Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4422

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
21-005590-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte wegens overtreding van de artikelen 6 en 7 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een taakstraf voor de duur van 220 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte heeft als bestuurder van een zwaar beladen vrachtwagen een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, terwijl hij niet beschikte over het vereiste rijbewijs en de vereiste vaardigheden om een vrachtwagen te besturen. Hij heeft bovendien de plaats van het ongeval verlaten. Bij het ongeval heeft een fietser zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005590-15

Uitspraak d.d.: 7 juni 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 25 september 2015 met parketnummer 05-820296-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1969] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D.J.P.M. Vermunt, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Azewijn, gemeente Montferland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), daarmede rijdende over de weg, de Meilandsedijk (komende uit de richting 's Heerenberg en gaande in de richting Ulft), roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl, gelet op de rijrichting van verdachte, aan de linkerzijde van de rijbaan een (vrij liggend) fiets/bromfietspad was gelegen, en/of

terwijl, de Meilandsedijk ter plaatse, gelet op de rijrichting van verdachte, een (flauwe) bocht naar links maakt, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van dat motorrijtuig (vrachtwagen) vereist rijbewijs, en/of

(derhalve) niet beschikte over de vereiste vaardigheden om genoemd motorrijtuig te besturen, en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, en/of

(daarbij) zijn snelheid (voor voornoemde bocht), niet althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast, en/of

(daarbij) een stuurfout heeft gemaakt, in elk geval niet of onvoldoende het voertuig (met de bocht mee) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) met het/de rechter (voor)wielen van het door hem bestuurde motorrijtuig, geheel of gedeeltelijk in de, gelet op de rijrichting van verdachte, rechter berm is terechtgekomen, en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd, althans een stuurcorrectie heeft gemaakt, en/of

(vervolgens) slingerend heeft gereden, waarbij hij, gelet op de rijrichting van verdachte, (meermalen) met het door hem bestuurde voertuig gedeeltelijk in de linker berm en/of rechter berm is terecht gekomen, en/of

(daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of

(vervolgens) het motorrijtuig (vrachtwagen) is gekanteld, waarbij de lading van de vrachtwagen, (straat)klinkers, (gedeeltelijk) op het fiets/bromfietspad is gevallen, op het moment dat zich daar een (verdachte tegemoetkomende) fietser bevond, waarbij deze fietser door de (vallende) klinkers is geraakt en/of (vervolgens) is gevallen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

1. subsidiair:

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Azewijn, gemeente Montferland, als

bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de

Meilandsedijk,

terwijl, gelet op de rijrichting van verdachte, aan de linkerzijde van de

rijbaan een (vrij liggend) fiets/bromfietspad was gelegen, en/of

terwijl, de Meilandsedijk ter plaatse, gelet op de rijrichting van verdachte,

een (flauwe) bocht naar links maakt, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van

dat motorrijtuig (vrachtwagen) vereist rijbewijs, en/of (derhalve) niet

beschikte over de vereiste vaardigheden om genoemd motorrijtuig te besturen,

en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur,

althans met een hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane

snelheid van 80 kilometer per uur, en/of

(daarbij) zijn snelheid (voor voornoemde bocht), niet althans in onvoldoende

mate heeft verminderd en/of aangepast, en/of

(daarbij) een stuurfout heeft gemaakt, in elk geval niet of onvoldoende het

voertuig (met de bocht mee) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) met het/de rechter (voor)wielen van het door hem bestuurde

motorrijtuig, geheel of gedeeltelijk in de, gelet op de rijrichting van

verdachte, rechter berm is terechtgekomen, en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd, althans een stuurcorrectie heeft

gemaakt, en/of

(vervolgens) slingerend heeft gereden, (waarbij) hij, gelet op de rijrichting

van verdachte, (meermalen) met het door hem bestuurde voertuig gedeeltelijk in

de linker berm en/of rechter berm is terecht gekomen, en/of

(daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of

(vervolgens) het motorrijtuig (vrachtwagen) is gekanteld, waarbij de lading

van de vrachtwagen, (straat)klinkers, (gedeeltelijk) op het fiets/bromfietspad

is gevallen, op het moment dat zich daar een (verdachte tegemoetkomende)

fietser bevond, waarbij deze fietser door de (vallende) klinkers is geraakt

en/of (vervolgens) is gevallen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

