Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4335

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
21-004833-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1685, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Visfraude. Valsheid in geschrift. Oogmerk. Redelijke termijn. De platvis Yellowfinsole (Limanda aspera) werd gefactureerd als 'schol'. Exacte aanduiding van de geleverde vissoort is ingevolge Europese en Nederlandse (uitvoerings)regelgeving geboden. De term 'schol' wekt de suggestie dat het gaat om Noordzeeschol (Pleuronectes platessa) en was daardoor onvoldoende onderscheidend en dus vals. Oogmerk tot misleiding was aanwezig omdat de term met kennis van de valsheid daarvan niettemin klakkeloos werd overgenomen van de desbetreffende opgave van de klant en die overname uitsluitend geschiedde om de handel gaande te houden. Feiten dateren van 2006 en 2007. Rechtsgang heeft te lang geduurd. Afdoening middels geldboete.

Wetsverwijzingen
Warenwetregeling handelsbenamingen vis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2016/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004833-14

Uitspraak d.d.: 6 juni 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2013 met parketnummer 07-993014-10 in de strafzaak tegen

[verdachte] 1 .,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 20 april 2016, 23 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 75.000,-. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. T.M.D. Buruma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het gedeelte "met (een) andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en)" nietig dient te worden verklaard.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en onder verwerking van de hiervoor genoemde partiële nietigheid van de dagvaarding - tenlastegelegd dat:

zij tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] (thans zijnde [bedrijf 1] ) en/of [bedrijf 2] (thans zijnde [bedrijf 1] ) en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , althans alleen in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 althans in 2005 en/of in 2006 en/of 2007 en/of 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst één of (groot) aantal factu(u)r(en), onder meer:

(Yellowfinsole)

a. nummer 27175 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 20 maart 2007

(D/30472, pag. 01466)

en/of

aa. nummer 20070445 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] d.d. 21

maart 2007

(D/30475, pag. 01467)

en/of

b. nummer 27102 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 20 februari 2007

(D/30568, pag. 1468)

en/of

bb. nummer 20070297 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 4]

d.d. 21 februari 2007

(D/30618, pag. 1469)

en/of

c. nummer 63 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 14 december 2007

D/30447, pag. 01482)

cc. nummer 20072421 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] d.d. 14

december 2007

en/of

(Rocksole)

d. nummer 28021 van [verdachte] aan [bedrijf 1] d.d, 25 januari

2008;

(D/13203, pag. 01504)

en/of

dd. nummer 20080234 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5]

d.d. 11 februari 2008;

(D13178, pag. 1505)

en/of

e. nummer 28027 van [verdachte] aan [bedrijf 1] d.d. 29 januari

2008

(D/13192, pag. 1506) en/of

ee. nummer 20080177 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6]

(D/13224, pag. 01507)

f. nummer 28041 van [verdachte] aan [bedrijf 1] d. d. 8 februari

2008

(D/13.171, pag. 01496)

en/of

ff. nummer 20080234 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5]

(D/131 78, pag. 01497) en/of nummer 20080274 van [bedrijf 1] aan

[bedrijf 6] d.d. 12 februari 2008 (D/13185, pag.

01498) en/of nummer 20080285 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6]

d.d. 18 februari 2008 (D/13189, pag. 01499)

en/of

(Schar)

g. nummer 27308 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 1 mei 2007,

(D/30988, pag. 01533) en/of

gg. nummer 20070779 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 7]

(D/31383, pag. 01534)

en/of

h. nummer 27556 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 10 augustus

2007;

(D31419, pag. 01535) en/of

hh. nummer 20071619 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 8] d.d. 13

augustus 2007;

en/of

i. nummer 27421 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 15 juni 2007;

(D/31113, pag. 01537) en/of

ii. nummer 20071192 van [bedrijf 2] aan [bedrijf 9]

d.d. 18 juni 2007;

(D/31513, pag. 01538);

bestaande de valsheid hierin dat op voornoemde facturen stond vermeld:

ad. a: ‘schol’ en/of ‘scholfilet’ en/of ‘schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid

‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld; en/of

ad. aa: ‘AL. SCHOLLENFILETS’ en/of ‘SCHOLLE NATUR’ terwijl er in werkelijkheid

‘Yellowfinsole’, althans een andere benaming had moeten worden vermeld;

en/of

ad. b: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Schollenfilets’ terwijl er in

werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden

vermeld; en/of

ad. bb: ‘SCHOLLENFILETS’ terwijl er ‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming,

had moeten worden vermeld,

en/of

ad. c: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ terwijl er in

werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden

vermeld; en/of

ad. cc: ‘SCHOLLENFILET’ terwijl er in werkelijkheid

‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;

en/of

ad. d: ‘Rocksole’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere

benaming had moeten worden vermeld; en/of

ad. dd: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of ‘Rocksole’,

en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;

en/of

ad. e: ‘Rocksole’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere

benaming had moeten worden vermeld; en/of

ad. ee: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of ‘Rocksole’,

en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;

en/of

ad. f: ‘Rocksole’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere

benaming had moeten worden vermeld; en/of

ad. ff: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of ‘Rocksole’,

en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;

en/of

ad. g: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Kutterschol’, terwijl er in

werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had moeten worden vermeld;

en/of

ad. gg: ‘SCHOLLENFILETS’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’ en/of een andere

benaming had moeten worden vermeld;

en/of

ad. h: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholle’ en/of

‘Kutterschol’, terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had

moeten worden vermeld; en/of

ad. hh: ‘SCHOLLENFILETS’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’ en/of een andere

benaming had moeten worden vermeld;

en/of

ad. i: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’

en/of ‘Kutterschol’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming,

had moeten worden vermeld; en/of

ad. ii: ‘SCHOLLENFIL.’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’ en/of een andere

benaming had moeten worden vermeld;

zijnde (telkens) enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te

dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.

Facturen

In de administratie van verdachte zijn de in de tenlastelegging onder d, e en f genoemde facturen aangetroffen. In de administratie van medeverdachte [bedrijf 1] (thans [bedrijf 1] ) zijn de facturen onder a, b, c, cc, dd, ee, ff, g, h en i aangetroffen. In de administratie van [bedrijf 2] zijn de facturen genoemd onder aa, bb, gg, hh, en ii aangetroffen.

Deze facturen zijn afschriften van de aan de klanten van deze rechtspersonen verzonden facturen. Uit de processen-verbaal blijkt dat facturen die zijn aantroffen in de administratie van deze rechtspersonen voor wat betreft de inhoud identiek zijn aan de door deze rechtspersonen opgemaakte en aan haar klanten verzonden facturen. Gelet op dat gegeven begrijpt het hof de tenlastelegging zo dat de aldaar genoemde facturen zien op zowel het afschrift dat in de administratie van deze rechtspersonen is aangetroffen als op de originele factuur die aan hun klanten is verstuurd.

Wetgeving

In deze zaak is niet tenlastegelegd overtreding van enige bepaling van de regelgeving inzake de visserij, maar valsheid in geschrift. Niettemin is die visserijregelgeving van belang voor de beoordeling van de zaak omdat deze bepalingen bevat inzake de benaming van vissoorten en het belang van het juiste gebruik van die benamingen.

In artikel 4 lid 1 Verordening (EG) Nr. 104/20002 is vastgelegd dat vis slechts aan de eindgebruiker mag worden aangeboden door middel van adequate affichering of etikettering en onder verstrekking van de gegevens inzake de handelsbenaming van de betrokken soort, de productiemethode en het vangstgebied. In artikel 4 lid 2 van deze Verordening is vastgelegd dat de lidstaten een lijst van handelsbenamingen moeten opmaken, welke lijst moet bevatten voor iedere vissoort de wetenschappelijke benaming en de benaming in de officiële taal van de lidstaat. Waar dat aangewezen is, is er uitvoering gegeven aan deze verordening in de Nederlandse Warenwetregelgeving.3.

