Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4287

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
200.152.501/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest in arbeidsgeschil, waarin op enkele resterende geschilpunten van feitelijke aard over de financiële afwikkeling van het dienstverband wordt beslist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0615
AR 2016/1576

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.152.501/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2112292 CV EXPL 13-2104)

arrest van 31 mei 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek, die ook heeft gepleit,

tegen

Industry International B.V.,

voorheen Imtech Industry International B.V.,

gevestigd te Coevorden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Imtech,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, kantoorhoudend te Arnhem,

voor wie heeft gepleit R. van der Stap, kantoorhoudend te Rotterdam.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 januari 2016 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Imtech heeft een akte uitlating genomen, [appellant] een antwoordakte.

1.2

Vervolgens zijn de nog niet overgelegde stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof beslist op de meeste tussen partijen bestaande geschilpunten. Het hof heeft onder meer overwogen dat [appellant] aanspraak heeft op een vergoeding voor het door hem in Brunei verrichte overwerk (uitgaande van een reguliere werkweek van 50 uur). Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aantal uren dat met het overwerk gemoeid is en over de hoogte van het te hanteren tarief voor het overwerk.

2.2

[appellant] heeft bij memorie van grieven een uitgebreid overzicht in het geding gebracht (prod. 8a), waarin hij per dag heeft aangegeven hoeveel uren hij heeft (over)gewerkt. Het hof stelt vast dat dat overzicht, dat sluit op 320 uren, niet inhoudelijk door Imtech is bestreden. Gesteld noch gebleken is dat de door [appellant] in dat overzicht verwerkte gegevens niet corresponderen met de ten aanzien van hem ingediende urenstaten. Indien Imtech het aantal overuren al heeft willen betwisten, heeft zij deze betwisting onvoldoende onderbouwd. Het hof zal dan ook uitgaan van een aantal van 320 overuren.

2.3

Volgens [appellant] dient te worden uitgegaan van een uurtarief van € 36,71, zijn salaris per uur in Brunei, met een opslag van 50% op grond van de gebruikelijke overuurregeling uit het Handboek Personele Regelingen. De vergoeding komt dan uit op € 55,06 per uur. Imtech meent dat uitgegaan dient te worden van een bedrag van € 36,42. Dat bedrag is ook een aantal malen als uitgangspunt gehanteerd bij de abusievelijke betalingen van overwerkvergoeding aan Imtech, stelt zij.

2.4

In het tussenarrest heeft het hof overwogen, dat nu een afwijkende afspraak niet is komen vast te staan, uitgegaan dient te worden van de overwerkregeling zoals die in genoemd Handboek is vastgelegd. In artikel 19a 12.2 van dat Handboek is vermeld dat overuren worden vergoed tegen 150%. Imtech heeft niet toegelicht hoe zij bij een percentage van 150% uitkomt op een bedrag van € 36,42 per uur. Het basisuurloon zou dan € 24,28 bedragen. Uit de loonstroken van [appellant] volgt echter dat hij in Brunei een uurloon van
€ 36,71 ontving en in Nederland van € 28,85. Naar het oordeel van het hof dient te worden uitgegaan van het uurloon in Brunei, nu het overwerk in Brunei heeft plaatsgevonden en partijen voor de periode gedurende het werk in Brunei een afwijkend uurloon zijn overeengekomen. Dat betekent dat [appellant] aanspraak heeft op een overwerkvergoeding van € 17.690,20 (320 * € 55,06) bruto.

2.5

Imtech heeft aangevoerd dat indien [appellant] aanspraak heeft op een vergoeding voor overwerk, op deze vergoeding in mindering moet worden gebracht de bedragen die zij, abusievelijk, al aan overwerkvergoeding heeft uitbetaald. Het betreft volgens haar 204 uren.
Het staat niet ter discussie dat Imtech bedragen aan [appellant] heeft betaald met als overschrijving "overuren 0,607%". Volgens [appellant] betreft het geen overuren, maar reisuren. Het hof volgt [appellant] in dat betoog, gelet op de gegevens van het hiervoor genoemde door [appellant] opgestelde overzicht, waarin ook de reisuren zijn verwerkt. In het tussenarrest heeft het hof ook overwogen dat, en waarom, [appellant] naast een betaling van het loon op werkdagen waarop gereisd is geen aanspraak heeft op een vergoeding voor reisuren, zodat het hof Imtech volgt in haar betoog dat de desbetreffende vergoeding ten onrechte is uitbetaald. Het gaat om een bedrag van 204 uren * € 36,42) = € 7.429,68 bruto. Het hof zal dit (ten onrechte) als overwerkvergoeding betaalde bedrag in mindering brengen op de verschuldigde overwerkvergoeding, zodat € 10.260,52 bruto resteert.

2.6

De slotsom is dat grief III in het principaal appel slaagt.

2.7

Uit hetgeen hiervoor en in het tussenarrest is overwogen, volgt dat [appellant] van Imtech te vorderen heeft een bedrag van € 755,- (salaris december 2012) + € 9.500,- (bonus)
+ € 10.260,52 = € 20.495,52, te vermeerderen met € 2.049,55 aan wettelijke verhoging en de wettelijke rente over beide bedragen vanaf 3 juni 2013. Grief IX in principaal appel slaagt dan ook gedeeltelijk.

2.8

Het hof zal bij deze uitkomst het vonnis van de kantonrechter vernietigen, behoudens voor wat betreft de beslissing over de proceskosten. In het principaal appel zijn beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, zodat het hof de proceskosten in het principaal appel zal compenseren. In het incidenteel appel is Imtech geheel in het ongelijk gesteld. Het hof zal haar dan ook verwijzen in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten tarief II = € 2.682,- : 2 = € 1.341,-).

3 De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 2 april 2014 voor wat betreft de beslissing over de proceskosten;
vernietigt het vonnis voor het overige,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Imtech om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 20.495,52 bruto en de wettelijke verhoging over dit bedrag, zijnde € 2.049,55 bruto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2013 tot aan het tijdstip van voldoening;

veroordeelt Imtech in de kosten van het incidenteel appel en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen, op nihil aan verschotten en op € 1.341,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het principaal appel, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. L. Groefsema en mr. M.C.D. Boon-Niks en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 31 mei 2016.