Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:438

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2016
Datum publicatie
25-01-2016
Zaaknummer
21-007195-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:38, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zuiderdiepzaak Groningen. Veroordeling t.z.v. medeplegen van gekwalificeerde doodslag tot gevangenisstraf van 15 jaar, met aftrek. Overwegingen omtrent de alternatieve lezing van verdachte, de doodsoorzaak en de toerekening van de dood aan verdachte en voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007195-13

Uitspraak d.d.: 25 januari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 augustus 2013 met parketnummer 18-670350-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 september 2015, 15 december 2015 en 11 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, vrijspraak van verdachte ter zake van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde en veroordeling van verdachte ter zake van het onder meer subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van – hoewel de schriftelijke vordering kennelijk abusievelijk 10 vermeld - 12 jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede de hoofdelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 6.814,55, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. G.N. Weski, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 september 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) met dat opzet

- die [slachtoffer] (in de hal van perceel [adres] ) opgewacht en/of (vervolgens) vastgepakt en/of meegenomen naar de hal bij de bergingen (van dat perceel) en/of

- ( aldaar) die [slachtoffer] naar de grond gebracht en/of aan hand(en) en/of voet(en) gekneveld en/of vastgebonden en/of (een stuk) tape om de nek en/of op/om de mond gebonden en/of geplakt, althans gedaan, en/of

- die [slachtoffer] (op/tegen hoofd en/of nek/hals) gestompt en/of geslagen en/of geduwd, en/of

zodanig voornoemd en/of ander geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend dat (aldus) een voor die [slachtoffer] (zeer) stressvolle en/of bedreigende situatie is ontstaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten (poging tot) diefstal (met geweld en/of een valse sleutel), gepleegd in vereniging (artikel 311, 312 Wetboek van Strafrecht), van geld en/of andere goed(eren) van die [slachtoffer] ,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 september 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet,

- die [slachtoffer] (in de hal van perceel [adres] ) opgewacht en/of (vervolgens) vastgepakt en/of meegenomen naar de hal bij de bergingen (van dat perceel) en/of

- ( aldaar) die [slachtoffer] naar de grond gebracht en/of aan hand(en) en/of voet(en) gekneveld en/of vastgebonden en/of (een stuk) tape om de nek en/of op/om de mond gebonden en/of geplakt, althans gedaan, en/of

- die [slachtoffer] (op/tegen hoofd en/of nek/hals) gestompt en/of geslagen en/of geduwd, en/of

zodanig voornoemd en/of ander geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend dat (aldus) een voor die [slachtoffer] (zeer) stressvolle en/of bedreigende situatie is ontstaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 september 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en/of sleutel(s) en/of (andere) goed(eren), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n),

waarbij verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geld, sleutel(s), portemonnee, en/of (andere) goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, en/of een valse sleutel, en/of

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n),

- die [slachtoffer] (in de hal van perceel [adres] ) opgewacht en/of (vervolgens) vastgepakt en/of meegenomen naar de hal bij de bergingen (van dat perceel) en/of

- ( aldaar) die [slachtoffer] naar de grond gebracht en/of aan hand(en) en/of voet(en) gekneveld en/of vastgebonden en/of (een stuk) tape om de nek en/of op/om de mond gebonden en/of geplakt, althans gedaan, en/of

- die [slachtoffer] (op/tegen hoofd en/of nek/hals) gestompt en/of geslagen en/of geduwd, en/of

zodanig voornoemd en/of ander geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend dat (aldus) een voor die [slachtoffer] (zeer) stressvolle en/of bedreigende situatie is ontstaan,

welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 september 2011 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer] ,

- ( in de hal van perceel [adres] ) heeft/hebben opgewacht en/of (vervolgens) vastgepakt en/of meegenomen naar de hal bij de bergingen (van dat perceel) en/of

- ( aldaar) naar de grond heeft/hebben gebracht en/of aan hand(en) en/of voet(en) gekneveld en/of vastgebonden en/of (een stuk) tape om de nek en/of op/om de mond gebonden en/of geplakt, althans gedaan, en/of

- ( op/tegen hoofd en/of nek/hals) heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geduwd, en/of

zodanig voornoemd en/of ander geweld op die [slachtoffer] heeft/hebben uitgeoefend dat (aldus) een voor die [slachtoffer] (zeer) stressvolle en/of bedreigende situatie is ontstaan, terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verweren van de verdediging

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman de integrale vrijspraak van verdachte bepleit. Het pleidooi van de verdediging zoals weergegeven in de pleitnota luidt samengevat als volgt.

