Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3993

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
200.165.069-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelgrens en vordering van onbepaalde waarde (vordering tot verklaring voor recht).

In dit geval zijn er duidelijke aanwijzingen dat de vordering van geïntimeerde in eerste aanleg geen hogere waarde vertegenwoordigt dan de appelgrens.

De door geïntimeerde in eerste aanleg gevorderde verklaring voor recht is namelijk gecombineerd met een vordering tot betaling van een (restant)bedrag van € 134,01 en uit de gevorderde verklaring voor recht kan niet worden afgeleid dat die een wijdere strekking heeft dan voor recht te verklaren dat het gevorderde bedrag verschuldigd is. De vordering tot verklaring voor recht mist daarmee zelfstandige betekenis.

Dat geldt ook voor de door appellant in eerste aanleg spiegelbeeldig gevorderde verklaring voor recht dat hij het (restant)bedrag niet verschuldigd is. Ook die vordering telt voor de appelgrens derhalve niet mee, nog daargelaten dat ook met inbegrip van die vordering het belang van de vorderingen in de zaak (ruimschoots) beneden de appelgrens blijft.

Volgt niet-ontvankelijk verklaring van appellant in zijn hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.165.069

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, kantonrechter locatie Groningen
2214031 / CV EXPL 13-9109)

arrest van 24 mei 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.J. Griede,

tegen:

de besloten vennootschap Essent Retail Energie B.V.

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Essent,

advocaat: mr. R.H. van Muijen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 december 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 23 februari 2016.

1.3

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals vastgesteld in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.12 van het (bestreden) vonnis van 18 september 2014.

Tegen die vaststelling is niet gebleken van bezwaren. Deze feiten komen neer op het volgende.

3.2

[appellant] heeft in 1991 een leveringsovereenkomst terzake van gas en elektriciteit afgesloten met EGD, een rechtsvoorgangster van Essent.
3.3 [appellant] betaalde altijd via acceptgirokaart. Vanaf 1 januari 2011 brengt Essent daarvoor per betaling service- en administratiekosten in rekening. [appellant] heeft die altijd betaald, tot de jaarafrekening 2011/2012.
Van die jaarafrekening, een bij te betalen bedrag van € 250,92, heeft [appellant] alleen een bedrag van € 116,91 voldaan. Het restantbedrag van € 134,01 heeft hij ondanks herhaalde sommaties onbetaald gelaten.

3.4

Het onbetaald gelaten bedrag is opgebouwd uit € 26,26 aan service-en administratiekosten en € 107,75 aan in de jaarafrekening begrepen BTW over de energiebelasting.

3.5

In correspondentie met Essent heeft [appellant] uiteengezet dat hij van mening is dat hij die beide posten niet verschuldigd is. Partijen zijn vervolgens overeengekomen die kwestie voor te leggen aan de rechter in een bodemprocedure.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Essent heeft in eerste aanleg gevorderd:
1. te verklaren voor recht dat gedaagde de door eiseres bij hem in rekening gebrachte
Service- en Administratiekosten en de BTW over de Energiebelasting dient te
betalen;

2. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 28,26 ter zake van achterstallige Service- en Administratiekosten, een bedrag van € 107,75 ter zake van de achterstallige BTW over de Energiebelasting, beide inzake de Jaarafrekening 2011/2012, en een bedrag van € 120,00 ter zake de aanmaningskosten ter inning van het niet betaalde deel van de Jaarafrekening 2011/2012, te vermeerderen met een vergoeding ter zake van de buitengerechtelijke kosten die eiseres gedwongen was te maken, te begroten op € 40,00, althans zodanige bedragen als Uw Rechtbank, kamer voor kantonzaken zal bepalen, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;

3. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres gevallen;

4. het te wijzen vonnis voor wat betreft de hiervoor sub 2 en 3 gevorderde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 18 september 2014 de gevraagde verklaring voor recht gegeven en [appellant] veroordeeld – uitvoerbaar bij voorraad – tot betaling van een bedrag van € 134,01 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf drie dagen na de betekening van het vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4.3

[appellant] vordert in hoger beroep:
“het vonnis door de rechtbank Noord-Nederland, Locatie Groningen, Kamer voor Kantonzaken, de dato 18 september 2014, onder zaak/rolnummer: 2214031 CV EXPL 13-9109, tussen partijen gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoend bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Essent te veroordelen tot (terug)betaling aan [appellant] van een bedrag van € 134,01 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Essent in de kosten van beide instanties.”