In de Warenwetregeling handelsbenamingen vis was ten tijde van de ten laste gelegde feiten als bijlage opgenomen de zojuist bedoelde lijst. Deze bevat, onder andere, de volgende benamingen:

Wetenschappelijke naam Handelsbenaming

7. Pleuronectiformes (Platvissen)

7.7.1.

Limanda limanda Schar

7.7.2.

Limanda aspera Japanse schar

7.8.

Pleuronectes platessa Schol, Pladijs

7.9.

Lepidopsetta bilineata Pacifische Schol

In artikel 8 van Verordening (EG) Nr. 2065/20014 is vastgelegd dat de vereiste gegevens inzake de handelsbenaming en het vangstgebied in elk stadium van de afzet van de betrokken soort beschikbaar moeten zijn. Die gegevens moeten worden verstrekt door etikettering, verpakking of begeleidend handelsdocument, met inbegrip van de factuur.

Door verbalisanten is onderzocht welke handelsbenamingen in de diverse landen die in het onderzoek een rol speelden, ingevolge genoemd artikel 4 lid 2 van Verordening (EG) 104/2000 dienen te worden gehanteerd. Dat heeft geleid tot het volgende overzicht:

Uit deze regelgeving blijkt dat de leidende gedachte is dat geen verwarring mag ontstaan over de exacte soort vis die verhandeld wordt en, uiteindelijk, aan de consument wordt aangeboden.

Inhoud van de facturen en opzet op de valsheid

Op alle in de tenlastelegging genoemde facturen, met uitzondering van de facturen genoemd onder d, e en f staat telkens vermeld “Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’ en/of ‘Kutterschol’ en/of schollenfil. en/of Schollenfilets en/of ‘scholle natur’.

Op de facturen genoemd onder d, e, en f staat telkens Rocksole vermeld.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat in alle op de tenlastelegging genoemde gevallen geen Pleuronectes Platessa maar een andere vissoort is geleverd. Het gaat dan om Yellowfinsole of Rocksole. De term Yellowfinsole komt in voornoemde regelgeving niet voor, maar niet in geschil is dat met die term bedoeld wordt de Limanda Aspera (wetenschappelijke naam), zijnde de Japanse schar (Nederlandse handelsbenaming).

Op de facturen in kwestie (behoudens die onder d, e en f) komt in de omschrijving van de gefactureerde vis voor het woord "schol" of "Scholle". De toevoegingen aan dat woord ("filet", "filets", "rollen", "Kutter", "fil" en "natur") zijn voor de beoordeling van deze zaak niet van belang. Het gaat om het centrale begrip "schol". De vraag is of die handelsbenaming vals en misleidend was.

In de hiervoor aangehaalde terminologie komt de aanduiding "schol" uitsluitend voor als aanduiding voor de vissoort die wordt aangeduid met de Latijnse naam Pleuronectes Platessa (in het spraakgebruik en daarom ook hierna wel aangeduid als Noordzeeschol) en, maar dan in verbinding met het begrip "Pacifische", voor de vissoort Lepidopsetta bilineata. Alleen bij de aanduiding van de Noordzeeschol kan dus volstaan worden met hantering van het woord "schol" zonder verdere toevoeging.

[medeverdachte 2] , bestuurder van verdachte, heeft namens verdachte verklaard dat Yellowfinsole niet dezelfde vissoort is als de Noordzeeschol, hem ook wel bekend als Pleuronectes Platessa. Vóór de introductie van Yellowfinsole en Rocksole was dat de enige scholachtige vissoort die werd verhandeld, aldus [medeverdachte 1] . Hij heeft voorts verklaard dat hij met Yellowfinsole de vis bedoelt met de Latijnse benaming Limanda Aspera. Bij de politie heeft [medeverdachte 1] bovendien, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij Yellowfinsole verkocht als schol en dat hij dat wel moest doen om zijn klanten te behouden.

Regelgeving en handelwijze van verdachte, in onderling verband bezien, maken de conclusie onontkoombaar dat het gebruik van het begrip "schol" zonder nadere toevoeging op de tenlastegelegde facturen moet worden aangemerkt als vals, namelijk onvoldoende onderscheidend. Verdachte wist dat, maar handelde desondanks aldus en daardoor opzettelijk.