2:
hij, op 30 oktober 2013 (op of omstreeks 10.45 uur) te Azewijn, gemeente Montferland, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval op de Meilandsedijk, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten mevrouw [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging feit 1 primair

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde. Volgens hem heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, naar achteraf moet worden geconcludeerd, tijdens de rit een bladveer van de vrachtwagen is gebroken en dat dat een zodanig effect heeft gehad op de bestuurbaarheid van de vrachtwagen dat, gelet op de situatie ter plaatse (smalle berm), niet kon worden voorkomen dat het ongeval plaatsvond zoals dat plaatsvond. Uit het dossier is niet op te maken dat verdachte in de gegeven omstandigheden niet adequaat heeft gehandeld. Het is maar de vraag of een vrachtwagenchauffeur mét het vereiste rijbewijs onder dezelfde omstandigheden anders zou (kunnen) hebben gehandeld. Dat verdachte niet in het bezit was van een voor het besturen van een vrachtwagen vereist rijbewijs is niet (mede) redengevend geweest voor het ontstaan van het ongeval. Voorts is er geen wettig en overtuigend bewijs dat verdachte te hard heeft gereden.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Op 30 oktober 2013 heeft verdachte te Azewijn, in de gemeente Montferland, een met straatklinkers beladen vrachtwagen bestuurd over de Meilandsedijk (vanuit de richting ’s-Heerenberg en in de richting van Ulft), terwijl hij niet in het bezit was van een voor het besturen van die vrachtwagen vereist rijbewijs en niet beschikte over de vereiste vaardigheden om die vrachtwagen te besturen. Aan de linkerzijde van de weg waarop verdachte reed, lag een (vrij liggend) fiets/bromfietspad, waar op datzelfde moment [slachtoffer] kwam aanfietsen vanuit de tegenovergestelde richting. Op het moment dat verdachte in een, gelet op zijn rijrichting, (flauwe) bocht naar links stuurde, is de vrachtwagen met de rechter (voor)wielen in de voor verdachte rechts gelegen berm terechtgekomen. Om uit die berm te komen, heeft verdachte naar links gestuurd, waarna hij (slingerend) achtereenvolgens in de voor hem links en uiteindelijk (wederom) rechts gelegen berm is terechtgekomen. Doordat verdachte het voertuig niet onder controle heeft kunnen houden, is de vrachtwagen uiteindelijk gekanteld, waarbij (een gedeelte van) de lading van de vrachtwagen op het fiets/bromfietspad is gevallen, juist op het moment dat [slachtoffer] zich daar met haar fiets bevond. Zij is door de (vallende) klinkers geraakt en vervolgens is zij ten val gekomen. Bij dit ongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Kort na het verkeersongeval werd geconstateerd dat één van de bladveren van de vrachtwagen was gebroken.

De raadsman leidt uit de rapportages af dat de bladveer voorafgaand aan het ongeval is afgebroken. Die conclusie deelt het hof niet: in de rapportages is, uitgaand van de hypothese dat dit het geval zou zijn, beschreven wat een bestuurder in dat geval gemerkt zou hebben en had moeten doen. Op basis van de voorhanden zijnde stukken kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld op welk moment (vóór, tijdens of na het ongeval) de bladveer is gebroken. Naar het oordeel van het hof doet dit ook niet ter zake, omdat verdachte hoe dan ook niet adequaat heeft gereageerd. Indien de bladveer niet gebroken was toen verdachte in de berm raakte is er sprake van een stuurfout, en daarop volgend inadequaat reageren. Indien de bladveer wel gebroken was op dat moment heeft verdachte niet adequaat gereageerd op de ontstane situatie door de vrachtwagen te sturen zoals hij heeft gedaan. Net als de rechtbank slaat het hof acht op hetgeen de deskundigen Verschuren en Speelziek hebben gerapporteerd. Het feit dat verdachte niet in het bezit was van een vrachtwagenrijbewijs heeft naar het oordeel van het hof -anders dan door de raadsman bepleit- wel degelijk bijgedragen aan het onvoorzichtige rijgedrag.

