Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4344

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
21-007512-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:6442, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:594, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaren ter zake van zware mishandeling van zijn nog geen vijf maanden oude dochter, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007512-14

Uitspraak d.d.: 3 juni 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2014 met parketnummer 16-702977-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.B. Dionisius, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 05 november 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk (zijn dochter) [dochter] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte haar opzettelijk en met kracht

- door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer geschud en/of

- van een (grote) hoogte laten vallen en/of

- tegen een (hard) oppervlak en/of voorwerp geslagen en/of gestoten en/of

- op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- anderszins geweld uitgeoefend op haar hoofd en/of haar lichaam,

ten gevolge waarvan zij op 6 november 2013 is overleden;


subsidiair
hij op of omstreeks 05 november 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan (zijn dochter) [dochter] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten hersen(vlies)letsel en/of bloedingen achter (in) de ogen en/of acceleratie-deceleratie-impact-trauma, voorheen shaken baby-(impact)syndrome genoemd), heeft toegebracht, door haar opzettelijk en met kracht

- door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- van een (grote) hoogte te laten vallen en/of

- tegen een (hard) oppervlak en/of voorwerp te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- anderszins geweld uit te oefenen op haar hoofd en/of haar lichaam,

ten gevolge waarvan zij op 6 november 2013 is overleden;


meer subsidiair

hij op of omstreeks 05 november 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend (zijn dochter) [dochter] opzettelijk en met kracht

- door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer heeft geschud en/of

- van een (grote) hoogte heeft laten vallen en/of

- tegen een (hard) oppervlak en/of voorwerp heeft geslagen en/of gestoten en/of

- op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- anderszins geweld heeft uitgeoefend op haar hoofd en/of haar lichaam,

ten gevolge waarvan zij op 6 november 2013 is overleden;


meest subsidiair

hij op of omstreeks 05 november 2013 te Utrecht, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (zijn dochter) [dochter] opzettelijk en met kracht

- door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer heeft geschud en/of

- van een (grote) hoogte heeft laten vallen en/of

- tegen een (hard) oppervlak en/of voorwerp heeft geslagen en/of gestoten en/of

- op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- anderszins geweld heeft uitgeoefend op haar hoofd en/of haar lichaam,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat zij zodanig letsel, te weten hersen(vlies)letsel en/of bloedingen achter (in) de ogen en/of acceleratie-deceleratie-impact-trauma, voorheen shaken baby-(impact)syndrome genoemd), heeft bekomen, dat ze op 6 november 2013 aan de gevolgen daarvan is overleden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen

Aanleiding

[dochter] (hierna: [dochter] ) is geboren op [2013] . Haar ouders zijn [moeder] en [verdachte] (hierna: verdachte).

Op 5 november 2013 om 15.37 uur heeft verdachte 112 gebeld, omdat [dochter] niet meer reageerde. Politie en ambulancemedewerkers zijn snel ter plaatse gekomen. [dochter] is gereanimeerd en beademd en met spoed met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Zij is op 6 november 2013 in het ziekenhuis overleden.

In het ziekenhuis is door de behandelend arts geen verklaring van natuurlijk overlijden afgegeven.

Doodsoorzaak

Allereerst ligt de vraag aan het hof voor wat de oorzaak van het overlijden van [dochter] is geweest.

Forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe heeft geconcludeerd dat het overlijden wordt verklaard door verwikkelingen van bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom).

Forensisch patholoog drs. P.M.I. van Driessche heeft geconcludeerd dat het overlijden wordt verklaard door hersenzwelling en inklemming van de hersenstam.

Oorzaak van de letsels

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld wat de oorzaak is van de letsels die hebben geleid tot het overlijden van [dochter] .

Forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe heeft geconcludeerd dat het hersenvliesletsel bij leven is ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch geweld, hetgeen toegebracht kan zijn (acceleratie-deceleratie; flink heen en weer bewegen van het kindje) of accidenteel (zoals impact door vallen van een hoogte, bijvoorbeeld van een verdieping van een gebouw, maar niet een ‘huis-tuin-keuken-’val zoals bij een val uit bed of van een trap).