Allereerst is niet voldaan aan het bewijsminimum ex artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het bewijs bestaat grotendeels uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] . Deze zijn echter onbetrouwbaar en dienen als zodanig terzijde te worden geschoven. [medeverdachte] heeft op essentiële punten tegenstrijdig en leugenachtig verklaard. Met het wegvallen van deze verklaringen ontbreekt het wettig bewijs.

Indien het hof ter zake van het voorgaande een ander oordeel is toegedaan, is gesteld dat het dossier naast de voor verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte] geen steunbewijs bevat.

Voorts heeft verdachte geen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] gehad. Hij kon niet verwachten dat [slachtoffer] het leven zou laten waardoor het intreden van diens dood niet aan hem kan worden toegerekend.

Tot slot is aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat sprake is geweest van diefstal.

In dit kader heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen geformuleerd. Indien het hof de omstandigheid dat een lege portemonnee naast [slachtoffer] is aangetroffen voor het bewijs bezigt, is verzocht de getuigen (genoemd in de pleitnota) die verklaren dat [slachtoffer] altijd met een goedgevulde portemonnee zou hebben gelopen, ter toetsing te horen.

Het hof zal de bespreking van de verweren van de verdediging in de onderstaande overwegingen over de zaak betrekken.

Overwegingen van het hof

Voorafgaande algemene overwegingen

In onderhavige zaak bestaat het bewijs naast het forensisch technisch bewijs, in de kern met name uit de verklaringen van verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte] en/of de getuige [getuige 1] . Het hof stelt vast dat alle drie ten aanzien van het ten laste gelegde ieder voor zich op verschillende punten wisselende verklaringen hebben afgelegd. Bij de beoordeling van de zaak en het selecteren van het bewijs houdt het hof hiermee rekening door de nodige behoedzaamheid in acht te nemen en slechts die (delen van) verklaringen te bezigen voor het bewijs die betrouwbaar worden geacht omdat de betreffende persoon in de betreffende verklaring bijvoorbeeld ook zichzelf belast en/of dat deze verklaring (voldoende) ondersteund wordt door c.q. in overeenstemming is met overig bewijsmateriaal.

Dit leidt ertoe dat bij de feitenvaststelling de verklaring van [medeverdachte] zoals afgelegd bij de politie op 31 mei 2012 (p. 221-229 van map 1 van het dossier) als uitgangspunt is genomen. Daarbij merkt het hof op dat slechts die passages van het politieproces-verbaal van dit verhoor voor het bewijs gebruikt zijn die als zodanig in de verbatim uitwerkingen van dat verhoor terug te vinden zijn en daar – inhoudelijk - niet van afwijken.

Betrouwbaarheid [medeverdachte]

Voornoemde verklaring acht het hof – anders dan de verdediging – betrouwbaar nu deze op (essentiële) punten steun vindt in de verklaringen van verdachte, [getuige 1] en (grotendeels) het forensisch technische/overige bewijs. Hierbij speelt mee dat [medeverdachte] niet alleen verdachte maar ook zichzelf belast. Het hof ziet geen reden deze verklaring uit te sluiten van het bewijs. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Bewijsminimum

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Uit het hiervoor overwogene vloeit reeds voort dat de verklaring van [medeverdachte] niet op zichzelf staat en voldoende steun in ander bewijsmateriaal vindt. Dit blijkt ook uit de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof stelt – anders dan is bepleit – vast dat voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum als bedoeld in het hiervoor genoemde artikel. Het verweer wordt verworpen.

