Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3955

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
200.187.471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.187.471

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, C/05/295515)

arrest van 23 mei 2016

inzake

[appellante] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellante, hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. R.P. van der Vliet.

en

1 de Ontvanger van de Belastingdienst/Midden- en Kleinbedrijf,

kantoorhoudende te Doetinchem,

hierna: de Belastingdienst;

2. de openbare maatschap [geïntimeerde sub 2] en haar maten,

gevestigd te Eindhoven,

hierna: [geïntimeerde sub 2] ;

3. [geïntimeerde sub 3], handelende onder de naam [bedrijfsnaam] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

hierna: [geïntimeerde sub 3] ;

4. de Gemeente Lochem,

zetelende te Lochem,

hierna: de Gemeente,

verweerders.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

[appellante] heeft bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 19 november 2015 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Daarbij is tevens verzocht om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw).

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 maart 2016 is het verzoek van [appellante] om de weigerachtige schuldeisers, Belastingdienst Doetinchem, [persoon 1] , gemeente Lochem, Brink B.V., Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) en [bedrijfsnaam] te bevelen om in te stemmen met een vóór de indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw, afgewezen. Aangezien namens [appellante] ter zitting van de rechtbank is verklaard dat zij het schuldsaneringsverzoek wenst in te trekken indien de gedwongen schuldregeling niet tot stand komt, heeft de rechtbank het desbetreffende verzoek als ingetrokken beschouwd en verder onbesproken gelaten.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 14 maart 2016 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, verweerders te bevelen om met de door haar aan alle schuldeisers aangeboden schuldenregeling in te stemmen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van de brieven van de Gemeente en van [geïntimeerde sub 2] van 3 mei 2016.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar advocaat, vergezeld van [de financieel adviseur] , financieel adviseur, en [de schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener. Namens de Belastingdienst is verschenen

[de medewerker] en namens [bedrijfsnaam] [geïntimeerde sub 3] .

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [de medewerker] namens de Belastingdienst een overzicht van de schuldpositie per 10 mei 2016 van [appellante] aan de Belastingdienst overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. [appellante] , geboren op [geboortedatum] , exploiteert de eenmanszaak [bedrijfsnaam] , handelend onder de namen [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam] . De totale schuldenlast van [appellante] bedraagt € 343.407,71. [appellante] heeft een schuldregeling aan de schuldeisers aangeboden, inhoudende een betaling van 20% aan de preferente schuldeisers en een betaling van 10% aan de concurrente schuldeisers van de totale vordering tegen finale kwijting. Het aanbod wordt gefinancierd door de opbrengst verkregen uit de in juni 2015 verkochte, niet voor de bedrijfsvoering noodzakelijke, paarden en het benutten van ruimte op het rekening-courantkrediet van de onderneming van [appellante] , aangehouden bij de Rabobank. De Rabobank heeft die ruimte op de rekening-courant beschikbaar gesteld.

In hoger beroep gaat het om vier van de in totaal negenentwintig schuldeisers die niet akkoord zijn gegaan met het voorstel, te weten

1. de Belastingdienst;

2. [geïntimeerde sub 2] (in eerste aanleg aangeduid met [persoon 1] );

3. [geïntimeerde sub 3] ;

4. de Gemeente.

3.2

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat de aangeboden schuldenregeling niet goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de aangeboden schuldregeling het maximaal haalbare is waartoe [appellante] in staat is. Bovendien achtte de rechtbank de nakoming van het aanbod onvoldoende gegarandeerd.

3.3

[appellante] kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Zij stelt - kort

samengevat - dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat Brink B.V. en het CJIB weigerachtige schuldeisers zijn. Nu beide hebben ingestemd met de aangeboden regeling, resteren dus de in 3.1 genoemde schuldeisers en gaat het dus om een (nog) kleiner aantal van schuldeisers die niet akkoord willen gaan.

De aangeboden schuldenregeling is volgens haar wel degelijk goed en betrouwbaar gedocumenteerd. De relatie met de Rabobank is inmiddels weer genormaliseerd. Voor het voldoen aan de schuldenregeling moet - en kan - deels gebruik worden gemaakt van de beschikbare ruimte op de rekening-courantfaciliteit.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is de aangeboden schuldenregeling het maximaal haalbare waartoe zij in staat is. In totaal is thans voor de schuldenregeling een bedrag beschikbaarvan € 52.606,- (in plaats van € 51.870,-), hetgeen gelet op de verkoopopbrengst van de paarden en de rekening-courantvoorziening het maximaal haalbare is.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de schuldeisers bij een faillissement een hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan thans is aangeboden. De rechtbank heeft zich daarbij kennelijk volledig laten leiden door het geheel niet onderbouwde betoog van met name de Belastingdienst. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de nakoming van de aangeboden schuldenregeling onvoldoende is gewaarborgd. [appellante] is thans doende om de beschikbare middelen op een derdenrekening te laten storten, zodat aan de door de rechtbank gestelde eis kan worden voldaan.

