nieuwe bovenmatige schuld heeft laten ontstaan - [appellant] is door de gemeente Maastricht (mede) aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van € 50.373,24 wegens teruggevorderde aan [de partner] verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2015 in verband met het niet melden van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding - welke schuld, gezien de hoogte ervan, niet voor het einde van de looptijd door [appellant] kan worden ingelopen. Daarnaast heeft [appellant] volgens de rechtbank niet voldaan aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting nu hij het voeren van een gezamenlijke huishouding met [de partner] niet aan de bewindvoerder heeft gemeld. Met het voorgaande staat volgens de rechtbank vast dat [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen.

3.2

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voert samengevat het volgende aan:

  • -

    [appellant] heeft tegen de beslissing van de gemeente Maastricht van 23 juli 2015 met behulp van zijn advocaat, mr. H. de Boer, bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 25 november 2015 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Op advies van mr. De Boer heeft [appellant] besloten geen beroep bij de rechtbank in te stellen, omdat - met de kennis van nu - niet betoogd kan worden dat de bijstandsuitkering terecht is uitbetaald aan [de partner].

  • -

    [appellant] heeft tot aan het verhoor door twee sociaal rechercheurs op 21 juli 2015, nooit begrepen dat hij iets fout deed. Met name is hem toen pas duidelijk geworden dat [de partner] sinds 1 januari 2012 haar hoofdverblijf had op zijn adres. In de visie van [appellant] kreeg [de partner] terecht een bijstandsuitkering van de gemeente Maastricht omdat zij daar haar vaste lasten had voor haar woning. [appellant] profiteerde daar niet van.

  • -

    Volgens de Hoge Raad (HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455) is een tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub c Faillissementswet (Fw) slechts dan geïndiceerd als de schuldenaar een verwijt valt te maken. [appellant] bepleit dat deze maatstaf ook dient te gelden voor het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden. [appellant] wist weliswaar dat zijn partner een bijstandsuitkering genoot en dat zij daarvan onder meer haar vaste lasten van haar woning in Maastricht betaalde, maar [appellant] heeft geen moment beseft dat die uitkering door de veelvuldige aanwezigheid van [de partner] bij hem in [plaatsnaam] onterecht zou zijn uitbetaald en al helemaal niet dat hij hierdoor mede aansprakelijk zou worden gesteld voor de terugbetaling van de onterecht genoten uitkering. Ook in de perioden waarin [appellant] een aanvullende bijstandsuitkering nodig had, heeft niemand hem er ooit op gewezen dat hij in de problemen zou komen als zijn Maastrichtse vriendin te vaak bij hem zou verkeren. Nu hem ter zake geen verwijt valt te maken, dient de schuldsaneringsregeling niet voortijdig te worden beëindigd.

  • -

    Uit de verslagen van de bewindvoerder blijkt dat [appellant] zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling steeds goed is nagekomen. Toen hij in september 2015 zijn baan buiten zijn schuld kwijtraakte, heeft hij ruimschoots voldaan aan de sollicitatieplicht. De afdracht- en informatieplicht komt [appellant] correct na.

3.3

De bewindvoerder heeft in zijn brief van 26 april 2016 laten weten dat [appellant] zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling nakomt. De bewindvoerder heeft niet de indruk dat [appellant] iets voor hem of de gemeente verborgen heeft willen houden. De bewindvoerder heeft voorts de indruk dat [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat [de partner] terecht een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Maastricht omdat zij haar eigen vaste lasten had voor de woning in Maastricht.

3.4

Het hof is van oordeel dat ook in hoger beroep moet worden geoordeeld dat [appellant] niet heeft voldaan aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht, nu [appellant] tegen dit oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag liggende overweging (het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [de partner] aan de bewindvoerder) geen grieven heeft gericht. Dit levert op zich zelf reeds grond op voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in artikel 350 lid 3 onder c Faillissementswet (Fw).

3.5

Het hof oordeelt verder als volgt. De schuld aan de gemeente Maastricht van € 50.373,24 (thans nog te vermeerderen met de brutering van het over 2015 teruggevorderde nettobedrag van € 5.716,94) staat in rechte vast, nu bij beslissing van 25 november 2015 van burgemeester en wethouders van Maastricht de bezwaren van [appellant] en [de partner] tegen de beslissing tot terugvordering van de ten onrechte genoten bijstandsuitkering van [de partner] en de (mede)aansprakelijkheidstelling van [appellant], ongegrond zijn verklaard en zij van de beroepsmogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt. [appellant] heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij niet in staat is de schuld aan de gemeente Maastricht te betalen en evenmin in staat is om het deel van de vordering van de gemeente Maastricht dat is ontstaan na toelating tot de schuldsaneringsregeling - derhalve de terugvordering over de periode 24 november 2014 tot 1 juli 2015 - in de nog resterende looptijd van de schuldsaneringsregeling terug te betalen.

Het enkele ontstaan van een dergelijke nieuwe bovenmatige schuld staat op grond van het bepaalde in artikel 350 lid 3 onder d Fw aan het verlenen van een schone lei in de weg, zonder dat daarvoor is vereist dat sprake is van verwijtbaarheid van de zijde van de schuldenaar. Ten overvloede oordeelt het hof dat een schuld die is ontstaan als gevolg van het niet melden van samenwoning met een partner die een bijstandsuitkering ontvangt, naar haar aard in beginsel als niet te goeder trouw ontstaan moet worden aangemerkt. [appellant] heeft bovendien niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hem ter zake van het ontstaan van de schuld aan de gemeente Maastricht geen enkel verwijt valt te maken.

3.6

Voormelde omstandigheden leveren - ieder voor zich en in onderling verband bezien - voldoende grond op voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 maart 2016.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.F. Schreurs, F.J.P. Lock en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2016.