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam moet worden aangemerkt en dat verdachte aldus schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Azewijn, gemeente Montferland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen), daarmede rijdende over de weg, de Meilandsedijk (komende uit de richting 's Heerenberg en gaande in de richting Ulft), roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl, gelet op de rijrichting van verdachte, aan de linkerzijde van de rijbaan een (vrij liggend) fiets/bromfietspad was gelegen, en/of

terwijl, de Meilandsedijk ter plaatse, gelet op de rijrichting van verdachte, een (flauwe) bocht naar links maakt, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van dat motorrijtuig (vrachtwagen) vereist rijbewijs, en/of

(derhalve) niet beschikte over de vereiste vaardigheden om genoemd motorrijtuig te besturen, en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, en/of

(daarbij) zijn snelheid (voor voornoemde bocht), niet althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast, en/of

(daarbij) een stuurfout heeft gemaakt, in elk geval niet of onvoldoende het voertuig (met de bocht mee) naar links heeft gestuurd, en/of

(daarbij) met het/de rechter (voor)wielen van het door hem bestuurde motorrijtuig, geheel of gedeeltelijk in de, gelet op de rijrichting van verdachte, rechter berm is terechtgekomen, en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd, althans een stuurcorrectie heeft gemaakt, en/of

(vervolgens) slingerend heeft gereden, waarbij hij, gelet op de rijrichting van verdachte, (meermalen) met het door hem bestuurde voertuig gedeeltelijk in de linker berm en/of rechter berm is terecht gekomen, en/of

(daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of

(vervolgens) het motorrijtuig (vrachtwagen) is gekanteld, waarbij de lading van de vrachtwagen, (straat)klinkers, (gedeeltelijk) op het fiets/bromfietspad is gevallen, op het moment dat zich daar een (verdachte tegemoetkomende) fietser bevond, waarbij deze fietser door de (vallende) klinkers is geraakt en/of (vervolgens) is gevallen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2:
hij, op 30 oktober 2013 (op of omstreeks 10.45 uur) te Azewijn, gemeente Montferland, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval op de Meilandsedijk, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten mevrouw [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 220 uren en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot dezelfde straf als de rechtbank heeft opgelegd.

De raadsman heeft, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, bepleit om een ontzegging van de rijbevoegdheid op een zodanige wijze op te leggen dat verdachte nog wel met de auto naar zijn werk kan.

Het hof acht de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft als bestuurder van een zwaar beladen vrachtwagen een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, terwijl hij niet beschikte over het vereiste rijbewijs en de vereiste vaardigheden om een vrachtwagen te besturen. Bij dat ongeval heeft mevrouw

[slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte heeft bovendien de plaats van het ongeval verlaten zonder zich om [slachtoffer] te bekommeren en zonder behoorlijk de gelegenheid te bieden tot vaststelling van zijn identiteit. Hij heeft aanvankelijk zelfs geprobeerd om zijn broer voor het ongeval te laten opdraaien. Het ongeval heeft een enorme impact op het leven van [slachtoffer] en haar partner. Ondanks intensieve therapie kampt [slachtoffer] nog steeds met lichamelijke beperkingen en heeft zij nog elke dag pijn. Dat verdachte er na het ongeval vandoor is gegaan, is voor haar niet te verteren.

Gezien de mate van schuld, waarbij het hof uitgaat van zeer onvoorzichtig rijgedrag, en de gevolgen voor het slachtoffer zou oplegging van een taakstraf voor de duur van 220 uren en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden in beginsel op zijn plaats zijn. In elk geval is naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijk deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid onontkoombaar.

Nu verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, het ongeval ook voor hem gevolgen heeft gehad (verdachte heeft gebroken met zijn broer en hij is inmiddels gescheiden) en een rijontzegging bovendien een forse inspanning van verdachte zal vergen om op zijn werk te kunnen komen, ziet het hof evenwel aanleiding om een gedeelte van de rijontzegging, te weten drie maanden, voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren. Het hof realiseert zich dat deze straf het leed van [slachtoffer] niet ongedaan zal maken. Geen enkele straf zal dat kunnen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. C. Caminada, voorzitter,

mr. M. Barels en mr. R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier,

en op 7 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Barels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 juni 2016.

Tegenwoordig:

mr. H.G.W. Stikkelbroeck, voorzitter,

mr. drs. I.E.W. Gonzales, advocaat-generaal,

mr. G.W. Jansink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.