Forensisch kinderarts dr. R.A.C. Bilo heeft geconcludeerd dat in de medische literatuur wordt gesteld dat de combinatie van subdurale bloedingen, retinabloedingen (bloedingen in het netvlies) en encephalopathie (hersenbeschadiging) een betrouwbare indicator vormt voor een niet-accidentele toedracht. Als aangeboren en verworven aandoeningen zijn uitgesloten, vormt de combinatie van bevindingen een betrouwbare indicator voor een traumatische oorzaak, waarbij gedacht moet worden aan een geboortetrauma, een accidenteel trauma of een niet-accidenteel trauma (toegebracht letsel, letsel als gevolg van menselijk handelen). Gezien het ontbreken van aanwijzingen voor een aandoening of een geboortetrauma als verklaring voor de combinatie van bevindingen resteert een trauma na de geboorte als enige verklaring. De combinatie van bevindingen is op basis van wetenschappelijk onderzoek zeer veel waarschijnlijker bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan een accidentele toedracht, aldus dr. Bilo in zijn rapport. Ter zitting van de rechtbank heeft hij verklaard dat hij tot de conclusie komt dat sprake moet zijn van een ernstig incident; inwerking van stomp botsend geweld op het hoofd dat ruim de normale omgangswijze voorbij gaat (botsend geweld met hoge snelheid of een val van grote hoogte).

Forensisch patholoog drs. P.M.I. van Driessche heeft geconcludeerd dat de hersenzwelling en de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies en in de zachte hersenvliezen kunnen zijn ontstaan na inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld aan het hoofd, maar ook bij acceleratie/deceleratie-trauma (fors heen en weer bewegen) en dat de combinatie van de letsels tezamen een goede aanwijzing vormen voor acceleratie/deceleratie-trauma (waarbij veel eerder gedacht wordt aan letsel door bijvoorbeeld ‘schudden’ dan door een forse val of een ander geweldsmechanisme). Verder heeft drs. Van Driessche geconcludeerd dat het meer waarschijnlijk is dat het geheel aan letsels niet-accidenteel toegebracht letsel betreft.

Uit het dossier komen geen aanwijzingen naar voren dat bij [dochter] sprake was van een geboortetrauma of andere medische aandoeningen die het letsel bij [dochter] zouden kunnen verklaren. Uit de verklaring van [dochter] ’s ouders, grootouders, huisarts en uit de medische status van het ziekenhuis volgt dat zij een gezonde baby was en dat sprake was van een blanco voorgeschiedenis. Uit de verklaring van de moeder van [dochter] , verdachte en andere betrokkenen blijkt ook niet dat sprake is geweest van een val van grote hoogte of een ernstige verkeersongeval. Dr. Bilo is in zijn rapport van 27 mei 2014 ingegaan op de vraag in hoeverre de bloedingen in het hoofd en in en achter de ogen het gevolg zouden kunnen zijn van aangeboren of verworven aandoeningen. Daarbij heeft hij onder meer onderzocht of bij [dochter] sprake is geweest van stollingsproblemen. Hierover schrijft dr. Bilo ten aanzien van de bloedingen in het hoofd:

‘Bij [dochter] was sprake van marginale afwijkingen bij het stollingsonderzoek (…). Deze afwijkingen zijn zeer veel waarschijnlijker het gevolg van bloedingen in het hoofd (verbruik van fibrinogeen) dan de oorzaak van de bloedingen. Het ontstaan van bloedingen bij de op – 06-11-13 gemeten – waarden is zeer onwaarschijnlijk terwijl het ontstaan van ernstige of zelfs levensbedreigende bloedingen, zoals bij [dochter] in het hoofd zijn aangetroffen, bij deze waarden nog nooit beschreven is in de medische literatuur.’

Ten aanzien van alle onderzochte aandoeningen (namelijk stollingsproblemen, stofwisselingsziekten, Benigne externe hydrocefalie, infecties en andere aangeboren aandoeningen) luidt de conclusie van dr. Bilo:

  • -

    ‘Er worden bij evaluatie van de bevindingen geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van (aangeboren of verworven) aandoeningen als verklaring voor het ontstaan van de subdurale/subarachnoïdale bloedingen.

