Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:4219

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
200.155.040
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:2667, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding koopovereenkomst ter zake van bitcoins. Schade als gevolg van de ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1577
RCR 2016/82
mr. W.F. Dammers annotatie in UDH:IR/13438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.155.040

(zaaknummer rechtbank Overijssel 140456)

arrest van 31 mei 2016

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser

advocaat: mr. M. Weij,

tegen:

[geïntimeerde] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J. Gonlag.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 september 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte houdende aanvullende producties van [appellant] ;

- akte indienden producties van [geïntimeerde] ;

- de aantekeningen van de op 10 maart 2016 gehouden comparitie.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken (aanvullend) voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het (bestreden) vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 mei 2014:

2.1

[appellant] en [geïntimeerde] hebben op 8 augustus 2012 een overeenkomst gesloten met betrekking tot de koop en verkoop van 2.750 bitcoins. [geïntimeerde] zou deze bitcoins aan [appellant] verkopen tegen een koopprijs van € 8,05 per bitcoin, derhalve voor een totaalbedrag van

€ 22.137,50;

2.2

[appellant] heeft de koopprijs van € 22.137,50 betaald aan [geïntimeerde] ;

2.3

[geïntimeerde] heeft 990 bitcoins geleverd aan [appellant] op diens bitcoinrekening;

2.4

De resterende 1.760 bitcoins zijn nimmer door [geïntimeerde] aan [appellant] geleverd;

2.5

[appellant] heeft [geïntimeerde] per brief van 11 oktober 2012 in gebreke gesteld, waarna [appellant] op 25 oktober 2012 de overeenkomst met [geïntimeerde] buitengerechtelijk partieel heeft ontbonden voor het gedeelte dat [geïntimeerde] nog niet was nagekomen.

Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:

2.6 “

Bitcoin” is het peer-tot-peernetwerk dat een decentraal opgeslagen grootboek – “de blockchain” – bijhoudt. Een “bitcoin” is de digitale munt die via het Bitcoin-netwerk verstuurd wordt. De adressen waarnaar bitcoins verzonden worden, bestaan uit een unieke reeks van cijfers en letters. In de blockchain wordt een overzicht bijgehouden van alle gegenereerde adressen en transacties. Het Bitcoinprotocol is zo ingericht dat miners (mensen die computerkracht ter beschikking stellen om de validiteit van transacties te controleren) voor hun werkzaamheden ten behoeve van de validiteit van die transacties beloond kunnen worden met een aantal bitcoins.

2.7

[appellant] heeft zijn bedrijf in 2011 opgezet, vanuit zijn spaarrekening. In het kader van zijn bedrijf verkocht en verkoopt [appellant] bitcoins met een marge bovenop de dagwaarde. De dagwaarde is de waarde in euro’s waartegen bitcoins op een bepaalde dag gekocht kunnen worden. [appellant] zorgde ervoor dat hij met zijn bedrijfsmatige aan- en verkoop van bitcoins steeds een (min of meer) gelijk aantal bitcoins in bezit hield. Hij voerde meerdere transacties per week uit, soms zelfs meerdere per dag.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Een verklaring voor recht dat:

a. [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de contractuele verplichtingen uit de overeenkomst, in het bijzonder de verplichting tot het betalen van het bedrag van BTC 1.760,-- aan [appellant] ;

b. de overeenkomst tussen partijen op 25 oktober 2012 buitengerechtelijk gedeeltelijk is ontbonden;

II. Veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 14.168,-- ter gedeeltelijke ongedaanmaking van de overeenkomst, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

Primair

III. Veroordeling van [geïntimeerde] met toepassing van artikel 6:125 Burgerlijk Wetboek (BW) tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 132.792,-- aan schadevergoeding als gevolg van de ontbinding, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente van

25 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair

IV. Veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van

€ 118.545,-- aan schadevergoeding als gevolg van de ontbinding, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente van 25 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

Primair en subsidiair

V. Veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee dagen na de betekening van het vonnis.

3.2

[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, dat de overeenkomst per 25 oktober 2012 gedeeltelijk buitengerechtelijk is ontbonden en dat [geïntimeerde] op die grond gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van € 14.168,-- uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis en tot betaling van de door [appellant] ten gevolge van de ontbinding geleden schade. Primair stelt [appellant] dat hij op grond van artikel 6:125 lid 1 BW recht heeft op koerswijzigingsschade, waarbij hij uitgaat van het verschil in koers tussen het moment van het sluiten van de overeenkomst en de dag van de dagvaarding.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg erkend dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Ook erkent hij dat [appellant] de overeenkomst partieel buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat hij gehouden is tot terugbetaling van € 14.168,--. [geïntimeerde] betwist echter dat er sprake is van een betaling van een geldsom in bitcoins als bedoeld in artikel 6:125 BW, nu bitcoins geen geld zijn in de zin van artikel 6:112 BW. [geïntimeerde] betwist verder ook dat het positief contractsbelang kan worden berekend op een willekeurig door [appellant] gekozen moment, lange tijd na de wanprestatie.