Feitenvaststelling

Gebleken is van de navolgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van 16 september 2011 bevinden [medeverdachte] en [verdachte] zich in de berging behorende bij de woning van [slachtoffer] aan het [adres] te [plaats] . Op enig moment komt [slachtoffer] via de hoofddeur het portiek van zijn woning binnen. Daar pakt [verdachte] [slachtoffer] middels een hals/nekklem vast en sleept hem naar de berging. Hierbij bedekt [verdachte] de mond van [slachtoffer] met zijn hand. [verdachte] werkt [slachtoffer] tegen de grond. [verdachte] zit vervolgens bovenop [slachtoffer] , die dan nog op de grond ligt. In deze worsteling probeert [slachtoffer] zich te verweren. Hierbij krast hij met zijn hand in het gezicht van [verdachte] die daardoor verwond raakt. Dit is voor [verdachte] aanleiding om [slachtoffer] een vuistslag in het gezicht te geven. Tevens zegt hij tegen [medeverdachte] dat hij [slachtoffer] moet vastbinden. [slachtoffer] is vervolgens door middel van door de verdachten meegebrachte duct-tape en/of in de berging aanwezige doeken/sloven vastgebonden. [medeverdachte] heeft de handen van [slachtoffer] vastgebonden, alsmede diens mond getapet.

Dit laatste gebeurt nadat [verdachte] zijn hand van de mond van [slachtoffer] haalt en hij tegen [medeverdachte] zegt dat hij [slachtoffer] ’s mond moet tapen. [verdachte] maakt het tapen van de mond van [slachtoffer] af. [medeverdachte] geeft nog een doek aan [verdachte] aan en die bindt hiermee de voeten van [slachtoffer] vast. Op enig moment heeft [verdachte] de portemonnee van [slachtoffer] in zijn handen. Deze portemonnee wordt [medeverdachte] gegeven nadat [verdachte] sleutels uit de jaszak van [slachtoffer] haalde. [verdachte] verlaat met medeneming van de sleutels enige tijd de berging alwaar [medeverdachte] bij [slachtoffer] in de berging blijft staan wachten. Nadat [verdachte] terugkeert verlaten [verdachte] en [medeverdachte] uiteindelijk samen de berging en het portiek van de woning. Op dat moment ligt [slachtoffer] op zijn buik, met zijn mond naar beneden, zijn voeten gebonden en zijn handen gebonden boven zijn hoofd. Aldus liggend en gekneveld wordt [slachtoffer] de volgende dag aangetroffen. Bij aantreffen van [slachtoffer] wordt zijn dood vastgesteld. Naast het lichaam van [slachtoffer] wordt liggend op de grond een portemonnee aangetroffen.

Voorts wordt nog het navolgende in ogenschouw genomen.

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat zij wist dat [verdachte] en [medeverdachte] van plan waren [slachtoffer] te bestelen. Zij had [verdachte] al in juni 2011 verteld over [slachtoffer] en over het feit dat hij (geld)zaken voor haar regelde. Bij het aantreffen van [slachtoffer] alsook de naast hem liggende portemonnee, bleek dat de portemonnee, die volgens getuigen doorgaans zeer goedgevuld was en hoewel [slachtoffer] kort voor zijn sterven nog contant geld had ontvangen voor boodschappen die hij voor prostituees had gedaan, desondanks leeg was. [getuige 1] verklaarde dat [verdachte] na het delict opeens geen geld meer nodig had.

Alternatieve lezing verdachte

Het hof gaat hiermee uit van een andere lezing dan die verdachte (uiteindelijk) naar voren heeft gebracht. Verdachte heeft onder meer verklaard dat het zou gaan om een uit de hand gelopen drugsdeal waarbij [slachtoffer] verdachte cocaïne zou hebben verkocht/willen verkopen. Verdachte zou niet genoeg geld hebben gehad waardoor [slachtoffer] verdachte zou hebben aangevallen.

