Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3969

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
WAHV 200.157.231
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. WAM-zaak. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking vernietigd en deze beslissing steunt op een arrest van het hof dat is gewezen in de periode tussen de uitspraak van de kantonrechter en het versturen daarvan. Het arrest van het hof kan bij de beslissing van de kantonrechter geen rol spelen. Dat leidt tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.

De opgelegde sanctie is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.157.231

24 mei 2016

CJIB 158897758

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 19 februari 2014

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In hoger beroep heeft officier van justitie zich er (onder meer) over beklaagd dat dat de kantonrechter in de bestreden beslissing heeft verwezen naar een arrest van het hof dat nog niet was gewezen toen de kantonrechter zijn uitspraak deed.

2. Het beroep van de betrokkene is behandeld ter zitting van de kantonrechter van 5 februari 2014. Bij beslissing, gedateerd 19 februari 2014 - en aan de officier van justitie en de betrokkene toegezonden op 31 maart 2014 -, heeft de kantonrechter op het beroep beslist. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en voormelde inleidende beschikking vernietigd. Ter motivering van die beslissing is onder meer verwezen naar een arrest van het hof van 20 februari 2014 (WAHV 200.119.209, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL: 2014:1236).

3. De kantonrechter heeft zijn beslissing doen steunen op de inhoud van genoemd arrest van het hof. Dit betreft een omstandigheid die de kantonrechter pas kenbaar is geworden na de behandeling van de zaak ter zitting van 5 februari 2014 en het nemen van zijn beslissing op 19 februari 2014. Dit gegeven kan derhalve geen rol spelen bij de beslissing van de kantonrechter. De omstandigheid dat de beslissing van de kantonrechter na het arrest van het hof van 20 februari 2014 is verzonden, doet hieraan niet af. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter om die reden vernietigen. Het hof dient vervolgens - doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing op administratief beroep beoordelen.

4. De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 310,- opgelegd ter zake van “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 22 november 2011 met het voertuig met het kenteken [kenteken].

6. De betrokkene heeft met betrekking tot deze sanctie aangevoerd dat de genoemde bromfiets door hem is verkocht aan zijn zoon. Zijn zoon wilde de bromfiets opknappen en heeft hem helemaal uit elkaar gehaald, maar wist niet dat de bromfiets ondertussen verzekerd moest blijven: zonder medeweten van de betrokkene is de bromfiets uit de verzekering gehaald. De betrokkene kreeg vervolgens een sanctie opgelegd. Inmiddels is deze bromfiets overgeschreven op naam van de zoon van de betrokkene en is de bromfiets ook weer verzekerd. Voor een tweetal andere bromfietsen heeft de betrokkene op dezelfde wijze een sanctie gekregen.

7. Ten behoeve van de betrokkene overweegt het hof als volgt. Uit het zaakoverzicht van het CJIB volgt dat onderhavige sanctie een gedraging betreft die is geconstateerd met toepassing van verbalisantcode 404040. Naar aanleiding van het arrest van het hof van 20 februari 2014, waarnaar de kantonrechter in zijn beslissing heeft verwezen, heeft de advocaat-generaal nieuwe informatie in het geding gebracht. Op basis daarvan heeft het hof in zijn arrest van 5 juni 2014 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2014:4324) ter zake van een soortgelijke gedraging als hiervoor genoemd, waarbij in het zaakoverzicht van het CJIB eveneens de verbalisantcode 404040 is vermeld, geoordeeld dat kan worden vastgesteld dat de sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, WAHV is opgelegd.

8. De betrokkene heeft niet betwist dat hij kentekenhouder was van onderhavige bromfiets op de onder 5. genoemde datum. Evenmin heeft hij betwist dat die bromfiets op die datum onverzekerd was. Gelet hierop, de overige stukken van het dossier in aanmerking genomen, staat vast dat de gedraging is verricht.

9. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er sprake is van omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging van die sanctie rechtvaardigen.

10. Het hof stelt daarbij voorop dat uit de wetgeschiedenis volgt dat de in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 WAHV meebrengt dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts in het geval van uitzonderlijke omstandigheden bestaat er aanleiding voor het matigen of op nihil stellen van de sanctie.

11. Het hof is van oordeel dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken. Het bepaalde in artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) brengt mee dat op de kentekenhouder de verplichting rust om ervoor te zorgen dat voor zijn motorrijtuig overeenkomstig de WAM een verzekering is afgesloten. Deze verplichting geldt ongeacht of het betreffende voertuig (op de weg) wordt gebruikt. De betrokkene had zich van die verplichting kunnen bevrijden door de geldigheid van het kenteken te laten schorsen. Dat de betrokkene, zonder beëindiging van zijn kentekenhouderschap en zonder de geldigheid van het kenteken te laten schorsen, de bromfiets heeft overgedragen aan zijn zoon, ontslaat hem niet van zijn verplichtingen als kentekenhouder. Dat de zoon van de betrokkene kennelijk (eveneens) onvoldoende op de hoogte was van deze doorlopende verplichting, en kennelijk zonder medeweten van de betrokkene de lopende verzekering heeft opgezegd, is derhalve een omstandigheid die voor rekening en risico van de betrokkene komt. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat aan de betrokkene om dezelfde reden nog een aantal sancties is opgelegd.

12. Gelet op het voorgaande acht het hof niet zodanige omstandigheden aanwezig dat het opleggen van een sanctie niet te billijken is, dan wel matiging van de sanctie gerechtvaardigd is. Het hof zal daarom het beroep van de betrokkene, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, ongegrond verklaren. Dat brengt mee dat de aan de betrokkene opgelegde sanctie gehandhaafd blijft.

13. Niet gebleken is dat de betrokkene in hoger beroep proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.