3.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen onder 3.1 sub I (in gewijzigde vorm), onder 3.1 sub II, onder 3.1 sub IV (tot een bedrag van € 1.760,--) en onder 3.1 sub V (behoudens de gevorderde wettelijke rente) toegewezen. De rechtbank heeft de primaire vordering onder III afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bitcoin niet kan worden aangemerkt als geld in de zin van afdeling 6.1.11 BW, maar dient te worden gezien als ruilmiddel. Volgens de rechtbank houdt het standpunt van [appellant] dat de bitcoin kan dienen ter voldoening van een verbintenis tot betaling van een geldsom geen stand. Zodoende is er volgens de rechtbank geen grondslag voor toepassing van artikel 6:125 BW en dient de vordering van [appellant] op dat punt te worden afgewezen.

Wat betreft de subsidiair door [appellant] gevorderde schadevergoeding als gevolg van de ontbinding heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting tot levering van 1.760 bitcoins. Omdat deze tekortkoming aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend is [geïntimeerde] jegens [appellant] op grond van artikel 6:74 BW schadeplichtig.

Volgens de rechtbank is er geen grondslag voor vergoeding van schade na datum ontbinding. De rechtbank heeft daarom de schade van [appellant] vastgesteld op de datum van ontbinding, en heeft de schadevergoedingsvordering voor het overige afgewezen. De schade op de datum van ontbinding heeft de rechtbank vastgesteld aan de hand van het waardeverschil van de bitcoin op de dag van het sluiten van de overeenkomst en de dag van ontbinding. Nu tussen partijen vaststaat dat de waarde van de bitcoin in die periode met

€ 1,-- is gestegen, heeft de rechtbank de schadevergoedingsvordering tot een bedrag van

€ 1.760,-- toegewezen.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

[appellant] kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggen de overwegingen en heeft tegen het vonnis 10 grieven aangevoerd.

Daarnaast heeft hij zijn vordering gewijzigd in die zin dat [appellant] thans:

a. onder I sub c vordert dat voor recht wordt verklaard dat bitcoin als “geld” in de zin van artikel 6.1.11 BW dient te worden gezien;

b. primair veroordeling vordert van [geïntimeerde] tot voldoening van schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door levering aan [appellant] van BTC 1.760,-- binnen 14 dagen na betrekening van het arrest, terwijl [geïntimeerde] bij gebreke van nakoming van het voorgaande automatisch gehouden zal zijn tot het betalen van schadevergoeding in geld, begroot op een bedrag van € 132.792,--, althans een bedrag door het hof in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 25 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening”;

c. subsidiair en meer subsidiair vordert hetgeen hij in eerste aanleg primair en subsidiair heeft gevorderd, zij het dat hij thans:

d. een bedrag van € 2.993,20 ter zake van buitengerechtelijke kosten vordert, althans door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee dagen na de betekening van het arrest;

e. de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vordert over de hoofdsom (in plaats van de in eerste aanleg gevorderde wettelijke rente);

4.2

Door vaststelling van de in r.o. 2.6 vermelde feiten heeft [appellant] geen belang meer bij een bespreking van grief 1. Met de overige grieven legt [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof beoordeelt deze grieven (alsmede de in hoger beroep voor het eerst ingestelde vorderingen) als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] jegens [appellant] is tekortgeschoten, dat de overeenkomst partieel ontbonden is en dat [geïntimeerde] aan [appellant] uit hoofde van ongedaanmakingsverplichting een bedrag van € 14.168,-- dient terug te betalen. De kern van het geschil tussen partijen betreft, zoals ook blijkt uit hetgeen door en namens partijen op de comparitiezitting is verklaard, de vraag welke schade [appellant] heeft geleden ten gevolge van de ontbinding.