Het hof acht deze lezing niet geloofwaardig nu deze op geen enkele wijze bevestiging/ondersteuning vindt in het dossier. Een aanzienlijk aantal getuigen is ter zake van onderhavige zaak gehoord door de politie en geen één van hen spreekt over het feit dat [slachtoffer] in harddrugs, cocaïne in het bijzonder, dealde. Sterker nog, dit wordt uitdrukkelijk betwist. Daarnaast zou verdachte aldus zijn verklaring [slachtoffer] een aanzienlijke som geld hebben betaald voor de drugs. Dit impliceert de aanwezigheid bij [slachtoffer] van het door verdachte beweerdelijk gegeven geld. Uit het dossier volgt evenwel dat geen geld bij [slachtoffer] is aangetroffen. Aanwijzingen dat een ander geld van [slachtoffer] heeft afgenomen nadat hij door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is achtergelaten op de grond liggend en gekneveld zoals hiervoor weergegeven, zijn in het onderzoek niet naar voren gekomen.

Verdachtes verklaring zou eventueel enkel bevestiging kunnen vinden in de (later dan verdachte) door [getuige 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring dan wel haar verklaring afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 24 september 2015. Voorafgaand aan deze verklaringen heeft [getuige 1] reeds verklaringen bij de politie afgelegd waarin zij met geen woord gerept heeft over verkoop van harddrugs door [slachtoffer] .

Daarbij blijkt uit het dossier dat [getuige 1] en [verdachte] een affectieve (knipperlicht)relatie hebben (gehad). Gelet op deze factoren legt het hof de verklaring van [getuige 1] zoals in een later stadium afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris en ter terechtzitting van het hof op dit punt terzijde. Het hof houdt er rekening mee dat de wisseling in de verklaringen van [getuige 1] in dit geval samenhangt met afstemming van de verklaringen tussen verdachte en [getuige 1] .

De mogelijke oorzaken voor het intreden van de dood van [slachtoffer] en de toerekening daarvan aan verdachte

Artsen/pathologen dr. B. Kubat en drs. F.R.W. van de Goot hebben zich zowel in hun rapporten van respectievelijk 24 januari 2012 en 31 mei 2013, als in hun verklaringen ter terechtzitting van het hof d.d. 24 september 2015 uitgelaten over de mogelijke doodsoorzaken. Beide deskundigen concluderen dat een levensbedreigende bloedstuwing op grond van/verstikking door samendrukkend geweld op de hals en/of belemmering van de ademwegen door het afplakken van de mond en/of positionele asfyxie de dood van [slachtoffer] mogelijk kan/kunnen verklaren. Kubat voegt hieraan nog een mogelijkheid toe, te weten een fatale hartritmestoornis uitgelokt door één of een combinatie van factoren, te weten psychische stress/pijn, mechanisch geweld op de zenuwknoop in de hals, zuurstoftekort/verstikking en/of bestaande afwijkingen van het hart en/of de schildklierfunctie. Ten aanzien van deze mogelijkheid zegt Van de Goot in zijn rapport dat hij het zeer onaannemelijk acht dat een hartritmestoornis anders dan (indien mogelijk) door zenuwprikkeling door de geweldinwerking een rol heeft gespeeld bij het geheel. Hij ziet voldoende aanwijzingen die sterk wijzen op een sufficiënte hartactie.

Ter terechtzitting van het hof heeft Van de Goot dit laatste nader toegelicht en gespecificeerd. Hij verklaarde dat hij bij [slachtoffer] bloeduitstortingen in de halsspieren en puntbloedingen in de bindvliezen van de ogen heeft waargenomen. Hij verklaarde dat dit gegeneraliseerde kenmerken zijn die men toeschrijft aan bloedafvloedbelemmering van de hersenen (er gaat bloed naar de hersenen maar het bloed kan daar niet goed weg waardoor er drukverhoging ontstaat) hetgeen optreedt bij samendrukkend geweld op de hals. Van de Goot verklaarde verder dat ten tijde van het optreden van de bloedstuwing in de hersenen - hetgeen een levensbedreigende situatie zal uitlokken - er in ieder geval voldoende hartactie was om deze bloeduitstortingen en puntbloedingen te bewerkstelligen. Van de Goot heeft zijn eerder getrokken conclusie op dit punt ter terechtzitting nogmaals herhaald.

