Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3991

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
200.161.331/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vraag of inmiddels ontslagen werknemer recht heeft op vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen bij opgenomen vakantiedagen, waarvan werknemer niet heeft genoten omdat hij in die periode op nonactief werd gesteld en betrokken raakte in procedures. Dezelfde vraag speelt met betrekking tot een niet gevraagde, maar gebruikelijke bedrijfssluiting in de Kerstperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1439
Prg. 2016/172
AR-Updates.nl 2016-0553
XpertHR.nl 2016-416058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.161.331/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, 2958304 CV EXPL 14-5696)

arrest van 24 mei 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Triacc Adviseurs & Accountants B.V.,

gevestigd te Stadskanaal,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Triacc,

advocaat: mr. E. van Dijk, kantoorhoudend te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 15 mei 2014 en 11 september 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 december 2014,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met een productie.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert vernietiging van het eindvonnis van de kantonrechter en veroordeling van Triacc tot betaling van € 5.068,- bruto voor 200 niet genoten verlofuren, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 1 februari 2013, vergoeding van buitengerechtelijke kosten en veroordeling van Triacc in de kosten van beide instanties.

3 De feiten

3.1

Tegen de door de kantonrechter in het eindvonnis vastgestelde feiten is geen grief gericht en ook overigens is tegen die vaststelling niet van bezwaar gebleken. Deze feiten komen, voor zover van belang en aangevuld met wat voorts vast staat, op het volgende neer.

3.2

[appellant] is vanaf 1 april 2010 tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2013 in dienst geweest bij Triacc. Dit bedrijf is ieder jaar tussen Kerst en Nieuwjaar gesloten.

3.3

In januari 2012 heeft [appellant] vakantie aangevraagd voor de periode van vrijdag 13 juli 2012 tot en met vrijdag 10 augustus 2012. Triacc heeft hierop niet gereageerd.

3.4

Op 1 juni 2012 heeft Triacc aan het UWV toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant] gevraagd, aanvankelijk om bedrijfseconomische redenen en later wegens disfunctioneren. Daarop was in september 2012 nog niet beslist, waarna Triacc haar verzoek heeft ingetrokken en op 29 oktober 2012 het ontbindingsverzoek heeft ingediend. Vanaf 4 juni 2012 is [appellant] op non-actief gesteld.

3.5

Bij de eindafrekening in januari 2013 heeft Triacc rekening gehouden met 168 opgenomen verlofuren in de onder 3.3 genoemde periode en met 32 verlofuren tussen Kerst 2012 en Nieuwjaar. Op de sommatie tot uitbetaling van deze dagen heeft Triacc niet gereageerd.

4 De beoordeling in eerste aanleg

4.1

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en daartoe met betrekking tot de zomervakantie overwogen, dat artikel 7:638 lid 2 BW meebrengt dat met het uitblijven van een reactie van Triacc op de in januari 2012 gedane verlofaanvraag vaststaat, dat die vakantie is vastgesteld voordat [appellant] op non-actief werd gesteld. Dat [appellant] voor deze vakantieperiode op non-actief is gesteld, is voor die vastgestelde vakantie niet relevant. [appellant] heeft niet gemeld dat hij zijn verlofuren wilde intrekken.

4.2

De vordering over de Kerstperiode heeft de kantonrechter afgewezen omdat Triacc onweersproken heeft gesteld dat er vanaf haar oprichting in die periode sprake is van een algehele bedrijfssluiting en omdat [appellant] heeft erkend dat hij tot 2012 in deze periode altijd vakantie genoot. Op grond hiervan kan, volgens de kantonrechter, worden aangenomen dat deze periode in beginsel is aangewezen als vakantieperiode. [appellant] heeft niet aan Triacc kenbaar gemaakt dat hij daarvan geen gebruik wenste te maken. Triacc mocht daarom ook deze verlofuren afboeken.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

De acht grieven tezamen leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal die grieven dan ook gezamenlijk bespreken.

5.2

Tegen de afwijzing van zijn vordering met betrekking tot de verlofuren in de zomervakantie voert [appellant] de volgende argumenten aan:

- artikel 7:636 lid 1 BW brengt, eventueel naar analogie, mee dat dagen, waarop [appellant] de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, alleen in beperkte mate en met instemming van [appellant] als vakantiedagen mogen worden aangemerkt;

- hoewel hij in januari 2012 op verzoek van Triacc zijn vakantievoorkeur kenbaar heeft gemaakt, mag daaruit niet worden afgeleid dat hij instemde met het opnemen van die vakantiedagen nadat hij, in januari nog niet voorzienbaar, op non-actief werd gesteld;

- [appellant] heeft ook niet van deze verlofdagen kunnen genieten omdat hij zich diende te verweren in de UWV-procedure en als gevolg van de op non-actiefstelling alsmede een claim tegen hem van een klant van Triacc.