Verdachte heeft zich ondanks de hiervoor genoemde verklaring van haar directeur op het standpunt gesteld dat de term ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’ en/of ‘Kutterschol’ en/of 'schollenfil.' en/of 'Schollenfilets’ en/of 'scholle natur’ op de facturen enkel betekende dat er een platvis of scholachtige vis werd geleverd, hetgeen conform de werkelijkheid was. Deze benaming is op de facturen gezet, omdat dit overeenkomstig de order van de klant is geweest, aldus verdachte. De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof betoogd dat gebruikte termen in het maatschappelijk verkeer waarin verdachte en haar medeverdachten zich begaven gebruikelijk zijn ter aanduiding van de geleverde vis.

Het hof verwerpt het verweer.

Voorop staat daarbij dat de geschetste regelgeving juist erop gericht was te bewerkstelligen dat in de handel telkens duidelijk zou zijn welke vissoort verhandeld werd. Een vangnetbegrip als "schol" voor allerlei scholachtige vissoorten (zonder nadere aanduiding die inzichtelijk zou kunnen maken op welke scholachtige dan precies gedoeld werd) staat haaks op de bedoeling van de thans en destijds geldende regelgeving. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt voorts dat hij in de tenlastegelegde pleegperiode van de verschillende handelsbenamingen voor de verschillende vissoorten op de hoogte was. Uit de administratie van verdachte blijkt tevens dat verdachte op de hoogte was van de noodzaak tot het maken van dat onderscheid: er werd door verdachte in haar interne stukken duidelijk onderscheid gemaakt tussen Yellowfinsole, schar en schol. Ook blijkt dat de afnemers van verdachte onderscheid maken tussen de door hen bestelde vissoorten. Dat klanten niet de ‘traditionele’ Noordzeeschol bestelden maar het (goedkopere) alternatief Yellowfinsole, was zowel voor de klant als voor verdachte en haar medeverdachten duidelijk. Van een gebruik in het handelsverkeer om het woord 'schol' te gebruiken voor willekeurig welke scholachtige vis was dan ook geen sprake.

Gelet op de regelgeving, hetgeen in het orderverkeer tussen verdachte en haar klanten gebruikelijk was en de genoemde verklaring van [medeverdachte 1] is geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte en/of haar medeverdachten op de facturen opzettelijk een onjuiste visaanduiding heeft/hebben opgenomen, namelijk door enkel de term 'Schol’ te vermelden zonder daarbij te specificeren om welke vissoort het ging, te weten Limanda Aspera of wel Yellowfinsole dan wel schar.

Op deze conclusie moeten twee uitzonderingen worden gemaakt:

1.

Op de onder d, e, f genoemde facturen komt de aanduiding 'Rocksole' voor. Geleverd is, ook in die gevallen, Yellowfinsole. De factuurvermelding was dus onjuist, maar opzet op die onjuistheid kan met de hiervoor inzake het begrip 'schol' ontwikkelde redenering niet worden onderbouwd en ook overigens niet. In zoverre dient daarom vrijspraak te volgen.

2.

Voor de facturen aa, bb, gg, hh en ii geldt dat het gaat om facturen die [bedrijf 2] als afnemer van [bedrijf 1] heeft gestuurd aan haar afnemers. Van die facturen kan niet gezegd worden dat de verzending heeft plaats gevonden met verdachte als medepleger, omdat van bewuste en nauwe samenwerking ter zake niet is gebleken.

Op deze onderdelen moet dus vrijspraak volgen.

Oogmerk tot misleiding

Voor bewezenverklaring van overtreding van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht is voorts vereist dat de opmaker van de facturen het oogmerk heeft om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. Dat wil zeggen dat de facturen jegens derden gebruikt zouden kunnen worden als ware de inhoud ervan juist.