Voorts heeft Van de Goot ter terechtzitting van het hof naar aanleiding van het zien van de foto’s die de positie van [slachtoffer] weergaven waarin hij is aangetroffen, verklaard dat [slachtoffer] op één kant van de neus heeft gelegen waarbij de neus in een scheve stand heeft gezeten. Dit leidde hij af uit het feit dat deze zijde van de neus uitgespaard is bij het ontwikkelen van lijkvlekken. [slachtoffer] heeft tijdens zijn dood geruime tijd in die positie verbleven waardoor in het gezicht de lijkvlekken zijn ontstaan maar bij de neus niet. Van de Goot verklaarde dat het mogelijk is dat [slachtoffer] volledig bewusteloos was en aldaar in deze positie is komen te overlijden. Van de Goot maakte daarbij de persoonlijke opmerking dat indien een persoon bij bewustzijn in een dergelijke stand zou liggen, het aannemelijk is dat hij zijn hoofd zou bewegen nu deze lichaamshouding een vrije beweging van het hoofd toestaat en de ligging zelf uitermate oncomfortabel is. Deze uitlatingen zijn ter terechtzitting door Kubat onderschreven. Beide deskundigen beschrijven de positie waarin [slachtoffer] is aangetroffen, ook indien de mond nog voor een deel vrij is, als adem belemmerend.

Gelet op de bovenstaande feitelijke vaststelling, de bevindingen en conclusie van de deskundigen die het hof tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [slachtoffer] is komen te overlijden door een levensbedreigende bloedstuwing op grond van/verstikking door samendrukkend geweld op de hals en/of belemmering van de ademwegen door het afplakken van de mond en/of positionele asfyxie. Het hof gaat er op basis van de uitleg en conclusie van deskundige Van de Goot van uit dat een hartritmestoornis bij de dood van [slachtoffer] geen zelfstandige rol van betekenis heeft gespeeld.

Het hof stelt vast dat de geweldshandelingen van de verdachten, zoals die in de hiervoor weergegeven feitenvaststelling worden genoemd, te weten in het bijzonder:

  • -

    [verdachte] heeft [slachtoffer] in een hals/nekklem gepakt en zo vastgehouden;

  • -

    [verdachte] heeft [slachtoffer] in genoemde positie meegesleept naar een ander vertrek in de woning;

  • -

    [verdachte] heeft met zijn hand de mond van [slachtoffer] enige tijd afgedekt;

  • -

    [verdachte] heeft, terwijl [slachtoffer] op de grond lag, enige tijd bovenop hem gezeten;

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte] hebben [slachtoffer] vastgebonden;

  • -

    de mond van [slachtoffer] is getapet;

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte] hebben [slachtoffer] achtergelaten liggend op zijn buik, met de mond naar beneden, met de voeten vastgebonden en met de handen gebonden boven het hoofd, waarbij hij hoogstwaarschijnlijk buiten bewustzijn enige tijd op zijn neus, die in scheve stand werd aangetroffen, heeft gelegen,

naadloos passen in de situatie zoals de politie [slachtoffer] heeft aangetroffen en de waarnemingen en conclusies van de deskundigen over die aangetroffen situatie en de doodsoorzaak.

Of en in hoeverre de diverse geweldshandelingen ieder voor zich al dan niet tot de dood hebben geleid kan op basis van hetgeen daarover wordt verklaard, hetgeen is aangetroffen en hetgeen de deskundigen daarover concluderen, niet met zekerheid worden vastgesteld. Evenmin kan het exacte tijdstip van overlijden van [slachtoffer] worden vastgesteld. Zulks doet naar het oordeel van het hof evenwel niet ter zake. De bovenomschreven grove geweldshandelingen van verdachten op [slachtoffer] en het bewerkstelligen dat [slachtoffer] daarna buikwaarts gekneveld op de grond in een hulpeloze, stressvolle en lichamelijk ongemakkelijke adembelemmerende positie komt te verkeren, hebben er – hoe dan ook - toe geleid dat moet worden vastgesteld dat [slachtoffer] – de volgende dag op de grond aangetroffen in diezelfde positie - is overleden. Deze feitelijkheden in samenhang beschouwd, maken dat de dood aan verdachten kan worden toegerekend.