  • -

    Dit betekent dat op basis van exclusie van aandoeningen een trauma resteert als verklaring voor het ontstaan van de subdurale bloedingen, die bij [dochter] op 05-11-13 zijn vastgesteld.’

Ten aanzien van de bloedingen in en achter de ogen schrijft dr. Bilo onder meer:

‘Stollingsproblemen en stofwisselingsziekten kunnen bij [dochter] uitgesloten worden geacht als verklaring voor het ontstaan van netvliesbloedingen, vanwege het ontbreken van aanwijzingen voor deze aandoeningen in de periode na de geboorte, in de anamnese en bij de onderzoeken/bevindingen in het UMCU. Ook op theoretische wetenschappelijke gronden kunnen deze aandoeningen uitgesloten worden geacht (….). Andere aandoeningen (….) kunnen eveneens uitgesloten worden geacht vanwege het ontbreken van klinische verschijnselen passend bij deze aandoeningen en het ontbreken van aanwijzingen voor deze aandoeningen bij laboratoriumonderzoek in het UMCU.’

Nadat hij is ingegaan op mogelijke andere oorzaken (verhoogde druk in het hoofd en reanimatie) komt dr. Bilo ten aanzien van de bloedingen in en achter de ogen (onder meer) tot de conclusie:

‘Gezien het ontbreken van aanwijzingen voor een aandoening (of een andere niet-trauma gerelateerde verklaring), resteert trauma als mogelijke oorzaak.’

Ter zitting van de rechtbank op 10 november 2014 is dr. Bilo het door de raadsman verstrekte rapport van [naam] voorgehouden waarin onder meer staat dat dr. Bilo niet het te lage alfa 2 antiplasmine heeft benoemd en besproken. Dr. Bilo heeft verklaard dat dat een bevinding is die hij had kunnen meenemen, maar gemist heeft. Volgens hem was het echter de vraag of dat gegeven in het totale stollingsonderzoek relevant zou zijn, maar niettemin wilde hij daar nog naar kijken. Bij schrijven van 13 november 2014 stelt hij daarover onder meer:

‘Dhr. [naam] baseert zich bij de formulering van zijn mening op het Vademecum Hematologie van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam van 18-09-2013. (….) De aandoening die door dhr. [naam] wordt genoemd als verklaring (antipasmine deficiëntie) is, zoals dhr. [naam] terecht vermeldt, een zeldzame aandoening. In ditzelfde Vademecum wordt een tweede verklaring gegeven voor het verlaagde alpha 2 antiplasmine gehalte, namelijk diffuus intravasale stolling (DIS). (….) In het Vademecum worden als oorzaken van DIS genoemd:

  • -

    Infectieus/sepsis (ontstekingen/bloedvergiftiging)

  • -

    Obstetrische complicaties (verwikkelingen bij de moeder rondom de geboorte)

  • -

    Maligniteit (kwaadaardige aandoeningen)

  • -

    (Schedel)trauma.

(…)

Op basis van de gegevens afkomstig uit het Vademecum kunnen de afwijkende bevindingen bij het stollingsonderzoek bij [dochter] op 6-11-14 (de dag van het overlijden), te weten verlengde APTT en PT, verlaagd fibrinogeen gehalte en verlaagd alpha 2 antiplasmine gehalte, verklaard worden op basis van het optreden van DIS, zoals ook door de hematoloog in het UMCU overwogen is. Naar mening van ondergetekende kan het optreden van DIS beschouwd worden als een verwikkeling van de subdurale bloeding door het schedelhersentrauma bij [dochter] , zoals door ondergetekende ook is verklaard tijdens de zitting.’