4.3

In het algemeen geldt dat degene wiens tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd verplicht is aan de wederpartij de schade te vergoeden die deze heeft geleden doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomst

plaatsvindt (artikel 6:277 BW). Uitgangspunt daarbij is dat het positief contractsbelang wordt vergoed. De verschuldigde schadevergoeding wordt gevonden door vergelijking van twee denkbare vermogenssituaties: enerzijds die welke zou zijn voortgevloeid uit een in alle opzichten onberispelijke nakoming, anderzijds die welke zou resulteren in een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieverplichtingen. Op de verplichting tot schadevergoeding zijn de artikelen 6:74 e.v. BW en de artikelen 6:95 e.v. BW van toepassing.

4.4

[appellant] vordert in hoger beroep, na wijziging van eis, primair dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot voldoening van schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door levering aan [appellant] van 1.760 bitcoins. Het hof is van oordeel dat voor een veroordeling tot het vergoeden van de schade anders dan in geld, geen reden is, nu de door [appellant] geleden schade eenvoudig in geld kan worden begroot (vgl. hierna rechtsoverweging 4.9) en [appellant] niet heeft aangevoerd op grond van welke bijzondere omstandigheden in dit geval afgeweken zou moeten worden van de hoofdregel dat schadevergoeding in geld wordt voldaan. Toewijzing van de primaire vordering zou materieel bovendien neerkomen op een vordering tot nakoming, terwijl [appellant] de koopovereenkomst nu juist ontbonden heeft (waardoor de verplichting tot levering van de bitcoins is komen te vervallen).

4.5

Subsidiair vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] met toepassing van artikel 6:125 lid 1 BW tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 132.792,-- aan schadevergoeding als gevolg van de ontbinding, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente van 25 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.6

Het hof stelt vast dat [appellant] , zoals door en namens hem op de comparitiezitting nog eens is bevestigd, zich niet rechtstreeks op artikel 6:125 lid 1 BW beroept, maar dat hij in het kader van de schadebegroting aansluiting wenst te zoeken bij dit artikel en overigens bij afdeling 6.1.11 van het BW. In zoverre treft grief 5 doel.

Het hof is van oordeel dat het niet voor de hand ligt om bij de begroting van de schade aansluiting te zoeken bij artikel 6:125 lid 1 BW (dan wel in het algemeen bij afdeling 6.1.11 van het BW). In de eerste plaats heeft art. 6:125 lid 1 BW geen betrekking op de waardeschommelingen van gekochte maar niet-geleverde goederen. In dit geval bestonden de gekochte goederen uit 2.750 bitcoins en was de koopprijs (en de ongedaanmakings-verplichting) uitgedrukt in euro’s. Ook de vordering tot schadevergoeding dient in beginsel te worden voldaan in euro’s. Op grond van artikel 6:125 lid 2 BW is daarom in dit geval lid 1 niet van toepassing.

In de tweede plaats is er naar het oordeel van het hof geen aanleiding om, bij wijze van kapstok, bij de begroting van de schade aansluiting te zoeken bij artikel 6:125 lid 1 BW, nu dit artikel betrekking heeft op de situatie dat er vertraging optreedt in de voldoening van een geldsom en er daardoor (naast de schade bedoeld in artikel 6:119 BW) schade optreedt doordat de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt zich ten opzichte van die van het geld van een of meer andere landen heeft gewijzigd. Artikel 6:125 lid 1 BW heeft aldus betrekking op de situatie dat er schade wordt geleden doordat er te laat wordt betaald, terwijl de onderhavige zaak betrekking heeft op de situatie dat er schade is geleden doordat de overeenkomst is ontbonden. Voor zover er al vanuit gegaan zou dienen te worden dat er (in de zin van afdeling 6.1.11 van het BW) sprake is van een betalingsverplichting in bitcoins (waarvan het hof niet uitgaat), is die verplichting na de (partiële) ontbinding komen te vervallen, zodat deze ook niet meer met vertraging kan worden nagekomen en van schade door een eventueel koersverschil ten tijde van de dagvaarding ook geen sprake kan zijn. Op zijn hoogst zou in dat geval moeten worden uitgegaan van de waarde/het waardeverschil van de bitcoin op per datum van de ontbinding, nu de verplichting tot levering van de bitcoins vanaf dat moment is komen te vervallen. Dat zou echter niet leiden tot toewijzing van een hoger bedrag dan door de rechtbank is toegewezen.