Voorwaardelijk opzet

Het hof ziet zich ter zake van het primair ten laste gelegde allereerst voor de vraag gesteld of bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden.

Of sprake is van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg dat het (behoudens contra-indicaties) niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof concludeert dat verdachtes handelingen zoals die uit de hiervoor weergegeven feitenvaststelling en waarnemingen van de deskundigen blijken naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans oplevert dat [slachtoffer] daardoor het leven zou laten.

Door de toepassing van grof geweld op [slachtoffer] zoals boven feitelijk nader is omschreven en het bewerkstelligen dat [slachtoffer] daarna buikwaarts gekneveld op de grond in een hulpeloze, stressvolle en ongemakkelijke lichamelijke adembelemmerende positie komt te verkeren en in die positie wordt achtergelaten heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.

Anders dan de verdediging, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Het verweer wordt verworpen.

Medeplegen

Het hof dient voorts de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van medeplegen.

Uit de (recente) jurisprudentie van de Hoge Raad1 volgt, kort samengevat, dat bij medeplegen sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

De kwalificatie van medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven feitenvaststelling volgt dat het handelen van de verdachten in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering en dat verdachtes – intellectuele en/of materiële - bijdrage hieraan van voldoende gewicht is geweest.

Diefstal

Het hof dient voorts de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van diefstal.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen en de hiervoor weergegeven feitenvaststelling blijkt dat [slachtoffer] altijd een zeer goedgevulde portemonnee op zak had, dat hij kort voor zijn sterven nog contant geld had ontvangen van prostituees en dat bij aantreffen van [slachtoffer] ’s portemonnee deze leeg was. Zowel verdachte als [medeverdachte] hebben de betreffende nacht de portemonnee van [slachtoffer] op enig moment in handen gehad.

[getuige 1] heeft verklaard dat zij wist dat verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] wilden bestelen en dat verdachte na afloop van het delict opeens geen geld meer nodig had.

Hieruit leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en/of [medeverdachte] de portemonnee van [slachtoffer] heeft/hebben leeggehaald en de/het daarin aanwezige goederen/geld heeft/hebben weggenomen. Hiermee acht het hof, anders dan de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van diefstal van goederen/geld uit de portemonnee van [slachtoffer] . Dit was van meet af aan de intentie van de verdachten. De verrichte geweldshandelingen hebben deze beroving mogelijk gemaakt. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Niet kan worden vastgesteld dat uit de woning van [slachtoffer] goederen of geld zijn weggenomen, noch dat daartoe een poging is gedaan. Verdachte zal derhalve op dit punt worden vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal door middel van een valse sleutel.

Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

Op het verzoek tot het horen van getuigen is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad2 blijkt dat in dit kader het bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang is of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek.

Het hof constateert dat thans geen sprake is van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging nu geen concrete argumenten naar voren zijn gebracht voor het horen van de getuigen, enkel dan de wens om de betreffende getuigen zelf te willen horen ter toetsing van hetgeen in de processen-verbaal van de getuigenverhoren is opgenomen.

Het hof acht zich op grond van het dossier voldoende ingelicht op het punt van [slachtoffer] ’s portemonnee en dus is de noodzakelijkheid van het horen van de gevraagde getuigen niet gebleken.

In het verlengde hiervan overweegt het hof dat uit het dossier blijkt dat de getuigen die verklaard hebben over de goedgevulde portemonnee van [slachtoffer] dit uit eigen waarneming en wetenschap hebben gedaan, dat zij in hun verklaringen de aangetroffen portemonnee hebben bedoeld en dat deze ook daadwerkelijk aan [slachtoffer] heeft toebehoort. Uit het dossier blijkt namelijk het volgende.