Ook de deskundige dr. Soerdjbalie-Maikoe is op de zitting van 10 november 2014 ondervraagd, onder meer op de mogelijkheid van een stollingsstoornis als oorzaak voor het ontstaan van de bloedingen. Zij heeft hierover verklaard:

‘Mij is door de hematoloog verteld dat je er vanuit mag gaan dat er geen stollingsstoornis is, als er uit de historie geen aanwijzingen voor zijn. Na de dood is bloedonderzoek niet meer mogelijk. Dan kun je een stollingsstoornis niet meer aantonen. (…) Een zeldzame stollingsstoornis die ook in de anamnese niets laat zien, gaat niet gepaard met dergelijke bloeduitstortingen als in deze casus. Al zou ze die hebben, dan staat dat niet in verband met de bevindingen in deze zaak, het zou de bevindingen niet kunnen verklaren. (….) Als het kindje al een stollingsstoornis had – die op zichzelf spontaan tot bloedingen kan leiden – dan kan daardoor niet dit letsel ontstaan. (….) Ik blijf bij mijn conclusie dat het door geweld is veroorzaakt.’

Tenslotte is op de zitting van 10 november 2014 de deskundige Van Driessche ondervraagd, onder meer of een stollingsstoornis de bloedingen kan hebben veroorzaakt. Hij heeft onder andere verklaard:

‘Theoretisch gezien kunnen stollingsstoornissen tot bloeduitstortingen leiden. In deze casus zijn daar geen aanwijzingen voor. (…) Ik zou ook (bij een stollingsstoornis, aanvulling hof) ander letsel verwacht hebben, andere bloedingen elders in het lichaam bedoel ik dan. Bijvoorbeeld in de organen en slijmvliezen.’

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het letsel aan [dochter] is toegebracht door menselijk handelen. Daarmee verwerpt het hof het verweer van de raadsman dat een stollingsstoornis onvoldoende is uitgesloten en dat ernstig rekening moet worden gehouden met een andere oorzaak van de letsels en wijst het hof het verzoek van de raadsman tot het benoemen van een hematoloog, een kinderneuroloog en/of een kinderarts teneinde nader onderzoek te verrichten op dit punt af wegens gebrek aan noodzaak.

Wie heeft het letsel toegebracht

De vraag die thans aan het hof voorligt is wie het letsel heeft toegebracht.

Daarvoor is allereerst van belang dat voldoende uit het dossier blijkt dat niet een ander dan de ouders het letsel kan hebben toegebracht.

Voorts is het volgende van belang:

Forensisch kinderarts dr. R.A.C. Bilo heeft geconcludeerd dat de schade die bij [dochter] is vastgesteld moet zijn ontstaan na het laatste moment waarop zij normaal functionerend is gezien en voor het moment dat vanwege de klinische noodsituatie medische hulp is ingeroepen. Daarnaast heeft hij verklaard dat hoe ernstiger het letsel is, hoe dichter het moment van optreden van de verschijnselen is gelegen bij het moment van het toebrengen van het letsel. Forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe heeft geconcludeerd dat indien kinderen zulk letsel doormaken, het kind vrijwel meteen of kort daarna verschijnselen gaat vertonen.

Daarmee komt het hof tot de conclusie dat de gevolgen van het letsel en de klinische noodsituatie kort na het toebrengen van het letsel zijn ontstaan.

Vervolgens is van belang om te bepalen wanneer het letsel is toegebracht en daartoe heeft het hof een tijdlijn van 5 november 2013 opgesteld.

Voor die tijdlijn heeft het hof ook gebruik gemaakt van de verklaringen van [moeder] , nu zij steeds consistent en zonder enige terughoudendheid heeft verklaard en niet is gebleken van onjuistheden in haar verklaring. Haar verklaring vindt bovendien bevestiging in de beelden van het ziekenhuis en de Whatsapp-gesprekken tussen [moeder] en haar moeder, waaronder het bericht van [moeder] aan haar moeder van 14.59 uur: “Ma je ziet me zo, ik ga kijken of ze wakker is, anders maak ik [verdachte] heel even wakker”.

Tijdlijn:

Rond 12.40 uur: [dochter] is gezond en goed functionerend gezien door [moeder] en haar moeder.