5.3

Door Triacc is terecht opgemerkt dat het beroep op artikel 7:636 lid 1 BW niet opgaat nu zich geen van de daarin bedoelde situaties heeft voorgedaan en [appellant] wel recht had op loon tijdens de periode van non-activiteit. Het hof is voorts van oordeel dat er geen reden is voor analogische toepassing op het onderhavige geval, dat geen enkele verwantschap heeft met de wel in artikel 7:635 leden 1 en 4 BW geregelde gevallen waarop artikel 7:636 lid 1 BW ziet.

Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat erop neerkomt dat hij na opgave van zijn vakantiewensen nog uitdrukkelijk akkoord moest gaan met de, zonder tijdig bezwaar van de werkgever als toegekend te beschouwen, aangevraagde verlofdagen. Daarbij overweegt het hof dat het altijd kan gebeuren dat de werknemer in verband met onvoorziene omstandigheden die periode wenst te wijzigen, maar daartoe zal hij dan in overleg met zijn werkgever moeten treden, waarbij de werkgever zich als goed werkgever heeft op te stellen. De verplichting van Triacc om zich als goed werkgever te gedragen gaat niet zo ver, dat zij uit eigen beweging aan [appellant] had moeten voorstellen dat hij zijn vakantieperiode zou verplaatsen. Dat geldt ook als de werkgever moet begrijpen dat de vakantieperiode van de werknemer overschaduwd wordt door arbeidsgerelateerde problemen.

De vordering met betrekking tot verlofdagen in de zomervakantie is terecht door de kantonrechter afgewezen en de daartegen gerichte grieven falen.

5.4

De grieven tegen de afwijzing van de vordering betreffende de kerstvakantie slagen evenwel. Triacc heeft niet gesteld dat in de vaststelling van deze verlofdagen, waarom [appellant] niet zelf heeft verzocht, is voorzien op een wijze als beschreven in artikel 7:638 lid 2 BW, van welk wetsartikel ingevolge artikel 7:645 BW niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken, tenzij de wet zodanige afwijking toelaat.

Het enkele feit dat [appellant] zich in voorafgaande jaren heeft geconformeerd aan deze eenzijdige aanwijzing van vakantiedagen brengt niet mee dat [appellant] gehouden is dat ook in de onderhavige situatie te doen. In dit geval kan ook niet uit andere omstandigheden, waaronder het tijdsverloop, afgeleid worden dat [appellant] zich wederom aan het gebruik heeft geconformeerd.

Het hof zal de vordering over 32 verlofuren, aldus tot een hoofdsom van (32 x € 25,43)

€ 813,76 bruto toewijzen, met wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2013, zoals gevorderd. Het hof matigt de gevorderde wettelijke verhoging over dit bedrag ambtshalve tot 15%. Wettelijke rente hierover is verschuldigd vanaf de datum van dagvaarding, nu niet is aangevoerd dat tegen een eerdere datum wettelijke rente is aangezegd.

5.5

Nu een deel van de vordering toewijsbaar is gebleken en [appellant] daartoe onweersproken genoegzaam heeft gesteld, is Triacc tevens buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Gesteld noch gebleken is dat tussen partijen enig beding omtrent buitengerechtelijke incassokosten geldt. Het hof sluit daarom aan bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, dat een tarief van 15% van een hoofdsom tot

€ 2.500,- kent. Aldus is wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 122,06 toewijsbaar.

5.6

Omdat [appellant] in eerste aanleg een aanzienlijk hogere vordering had ingediend, die hij in de loop van de procedure in eerste aanleg heeft verminderd, is hij naar het oordeel van het hof terecht in de proceskosten van eerste aanleg veroordeeld.

Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook alleen vernietigen voor zover daarbij zijn vordering met betrekking tot verlof tijdens de Kerstperiode 2012 met nevenvorderingen is afgewezen, en de uitspraak voor het overige bekrachtigen.

In het feit dat partijen in hoger beroep ieder voor een deel ongelijk hebben gekregen ziet het hof aanleiding om de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren, zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten dient te dragen.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 11 september 2014 voor zover daarbij de vordering van [appellant] inzake de 32 uur afgeboekte verlofuren in de Kerstperiode van 2012 met nevenvorderingen is afgewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Triacc tot betaling aan [appellant] van € 813,76 bruto en 15% wettelijke verhoging daarover, te vermeerderen met wettelijke rente over € 813,76 vanaf 1 februari 2013 en over de wettelijke verhoging vanaf 1 april 2014;

veroordeelt Triacc voorts tot betaling aan [appellant] van € 122,06 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten dient te dragen;

verklaart dit arrest voor zover Triacc daarbij tot betaling is veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. M.W. Zandbergen en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 mei 2016.