[broer slachtoffer] , broer van het slachtoffer, heeft verklaard dat [slachtoffer] een bruine portemonnee had die men open kan klappen en dat hij hierin altijd telefoonkaarten en bankpassen had zitten. Volgens [broer slachtoffer] zaten er ook bankpassen van prostituees in de portemonnee. Ook de getuige [getuige 2] , evenals [slachtoffer] werkend als klusjesman voor de prostituees, heeft verklaard dat [slachtoffer] een donkere uitklapportemonnee had, alsmede de getuige [getuige 3] die verklaart dat [slachtoffer] een bruine portemonnee had. Gebleken is dat naast [slachtoffer] een bruine leren portemonnee is aangetroffen. Foto 15, opgenomen op pagina 17 van bijlage 1.2 van map 1 van het Forensisch Dossier, toont deze aangetroffen portemonnee. Hierop is te zien dat dit een portemonnee is die men open dient te klappen.

Tevens is gebleken dat de aangetroffen portemonnee niet alleen een bankpas van [slachtoffer] bevatte, maar ook twee op naam van [naam prostituee] , zijnde een prostituee voor wie hij wel eens klusjes deed. Zowel [broer slachtoffer] en [getuige 2] als [getuige 3] verklaren zelf te hebben waargenomen dat [slachtoffer] ’s portemonnee altijd goedgevuld was.

Het verzoek van de verdediging wordt afgewezen.

Concluderend

De gezamenlijk opzettelijk verrichte geweldshandelingen die, samengevat op de bovenomschreven wijze, tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid hebben de beroving mogelijk gemaakt. De diefstal was van meet af aan de intentie van de verdachten.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, – kort gezegd – medeplegen van gekwalificeerde doodslag, heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 september 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte met dat opzet

- die [slachtoffer] in perceel [adres] opgewacht en (vervolgens) vastgepakt en meegenomen naar de hal bij de bergingen van dat perceel en

- ( aldaar) die [slachtoffer] naar de grond gebracht en aan handen en voeten gekneveld en/of vastgebonden en (een stuk) tape om de nek en/of op/om de mond gebonden en/of geplakt, althans gedaan, en

- die [slachtoffer] op/tegen het hoofd gestompt, en

zodanig voornoemd en/of ander geweld op die [slachtoffer] uitgeoefend dat aldus een voor die [slachtoffer] zeer stressvolle en bedreigende situatie is ontstaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld, gepleegd in vereniging van geld en/of andere goed(eren) van die [slachtoffer] ,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte en zijn mededader hebben tezamen [slachtoffer] van het leven beroofd. In de nacht van 16 september 2011 zijn zij met de intentie om [slachtoffer] te bestelen naar (het gebouw van) diens woning gegaan. Om de beroving mogelijk te maken is er op grove, gewetenloze en niets ontziende wijze geweld op [slachtoffer] uitgeoefend. Nadat hij met geweld op de grond werd gewerkt is zijn mond getapet, is hij aan handen en voeten vastgebonden en gekneveld en is hij mishandeld. Uiteindelijk was [slachtoffer] aldus liggend op de vloer in de berging van zijn eigen woning, volkomen machteloos en hulpeloos en is hij zo achtergelaten door verdachte en zijn mededader.

Het hof is van oordeel dat verdachte in zijn handelen gewetenloos is geweest. Verdachte heeft getoond zich ten koste van een ander enkel te laten leiden door eigen financieel gewin. Hij heeft uit zelfzucht het leven van een ander beëindigd. Met name in de geweldshandelingen heeft verdachte een aanzienlijke, dominerende en initiërende rol gehad.

De samenleving is door deze ernstige feiten zeer geschokt.

Aan de nabestaanden van [slachtoffer] heeft verdachte een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Zij moeten leven met de wetenschap dat de laatste momenten van het leven van [slachtoffer] voor hem zeer pijnlijk en stressvol zijn geweest. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat zij nog dagelijks geconfronteerd worden met het verlies waar zij mee moeten leven. Het feit dat in onderhavige zaak door onder andere ook verdachte wisselend en leugenachtig verklaard is, maakt dat hen extra pijn en onzekerheid is toegebracht en het hele strafproces zwaar op hen gedrukt moet hebben. Dit blijkt ook uit de in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring.