Tussen 13.45 en 15.00 uur: Verdachte slaapt en [moeder] legt [dochter] in bed. [moeder] zet de muziekdoos aan (die automatisch na 15 minuten stopt) en besluit haar moeder uit het ziekenhuis op te halen. Zij kijkt nog even bij [dochter] en ziet dat haar hoofdje beweegt. De muziekdoos is inmiddels uit en [moeder] legt de babyfoons bij verdachte neer. Zij wekt verdachte en zegt dat ze haar moeder gaat ophalen.

15.15

uur: [moeder] vertrekt.

15.32

uur: [moeder] verlaat het parkeerterrein van het ziekenhuis met haar moeder.

15.33

uur: Verdachte belt [moeder] dat het niet goed is met [dochter] .

15.36

uur: De moeder van [moeder] belt verdachte en zegt hem dat hij 112 moet bellen.

15.37

uur: Verdachte belt 112.

15.42

uur: De ambulance komt aan.

[dochter] is rond 15.00 uur nog door moeder gezien. Haar zijn toen geen bijzonderheden opgevallen. Daarna is moeder [moeder] vertrokken. De klinische noodsituatie was in ieder geval ingetreden om 15.33 uur, toen verdachte [moeder] belde dat het niet goed was met [dochter] . Gelet op hetgeen de deskundigen hebben verklaard over het geringe tijdsverloop tussen het toebrengen van het letsel en het vertonen van de verschijnselen, kan het letsel zijn toegebracht tussen 15.15 uur (het moment waarop [moeder] is vertrokken) en 15.33 uur, dus door verdachte.

Voorts acht het hof de verklaringen van [moeder] van belang voor zover zij heeft verklaard dat zij geen geweld tegen [dochter] heeft uitgeoefend, dat de relatie met verdachte - na zijn aanhouding - is verbroken en zij er van uit gaat dat verdachte ‘het gedaan heeft’. Deze verklaring acht het hof van belang, omdat, zoals boven is opgemerkt, niet een ander dan de ouders het letsel heeft toegebracht. Dat betekent dat [moeder] kan weten dat verdachte het heeft gedaan, omdat zij van haar zelf weet dat zij het niet heeft gedaan.

Weliswaar heeft ook verdachte ontkend geweld tegen [dochter] te hebben gebruikt, maar zijn verklaringen bevatten - anders dan die van [moeder] - opmerkelijke onderdelen. Zo heeft hij verklaard dat hij een gil hoorde en toen bij [dochter] is gaan kijken, terwijl de deskundigen deze gil niet kunnen plaatsen bij de toestand waarin [dochter] verkeerde en verdachte dit ook niet tijdens het 112-gesprek heeft aangegeven. Opmerkelijk is ook dat verdachte niet kan (of wil) uitleggen waarom de babyfoons uit bleken te zijn toen de ambulance was gearriveerd, terwijl moeder [moeder] ze aan had gedaan en bij verdachte had neergelegd. Ook kan (of wil) verdachte niet verklaren waarom de muziekdoos in het bedje van [dochter] aan was toen de hulp arriveerde, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat iemand anders dan verdachte de muziek heeft aangezet en het aanzetten van die muziek door verdachte niet past in de gang van zaken zoals door de verdachte is beschreven.

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat verdachte het letsel heeft toegebracht.

Op basis van de deskundigenrapporten komt het hof tot de conclusie dat verdachte [dochter] door elkaar (en/of heen en weer en/of op en neer) heeft geschud, en/of tegen haar hoofd heeft gestompt/geslagen en/of anderszins geweld heeft uitgeoefend op haar hoofd.

Kwalificatie

Primair: doodslag

De vraag die thans aan het hof voorligt is of verdachtes opzet was gericht op de dood van zijn dochtertje. Vooropgesteld moet worden dat opzet in onvoorwaardelijke vorm niet bewezen kan worden. Daarvoor zou vereist zijn dat verdachte de gevolgen van zijn handelen daadwerkelijk heeft bedoeld te veroorzaken of als een noodzakelijk gevolg van zijn handelen zou hebben aanvaard. Daarvan is niet gebleken. Vervolgens is de vraag aan de orde of sprake is geweest van opzet in voorwaardelijke vorm. Dat kan aanwezig worden geacht als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij door zijn handelen de dood van zijn dochtertje zou veroorzaken, heeft aanvaard. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte zich er bewust van was dat zijn handelen tot de dood kon leiden. Gelet daarop zal het hof hem vrijspreken van de primair tenlastegelegde doodslag.