5 De beoordeling van de ontvankelijkheid

5.1

Essent heeft in haar memorie van antwoord als formeel verweer aangevoerd dat [appellant] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk verklaard dient te worden omdat het belang van de zaak blijft onder de appel grens.

5.2

[appellant] heeft tijdens de comparitie betoogd dat hij wel ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Hij heeft aangevoerd dat de door Essent in eerste aanleg gevorderde verklaring voor recht een vordering van onbepaalde waarde betreft en dat vanwege het door Essent in rekening blijven brengen van service- en administratiekosten en ook het in rekening blijven brengen van BTW over de Energiebelasting het belang van die vordering het bedrag van € 1.750,-- overstijgt.

5.3

Het hof overweegt dat een vordering tot verklaring voor recht een vordering van onbepaalde waarde betreft. Artikel 332 lid Rv bepaalt dat voor vorderingen van onbepaalde waarde hoger beroep open staat, tenzij duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan de appelgrens (€ 1.750,-).
In dit geval is de gevorderde verklaring voor recht gecombineerd met een vordering van bepaalde waarde, te weten de vordering tot voldoening van het restantbedrag van € 134,01 van de jaarafrekening van 2011/2012. Uit de gevorderde verklaring voor recht kan niet worden afgeleid dat die een wijdere strekking heeft dan een verklaring voor recht dat [appellant] de bij die jaarafrekening in rekening gebrachte bedragen aan service- en administratiekosten en BTW verschuldigd is. Tijdens de comparitie is naar voren gekomen dat er behalve de onderhavige jaarafrekening ook geen andere vorderingen van Essent op [appellant] openstaan.

Aangenomen dient derhalve te worden dat, zoals Essent tijdens de comparitie ook heeft aangegeven, aan de gevorderde verklaring voor recht geen zelfstandige betekenis toekomt, maar dat die vordering alleen dient voor de ondersteuning van het gevorderde geldbedrag van € 134,01 uit hoofde van de jaarafrekening 2011/2012. Daarmee bestaat een duidelijke aanwijzing dat de gevorderde verklaring voor recht geen hogere waarde vertegenwoordigt dan de appelgrens. Nu de in deze zaak in eerste aanleg ingestelde geldvorderingen (ruim) beneden de appelgrens blijven, is dan de slotsom dat [appellant] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

5.4

Het hof merkt nog op dat in eerste aanleg [appellant] in zijn conclusie van antwoord tevens een tegenvordering heeft ingediend, te weten een vordering tot verklaring voor recht dat hij het bedrag van € 134,01 niet verschuldigd is. Een vordering die derhalve spiegelbeeldig is aan de in conventie ingestelde vordering tot betaling van het bedrag van € 134,01, ondersteund door de hiervoor (5.3) besproken verklaring voor recht.
Aan die tegenvordering komt daarmee geen zelfstandig belang toe –in eerste aanleg is de vordering in reconventie ook buiten beschouwing gebleven-, zodat die vordering voor de bepaling van de appelgrens niet meetelt, nog daargelaten dat ook met inbegrip van die vordering het belang van de vorderingen in deze zaak (ruimschoots) beneden de appelgrens blijft.

6. De slotsom

6.1

Het belang van de vorderingen in deze zaak overschrijdt niet de appelgrens, zodat [appellant] in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen.
Omdat [appellant] niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

6.2

Nu de kosten van de procedure in hoger beroep nodeloos zijn gemaakt zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Essent zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 711,--

- salaris advocaat € 1.264,-- (2 punten x tarief I)

Totaal € 1.975,--

7
7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Groningen van 18 september 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Essent vastgesteld op € 711,-- voor verschotten en op € 1.264,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.M.A. Wind en mr. O.E. Mulder, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 mei 2016.