4.7

Nu [appellant] zich niet rechtstreeks beroept op artikel 6:125 BW en/of de afdeling 6.1.11 van het BW, en het hof bovendien aansluiting bij deze artikelen niet in de rede vindt liggen, is er geen reden om te onderzoeken of bitcoins als geld in de zin van artikel 6:112 BW en/of artikel 6:114 BW dienen te worden beschouwd.

Nog afgezien van de vraag of de onder I sub c gevorderde verklaring voor recht voldoet aan het bepaalde in artikel 3:302 BW (nu deze niet betrekking heeft op een rechtsverhouding tussen partijen), heeft [appellant] daarom geen belang bij deze verklaring. Om dezelfde reden heeft [appellant] ook geen belang bij een (verdere) beoordeling van de grieven 2 tot en met 5.

4.8

Meer subsidiair vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 132.792,-- aan schadevergoeding als gevolg van de ontbinding, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

Op grond van artikel 6:97 BW begroot de rechter de schade op een wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Zoals reeds is overwogen ziet het hof geen aanleiding om voor de begroting van de schade aansluiting te zoeken bij artikel 6:125 lid 1 BW en/of afdeling 6.1.11 BW. Nu het in de onderhavige zaak gaat om een ontbinding van een koopovereenkomst, de bitcoin op één lijn kan worden gesteld met een goed met een “dagprijs”, en de bitcoins, blijkens hetgeen [appellant] ter comparitiezitting met betrekking tot de gang van zaken binnen zijn bedrijf heeft verklaard, bedoeld waren om te worden doorverkocht, ligt aansluiting bij artikel 7:36 BW naar het oordeel van het hof wel in de rede. Artikel 7:36 BW heeft immers betrekking op de situatie dat de gekochte zaak een dagprijs heeft. In dit geval kunnen de bitcoins als gekochte zaken worden beschouwd zoals in artikel 7:36 BW bedoeld.

Namens [appellant] is op de comparitiezitting aangevoerd dat artikel 7:36 BW niet van toepassing is, omdat een bitcoin geen “zaak” is in de zin van het artikel. Artikel 7:47 BW bepaalt echter dat koop ook op een vermogensrecht betrekking kan hebben en dat in dat geval (onder meer) ook artikel 7:36 BW e.v. van toepassing zijn, voor zover dit in overeenstemming is met de aard van het recht. Dat de bitcoin een vermogensrecht is staat tussen partijen niet ter discussie, terwijl de omstandigheid dat de bitcoin een dagprijs heeft, meebrengt dat toepasselijkheid van artikel 7:36 BW in overeenstemming kan worden geacht met de aard daarvan.

Los daarvan heeft de rechter, zoals gezegd, op grond van artikel 6:97 BW een zekere mate van vrijheid om de schade te begroten en kan artikel 7:36 BW ook buiten de situatie waarop het artikel blijkens zijn tekst betrekking heeft, toepassing vinden.

4.9

Uitgaande van artikel 7:36 BW dient de door [appellant] geleden schade te worden begroot op € 1.760,--. Tussen partijen is niet in geschil dat de waardestijging van de bitcoin tussen de datum van sluiten van de koopovereenkomst en de datum van ontbinding

€ 1,-- bedraagt. Ter zitting is namens [geïntimeerde] onweersproken gesteld dat de waarde in de periode tussen verzuim en de ontbinding niet noemenswaardig verschilt, zodat voor toepassing van artikel 7:36 BW (dat uitgaat van de dagprijs op het moment van de niet-nakoming) kan worden uitgegaan van een prijsverschil van € 1,--.

4.10

De bepaling van artikel 7:36 BW sluit het recht op een hogere schadevergoeding niet uit in geval meer schade is geleden (vgl. artikel 7:38 BW). Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om in dit geval een hoger bedrag aan schadevergoeding toe te wijzen. Dat een vergelijkbare situatie als bedoeld in artikel 7:37 BW zich voordoet heeft [appellant] niet gesteld, noch is dit gebleken. Ook de andere door [appellant] gestelde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof niet een hogere schadevergoeding. Dat [appellant] de koopsom (tot op heden) niet retour heeft gekregen brengt niet mee dat, zoals [appellant] vordert, voor de berekening van de schade de waarde van de bitcoin ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding bepalend is. Ook ten tijde van de dagvaarding had [appellant] de koopsom nog niet terug ontvangen.

