Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3972

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
WAHV 200.155.826
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 160 WVW 1994. Sanctie ter zake van “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter

inzage afgeven” opgelegd bij gerichte verkeerscontrole. De betrokkene heeft niet onverwijld gevolg gegeven aan de vordering om zijn rijbewijs te tonen. Hij gaf zijn rijbewijs pas na te hebben gevraagd wat de reden van staandehouding was. Verkeerscontroles kunnen op verschillende manieren worden uitgevoerd. Dat deze verkeerscontrole niet met borden werd aangekondigd en bestuurders niet naar een andere plek werden geleid, maakt de staandehouding van de betrokkene niet onrechtmatig. Sanctie terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/48
VR 2018/2

Uitspraak

WAHV 200.155.826

24 mei 2016

CJIB 172319112

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 11 augustus 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”, welke gedraging zou zijn verricht op 11 april 2013 om 17.45 uur op de Prinses Annalaan te Leidschendam met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene stelt dat de staandehouding onrechtmatig was. Er was geen verkeerscontrole gaande, nu er geen begeleidende agenten aanwezig waren noch borden werden ingezet met aankondiging van de verkeerscontrole. Bij de staandehouding werd hem gevraagd zijn rij- en kentekenbewijs te overhandigen, hetgeen hij gedaan heeft nadat hij gevraagd heeft wat de reden van staandehouding was. De politie heeft hem geen antwoord op zijn vraag gegeven. Uit het proces-verbaal blijkt dat hij wel degelijk zijn rijbewijs heeft overhandigd. De betrokkene vindt het bedrag van de sanctie buitenproportioneel hoog.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Gedragingsgegevens: ter controle van de bepalingen gesteld in de Wegenverkeerswet, heb ik de bestuurder doen stilhouden en hem/haar gevorderd, mij ter inzage een rijbewijs ter inzage te tonen. Bestuurder kon niet op eerste vordering een rijbewijs tonen./ Bij navraag in het CRB register bleek aan betrokkene wel een geldig rijbewijs van de juiste categorie te zijn afgegeven.”

5. De verklaring van de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 1] en [verbalisant 3] zoals opgenomen in een proces-verbaal van aanhouding houdt onder meer het volgende in:

“Op donderdag 11 april 2013 omstreeks 17.40 uur waren wij verbalisanten in uniform gekleed belast met een gerichte controle actie op de Prinses Annalaan te Leidschendam. Wij zagen hier een blauwe Volkswagen Polo rijden voorzien van het kenteken [kenteken] en gaven deze een teken tot stoppen, ter controle op de juiste naleving van de feiten gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet. Ik, verbalisant [verbalisant 1], vroeg nadat het voertuig was gestopt de bestuurder om zijn rij- en kentekenbewijs. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat de bestuurder hierop antwoordde door te zeggen "waarom wat wil je dan" of woorden van gelijke strekking. Ik verbalisant [verbalisant 1] heb hierop de bestuurder uitgelegd dat ik op grond van de regels gesteld in de wegenverkeerswet zijn rij- en kentekenbewijs vorderde ter inzage. Hierop antwoordde de bestuurder wederom met de vraag "waarom wat is er aan de hand dan" of woorden van gelijke strekking.

Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], tegen de bestuurder gezegd dat ik hem op grond van artikel 34 van de wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zou aanhouden als hij niet zou meewerken. Hierop hoorden wij dat de bestuurder zei "jaja rustig maar ik pak hem al ik ben bezig". Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder zijn rij- en kentekenbewijs pakte en dit mij verbalisant [verbalisant 1], overhandigde. (…)”

6. Het hof volgt de betrokkene niet in zijn stelling dat de staandehouding onrechtmatig was. Op basis van het gestelde in artikel 160, vierde lid, zijn ambtenaren van politie bevoegd voertuigen staande te houden ter controle van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde voorschriften. Uit hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd blijkt dat zij bezig waren met een controle op de juiste naleving van de feiten gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet. Dat een verkeerscontrole ook wel met borden wordt aangekondigd dan wel wordt uitgevoerd met meerdere politieagenten, waarbij bestuurders naar een andere plek worden geleid, zoals de betrokkene stelt, maakt niet dat de onderhavige controle onrechtmatig is geweest.

7. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Deze bepaling luidt:

"Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen

behoorlijk ter inzage af te geven:

a. (…)

b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs:"

8. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. In dit kader is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht om bij een controle het rijbewijs af te geven, zodat op eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd of de bestuurder het voertuig mag besturen. Met de term 'op eerste vordering' wordt beoogd weggebruikers in te scherpen dat aan de desbetreffende vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt (vgl. Hoge Raad 4-5-1965, NJ 1965, 294).

9. Uit het gestelde in het proces-verbaal van aanhouding alsmede uit hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd blijkt dat de betrokkene niet onverwijld gevolg heeft gegeven aan de vordering van verbalisant [verbalisant 1] om zijn rijbewijs te tonen. Daarmee is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. De omstandigheid dat de betrokkene later alsnog zijn rijbewijs heeft getoond, doet hieraan niet af.

10. Nu vaststaat dat de betrokkene de gedraging heeft verricht, dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

11. Op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. Om die reden kan niet worden gezegd dat de omstandigheden dusdanig zijn dat de sanctie dient te worden gematigd of in zijn geheel achterwege dient te blijven.

12. Indien de betrokkene klachten heeft over het gedrag van de verbalisanten, kan hij zich daarmee wenden tot de chef van het korps waarvan de betreffende verbalisanten deel uitmaken. In de onderhavige procedure gaat het slechts om de vraag of terecht een sanctie aan de betrokkene is opgelegd en is er geen plaats voor het beoordelen van het gedrag van de verbalisanten.

13. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.