In de jaren voorafgaand aan de tenlastegelegde periode werd in feite slechts één "schol" verhandeld: de Noordzeeschol (Pleuronectes platessa). Als gevolg van geldende quoteringsmaatregelen werd de Noordzeeschol steeds schaarser. Om die reden werd gezocht naar alternatieven. Deze werden gevonden in vissoorten als de Yellowfinsole en Rocksole, zijnde, net als de Noordzeeschol, platvissen.

In het licht van de geschetste geschiedenis ging van het gebruik van de term "schol" zonder verdere toevoeging evident de suggestie uit dat gefactureerd werd de vissoort die bekend was als Pleuronectes Platessa (Noordzeeschol) omdat uitsluitend voor die vissoort de term "schol" in de gebruikelijke handelsbenamingen voorkwam. De term was dus bij levering van een andere vissoort dan Noordzeeschol misleidend. Dat moet ook verdachte, die wist dat de term onvoldoende onderscheidend was, duidelijk zijn geweest. Het hof wil van verdachte wel aannemen dat op de factuur de term "schol" werd vermeld omdat haar afnemers deze daarop wilden hebben. Uit het feit dat verdachte, wetend dat de term onvoldoende onderscheidend (vals) was, zijn afnemers klakkeloos is gevolgd in hun wensen op de facturen de misleidende term "schol" te vermelden volgt echter dat het oogmerk van verdachte op die misleiding gericht was.

Het verweer van verdachte dat de afnemers van de vis op de hoogte waren van de valsheid van de facturen en dat derhalve geen sprake was van een oogmerk van misleiding, wordt verworpen. Ook indien de geadresseerden van de facturen op de hoogte waren van de valsheid daarvan konden de facturen, nadat deze in de administratie van de afnemers waren beland, de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving over registratie van en controle op handel in vis verhinderen. Bovendien werd het risico in het leven geroepen dat de facturen jegens de klanten van de afnemers van verdachte ge(- of mis)bruikt werden op het punt van de soort vis die werd geleverd, met name omdat Noordzeeschol aanzienlijk duurder was dan de geleverde Yellowfinsole. Sterker nog, uit het feit dat verdachtes afnemers graag de term “schollenfilets” of een van de andere termen genoemd in de tenlastelegging op de factuur vermeld wilden hebben, terwijl de afnemers zelf wel wisten dat geen Noordzeeschol werd geleverd, blijkt dat de afnemers die facturen ook ten opzichte van derden wilden kunnen gebruiken.

Daderschap rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad5 kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De valse facturen zijn door verdachte opgemaakt en verzonden naar aanleiding van visleveranties. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende verdachte heeft zij als activiteitenomschrijving: visverwerking, opslag in koelhuizen, pakken, sorteren, vis fileren, vriezen, inpakken, sorteren en opslaan van vis. De ten laste gelegde gedragingen hebben derhalve alle plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en zijn de rechtspersoon dienstig geweest terwijl de rechtspersoon, verdachte, er over vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet plaatsvonden.

Op grond van de hierboven beschreven gang van zaken met betrekking tot de facturering en de bij personeel/bestuurders aanwezige kennis wordt vastgesteld dat bij de rechtspersoon het vereiste opzet en het oogmerk aanwezig was.

Medeplegen

Uit de verklaringen van [medeverdachte 2]6 blijkt het volgende. Verdachte is voor 80% eigendom van [bedrijf 10] Van die vennootschap zijn de broers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ieder voor 50% aandeelhouder. [bedrijf 1] is voor 100% eigendom van [bedrijf 10] [medeverdachte 2] is directeur van zowel verdachte als [bedrijf 1] doet de in- en verkoop. De door [bedrijf 1] ingekochte vis wordt normaliter door verdachte verwerkt. Boekhouder [naam] verklaart voorts dat de facturen van zowel verdachte als [bedrijf 1] door [medeverdachte 2] worden opgemaakt. De bedrijven waren voorts gevestigd op hetzelfde adres ( [adres] te [plaats 1] ). Ze hadden één gezamenlijk kantoor. Door [verdachte] werd de vis veelal als eerste voorzien van het predicaat waarin een variant van de term ‘schol’ was verwerkt en deze werd vervolgens geleverd aan [bedrijf 1] , waarna zij de eerder gehanteerde terminologie bleef gebruiken naar haar klanten.