Naar het oordeel van het hof had het op de weg van [appellant] gelegen om, in reactie op hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld en gelet op de manier waarop hij zijn bedrijfsvoering had ingericht, concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die de conclusie rechtvaardigen dat hij de van [geïntimeerde] gekochte bitcoins niet al heel snel weer zou hebben doorverkocht, maar juist deze bitcoins - kennelijk anders dan voor hem gebruikelijk - langere tijd had willen bewaren, teneinde van de waardestijging daarvan te profiteren. [appellant] heeft die nadere toelichting niet gegeven, bij gebreke waarvan het toekennen van een schadevergoe-ding die betrekking heeft op een waardestijging van de bitcoins over een langere termijn, niet in de rede ligt.

Het had bovendien op de weg van [appellant] gelegen om - mede gelet op de snelle stijging van de waarde van de bitcoin (door [appellant] nader geadstrueerd in punt 28 van de inleidende dagvaarding) en de wijze waarop hij zijn bedrijf had ingericht- nader toe te lichten waarom hij geen vervangende koop heeft verricht, al dan niet door daartoe een lening af te sluiten ter beperking van de schade.

Dat betekent dat het hof zich aansluit bij het oordeel van de rechtbank dat de schade die [appellant] heeft geleden door de ontbinding dient te worden begroot op € 1.760,--.

4.11

[appellant] heeft zich ook nog beroepen op artikel 6:104 BW. [appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] door de wanprestatie vanaf 8 augustus 2012 over 1760 bitcoins beschikte. Door deze bitcoins te behouden in plaats van te leveren aan [appellant] , heeft hij tot een bedrag van € 132.792,-- winst behaald. [geïntimeerde] heeft daarentegen aangevoerd dat hij de niet geleverde 1760 bitcoins niet (meer) heeft en/of heeft behouden en hij heeft betwist dat hij heeft geprofiteerd van zijn wanprestatie. Nu [appellant] zijn stelling op dit punt niet gemotiveerd heeft onderbouwd en daarnaast ook geen bewijs heeft aangeboden van zijn stelling op dit punt, verwerpt het hof het beroep van [appellant] op artikel 6:104 BW.

4.12

[appellant] heeft in hoger beroep de wettelijke handelsrente gevorderd op grond van artikel 6:119a BW. [geïntimeerde] heeft echter betwist dat hij bedrijfsmatig heeft gehandeld in bitcoins. Hij stelt als hobby gedurende korte tijd te hebben gehandeld in bitcoins. Om die reden is volgens [geïntimeerde] artikel 6:119a BW niet van toepassing. Dat [geïntimeerde] bedrijfsmatig handelde blijkt niet uit de stukken noch heeft [appellant] daarvan bewijs aangeboden. Op deze grond wijst het hof de gevorderd wettelijke handelsrente af.

4.13

[appellant] heeft in hoger beroep (met verwijzing naar het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (hierna: het Besluit)) ten slotte nog vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd. [geïntimeerde] heeft betwist dat [appellant] buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken. Nu niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] bedrijfsmatig heeft gehandeld zijn (op grond van de per 1 juli 2012 in werking getreden Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarbij behorende Besluit) dergelijke kosten pas verschuldigd indien [appellant] [geïntimeerde] na het intreden van het verzuim heeft aangemaand. Daarbij dient hem een termijn van veertien dagen te zijn gegeven en dient het in rekening te brengen bedrag ter zake van incassokosten te zijn vermeld (vgl. artikel 6:96 lid 6 BW). Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke aanmaning heeft plaatsgevonden. Het hof zal daarom de vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten afwijzen, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente.

5 De slotsom

5.1

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof van oordeel is:

- dat het slagen van grief 5 (gedeeltelijk) niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis;

- dat de grieven overigens geen doel treffen en/of geen verdere behandeling behoeven;

- dat het bestreden vonnis om die reden – met een enigszins gewijzigde motivering – dient te worden bekrachtigd;

- dat [appellant] geen belang heeft bij de in r.o. 4.1 sub a gevorderde verklaring voor recht, zodat deze zal worden afgewezen;

- dat de in hoger beroep nieuw ingestelde vorderingen ook overigens zullen worden afgewezen.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 308,--

subtotaal verschotten € 308,--

- salaris advocaat € 5.268,-- (2 punten x tarief V (2.634,--))

Totaal € 5.568,--

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 mei 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 308,-- voor verschotten en op € 5.268,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, M.B. Beekhoven van de Boezem en

A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

31 mei 2016.