Voorts houdt het hof rekening met het feit dat verdachte volgens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 november 2015 niet eerder ter zake van een strafbaar feit veroordeeld is. Wel is - ook uit de verklaring van verdachte - gebleken dat verdachte in zijn thuisland Spanje eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Ter terechtzitting van het hof d.d. 15 december 2015 heeft de raadsman verzocht met het bovenstaande in de strafmaat rekening te houden, evenals het feit dat verdachte een goede financiële positie heeft, altijd heeft gewerkt en zich nuttig heeft gemaakt in de maatschappij en zijn detentie in Nederland hem zeer zwaar valt nu hij geen tot nauwelijks bezoek kan ontvangen van zijn naasten in Spanje.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Dit behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Evenals bij moord heeft de wetgever dit delict met de zwaarst mogelijke straf bedreigd; levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren.

Alles afwegend acht het hof enkel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof komt, gelijk aan de rechtbank, tot een andere (zwaardere) kwalificatie van de gebeurtenissen dan de advocaat-generaal, een kwalificatie die meebrengt dat het wettelijk strafmaximum aanzienlijk hoger komt te liggen. Om die reden en omdat naar het oordeel van het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, zal het hof een zwaardere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof acht - ondanks dat door de wijziging tenlastelegging in hoger beroep het tweede feit van eerste aanleg is komen te vervallen - de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Redelijke termijn

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar. Een uitzondering dient te worden aangenomen voor de gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert. In een dergelijk geval behoort de zaak binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals de Hoge Raad dat in zijn arrest van 17 juni 20083 heeft bepaald. In voornoemd arrest is het onderstaande overwogen:

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.”

Met inachtneming van het bovenstaande is het hof van oordeel dat er sprake is van onredelijke vertraging bij de behandeling van de strafzaak tegen verdachte. Na het instellen van het hoger beroep op 26 augustus 2013 tot aan de uitspraak van het hof is bijna tweeënhalf jaar verstreken, waarmee de termijn van 16 maanden (in geval van voorlopige hechtenis) is overschreden. Ook over het geheel genomen is met in achtneming van de tijd welke gemoeid is geweest bij de behandeling van de zaak in de rechtbankfase sprake van een overschrijding van de door de Hoge Raad gestelde termijn.

Het hof kent evenwel ook betekenis toe aan het feit dat sprake is van een complexe en omvangrijke (26 ordners) zaak met twee verdachten waarin na aanhouding van verdachten in de rechtbankfase nog onderzoek is verricht, dat meerdere deskundigen hebben gerapporteerd, dat zowel in de rechtbank fase als in hoger beroep op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord terwijl ter zitting van het hof drie deskundigen zijn gehoord en door de verdediging verzochte vertalingen zijn gemaakt. Het vorenstaande heeft de planning en daarmee de doorloopsnelheid - hoe dan ook - belemmerd. In het kader van de planning van het hoger beroep dienden niet alleen de agenda’s van de raadslieden en de advocaat-generaal maar ook die van de deskundigen op elkaar te worden afgestemd. Dit leidt tot de conclusie dat aan de overschrijding meerdere factoren ten grondslag liggen die direct samenhangen met de zaak. Het hof ziet – na afweging van alle belangen en omstandigheden - hierin aanleiding te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

In hetgeen de raadsman omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft aangevoerd ziet het hof, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, geen aanleiding tot strafvermindering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.814,55 en bestaat uit de uitvaartkosten gemaakt ten behoeve van diens broer [slachtoffer] . De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot genoemd bedrag. Verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen. De vordering is niet door de verdediging betwist.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.814,55 (zesduizend achthonderdveertien euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.814,55 (zesduizend achthonderdveertien euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. G. Dam, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 25 januari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Vgl. o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713.

2 Vgl. Hoge Raad d.d. 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496

3 Zie Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.