In feite was aldus sprake van één onderneming waarin de daarvan deel uitmakende rechtspersonen, verdachte en [bedrijf 1] , feitelijk voortdurend nauw en bewust samenwerkten bij alle handelsactiviteiten, dus ook bij de in deze zaak centraal staande facturering van [bedrijf 1] aan de in de tenlastelegging genoemde afnemers.

Voor [bedrijf 2] geldt, zoals hiervoor overwogen, dat de facturering van [bedrijf 2] , plaats vond in [plaats 2] en los stond van de facturering van [bedrijf 1] (opgericht in 1993), thans zijnde [bedrijf 1] in [plaats 1] .

Voor [medeverdachte 1] geldt dat van feitelijke, relevante, betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten niet is gebleken.

Voor [medeverdachte 2] geldt dat alle handelingen van verdachte zijn te herleiden tot handelingen van verdachte en deze om die reden niet als medepleger kan worden aangemerkt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] (thans zijnde [bedrijf 1] ) in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 in Nederland, meermalen, valselijk heeft opgemaakt facturen:

(Yellowfinsole)

a. nummer 27175 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 20 maart 2007 en

b. nummer 27102 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 20 februari 2007 en

c. nummer 63 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 14 december 2007 en

cc. nummer 20072421 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] d.d. 14

december 2007 en

(Rocksole)

dd. nummer 20080234 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5]

d.d. 11 februari 2008; en

ee. nummer 20080177 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6]

en

ff. nummer 20080234 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5]

en nummer 20080274 van [bedrijf 1] aan

[bedrijf 6] d.d. 12 februari 2008 en nummer 20080285 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] d.d. 18 februari 2008

(Schar)

g. nummer 27308 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 1 mei 2007 en

h. nummer 27556 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 10 augustus

2007 en

i. nummer 27421 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] d.d. 15 juni 2007;

bestaande de valsheid hierin dat op voornoemde facturen stond vermeld:

ad. a: ‘schol’ en/of ‘scholfilet’ en/of ‘schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid

‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld en

ad. b: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Schollenfilets’ terwijl er in

werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden

vermeld en

ad. c: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ terwijl er in

werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden

vermeld en

ad. cc: ‘SCHOLLENFILET’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld en

ad. dd: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of ‘Rocksole’,

en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;

en

ad. ee: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of ‘Rocksole’,

en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;

en

ad. ff: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘Yellowfinsole’, en/of ‘Rocksole’,

en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;

en

ad. g: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Kutterschol’, terwijl er in

werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had moeten worden vermeld en/of

ad. h: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholle’ en

‘Kutterschol’, terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had

moeten worden vermeld en

ad. i: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’

en/of ‘Kutterschol’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming,

had moeten worden vermeld,

zijnde telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te

dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte, een rechtspersoon die handelt in vis, heeft zich samen met een andere rechtspersoon meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op facturen een onjuiste benaming voor de geleverde vis te vermelden. Hierdoor wordt de mogelijkheid geschapen om de verdere keten van afnemers en consumenten waarin die vis terecht komt te misleiden voor wat betreft de precieze soort en herkomst van die vis, zonder acht te slaan op bijvoorbeeld het belang van eindgebruikers om volledig inzicht te krijgen in het product en zodoende geïnformeerd te kunnen beoordelen welk product zij kopen en consumeren.