Subsidiair: zware mishandeling, met de dood tot gevolg

Het hof is van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte zich er bewust van was dat zijn handelen tot zwaar lichamelijk letsel kon leiden - gelet op het feit dat het geweld (direct of indirect) is uitgeoefend tegen het hoofd van een baby - en dat hij deze kans heeft aanvaard door te handelen zoals hij heeft gedaan. Gelet daarop komt het hof tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling met de dood tot gevolg.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 05 november 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan (zijn dochter) [dochter] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten hersen(vlies)letsel en/of bloedingen achter (in) de ogen en/of acceleratie-deceleratie-impact-trauma, voorheen shaken baby-(impact)syndrome genoemd), heeft toegebracht, door haar opzettelijk en met kracht

- door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer te schudden en/of

- van een (grote) hoogte te laten vallen en/of

- tegen een (hard) oppervlak en/of voorwerp te slaan en/of te stoten en/of

- op/tegen haar hoofd en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- anderszins geweld uit te oefenen op haar hoofd en/of haar lichaam,

ten gevolge waarvan zij op 6 november 2013 is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde een gevangenisstraf van vier jaren wordt opgelegd.

De advocaat-generaal heeft eveneens gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsmisdrijf. Hij heeft zijn zeer jonge en volstrekt weerloze baby-dochtertje [dochter] , die net vijf maanden oud was, zodanig zwaar mishandeld dat zij ten gevolge van het handelen van verdachte is overleden. Dat het handelen van verdachte heeft geleid tot de dood van een jonge baby, die nog haar hele leven voor zich had, is verschrikkelijk. De moeder van [dochter] en andere nabestaanden zullen altijd met dit grote verlies en verdriet geconfronteerd blijven.

Het hof beseft dat verdachte een jonge vader was en dat (met name) de eerste maanden van het ouderschap stressvol kunnen zijn, maar dat rechtvaardigt op geen enkele wijze om heftig geweld toe te passen op een baby. [dochter] was toevertrouwd aan de zorg van verdachte (en moeder) en verdachte had dan ook als vader alle verantwoordelijkheid om goed voor haar te zorgen.

Het hof rekent het verdachte voorts zwaar aan dat hij geen opening van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daad. De moeder van het slachtoffer en andere nabestaanden zullen altijd vol met vragen blijven zitten. Alleen verdachte kan die vragen beantwoorden, maar dat doet hij niet. Het moet onverteerbaar zijn voor de moeder van [dochter] en andere nabestaanden dat zij geen antwoord krijgen op de voor hun zo belangrijke vragen.

Het hof neemt echter ook in aanmerking dat verdachte kennelijk in een opwelling heeft gehandeld en ook hij iedere dag moet leven met de ernstige gevolgen van zijn handelen. Het hof houdt er rekening mee dat hij nooit heeft gewild dat [dochter] zou komen te overlijden.

Tot slot neemt het hof in aanmerking een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 18 april 2016, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren op zijn plaats. Met een lagere of andersoortige straf, zoals bepleit door de raadsman, kan naar het oordeel van het hof -gelet op de ernst van het feit- niet worden volstaan.

Vordering van de benadeelde partij [moeder]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt 133,94 euro. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot benoeming van deskundigen.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [moeder]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 133,94 (honderddrieëndertig euro en vierennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 133,94 (honderddrieëndertig euro en vierennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H. Abbink, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Gereke, griffier,

en op 3 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 3 juni 2016.

Tegenwoordig:

mr. G. Mintjes, voorzitter,

mr. N.E. Versloot, griffier.

, advocaat-generaal.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.