De oorspronkelijke insteek van het onderzoek was de verdenking dat structureel sprake is geweest van het door verdachte declareren van een te hoge prijs voor de geleverde vis, maar die verdenking heeft geen stand kunnen houden en is daarom ook niet vertaald in de tenlastelegging van daarop betrekking hebbende feiten. De achtergrond van de handelwijze van verdachte lag in het behoud van haar klanten. Vanwege de beperkingen op de vangst van Noordzeeschol en de daardoor ontstane druk op de prijs daarvan (terwijl de vraag ernaar gelijk was gebleven) zochten deze klanten naar alternatieven. Dat alternatief werd gevonden in andere, op Noordzeeschol gelijkende, vissoorten. Met dat alternatief als zodanig was niets mis. De handelwijze van verdachte heeft echter eraan bijgedragen dat de herkomst en soortaanduiding van de verhandelde alternatieve vissoorten onvoldoende duidelijk waren met als (mogelijk) gevolg dat de alternatieve vissoorten op de markt werden gebracht als Noordzeeschol zonder dat de controlerende instanties dat eenvoudig konden ontdekken. Het particuliere economische belang van verdachte dat van zijn afnemers werd daardoor gediend: de handel bleef immers gaande. Het belang van de Nederlandse visserij in het algemeen en het belang van de uiteindelijke consument werden daardoor echter ernstig geschaad omdat op de juistheid van door Nederlandse vishandelaren verstrekte informatie kennelijk niet meer ten volle kon worden vertrouwd.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 maart 2016 blijkt dat zij niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Het belang van bestraffing is voorts daarin gelegen dat door de rechter de norm - valsheid in geschrift is ontoelaatbaar - nog eens wordt bevestigd en dat tot uiting wordt gebracht dat op overtreding van die norm een passende sanctionering staat. Beoogd wordt voorts van de strafoplegging voor de delicten van "gisteren" de aansporing te laten uitgaan dat de delicten van "morgen" achterwege blijven.

Het voorgaande neemt niet weg dat forse matiging in de strafoplegging gepast is. De bewezenverklaarde feiten dateren immers inmiddels al weer van 9 à 10 jaar geleden. Ter zitting van het hof is voorts gebleken dat verdachte de wijze van factureren inmiddels heeft aangepast aan de geldende regelgeving. Er zijn bovendien geen nieuwe soortgelijke feiten gepleegd door verdachte.

Het hof acht een geldboete passend en geboden. Gelet op de marktpositie van verdachte en het economische motief van verdachte om haar klanten en derhalve haar omzet te behouden, acht het hof in beginsel een bedrag van € 75.000,- een passende bestraffing voor de onderhavige feiten. De draagkracht van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, laat oplegging van een boete van die hoogte toe.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden berecht overschreden met twee jaren. Het hof zal daarom de op te leggen boete matigen tot € 70.000,-.

Beslag

Onder verdachte is een partij vis inbeslaggenomen, omdat deze was voorzien van onjuiste etiketten. Een deel van die vis is door verdachte teruggekocht. Op het bedrag dat is betaald rust thans het beslag.

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de inbeslaggenomen vis althans het geldbedrag dat daarvoor is betaald, vatbaar is voor verbeurdverklaring zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd.

De facturen genoemd in de bewezenverklaring zien niet op die in beslag genomen partij vis. Het beslag is derhalve niet te koppelen aan het bewezenverklaarde feit.

Het hof al daarom gelasten dat het door verdachte betaalde geldbedrag zal worden teruggegeven aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding voor wat betreft het gedeelte “met (een) andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en)” nietig.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 70.000,00 (zeventigduizend euro).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Geldbedrag van € 112.000,-.

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder, griffier,

en op 6 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 [verdachte] wordt in het dossier wel aangeduid en is gedagvaard als [verdachte] De eerste aanduiding is de statutaire en dus de juiste. Om die reden duidt het hof de nu besproken rechtspersoon in deze zaak uitsluitend aan als: [verdachte]

2 Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur

3 Hier relevant: Artikel 9a en artikel 9d van het Warenwetbesluit Visserijproducten, Slakken en Kikkerbillen. Artikel 1 Warenwetregeling Handelsbenamingen Vis.

4 Verordening (EG) Nr. 2065/2001 van de commissie van 22 oktober 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad met betrekking tot de informatieverstrekking aan de consument in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur

5 Laatstelijk HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733

6 Dossierpagina 04284 e.v. en 04330 e.v.