3.4

Nu in hoger beroep is gebleken dat de aanvankelijk weigerachtige schuldeisers Brink B.V. en het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) beide inmiddels ook hebben ingestemd met de aangeboden regeling, resteren de in 3.1 genoemde vier schuldeisers.

De Gemeente heeft in haar brief van 3 mei 2016 aan het hof bericht niet te zullen verschijnen bij de behandeling van het onderhavige hoger beroep en aangegeven dat zij evenmin een zienswijze heeft op de gronden van het hoger beroep.

[geïntimeerde sub 2] stellen in hun brief van 3 mei 2016 aan het hof dat zij niet zullen verschijnen bij de behandeling van het onderhavige hoger beroep, maar dat het hen niet duidelijk is of het aanbod van [appellante] het maximaal haalbare is, hoe het aanbod is samengesteld en hoe de positie van de concurrente crediteuren is indien de te saneren vordering van de Belastingdienst van € 165.413,33 daalt.

[geïntimeerde sub 3] is ter zitting bij het hof in de gelegenheid gesteld zijn positie nader toe te lichten maar heeft daar geen gebruik van gemaakt en aangegeven te persisteren bij hetgeen hij in eerste aanleg heeft aangevoerd, namelijk dat hij de nota van € 657,- aangaande geborduurde paardendekens, betaald wil zien.

Namens de Belastingdienst heeft [de medewerker] verklaard niet akkoord te gaan met de aangeboden schuldregeling. Hij heeft gesteld te betwijfelen of een pandrecht op paarden (roerende zaken) mogelijk is, of de Rabobank wel een pandrecht heeft op de paarden en of in die zin de Rabobank kan beslissen over het aantal te verkopen paarden en daarmee dus in feite de hoogte van het aanbod bepaalt. Hij stelt voorts dat de Belastingdienst een vordering heeft op [appellante] van € 17.000,- die niet is meegenomen in het schuldaanbod.

3.5

Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek van [appellante] om de weigerende

schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling als volgt.
Op grond van artikel 287a lid 5 Fw wordt een dergelijk verzoek toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige geldt als uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan, zodat niet snel geoordeeld kan worden dat een schuldeiser in redelijkheid niet tot de hiervoor bedoelde weigering heeft kunnen komen. Bij de te maken belangenafweging spelen alle omstandigheden van het geval een rol.

3.6

De door [appellante] aangeboden schuldregeling komt het hof goed en betrouwbaar gedocumenteerd voor en het is bovendien getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, te weten schuldhulpverleningsorganisatie Oxyz Huizen. Juist is dat in het voorjaar van 2014 het adviesbureau BTB een negatief advies aan de Gemeente had uitgebracht over het verstrekken van een BbZ-krediet. Echter, nadat de Rabobank aan [de financieel adviseur] opdracht had gegeven een memorandum uit te brengen over de levensvatbaarheid van de onderneming, heeft de Gemeente op advies van [de financieel adviseur] een aanvullend advies aan BTB gevraagd, mede omdat zich ten aanzien van de onderneming een aantal ontwikkelingen hadden voorgedaan. Deze ontwikkelingen zijn helder in de stukken terug te vinden en verklaren, naar het oordeel van het hof, ook de telkens verschuivende situatie van de onderneming. Ter zitting heeft [de financieel adviseur] bovendien verklaard dat hij twee gesprekken met BTB heeft gevoerd en zij hun aanvankelijk advies aan de Gemeente in positieve zin hebben bijgesteld. Het door [de financieel adviseur] opgestelde memorandum van 26 maart 2015 beoordeelt het hof als voldoende betrouwbaar.

3.7

Als niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, staat vast dat voor de schuldenregeling een bedrag beschikbaar is van € 52.606,-, dat € 26.000,- van dit bedrag is verkregen door de verkoop van paarden van [appellante] , op welke paarden een pandrecht rust bij de Rabobank en op grond van welk pandrecht de bank als pandhouder uiteindelijk beslist over het maximaal aantal te verkopen paarden. De twijfels die de Belastingdienst -voor het eerst- tijdens de zitting in hoger beroep heeft geuit over het pandrecht op de paarden van de Rabobank, acht het hof - gelet op de door [appellante] in het geding gebrachte stukken - onvoldoende onderbouwd. Omdat [appellante] niet in staat is gebleken andere geldschieters te vinden wordt voor het resterend benodigde bedrag gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte op de rekening-courantfaciliteit, met welke bestemming de Rabobank akkoord is gegaan. Op grond van het voorgaande acht het hof voldoende aannemelijk dat het aanbod van [appellante] het maximale is waartoe zij financieel in staat moet worden geacht.

3.8

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft mr. Van der Vliet verklaard dat thans het voor de schuldenregeling beschikbare bedrag van € 52.900,- thans geheel op zijn derdenrekening is gestort en daarmee beschikbaar is voor de aangeboden schuldenregeling.

3.9

Namens de Belastingdienst is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd verklaard dat er in de toekomst sprake zal zijn van een vordering op [appellante] van € 17.000,- aangaande omzetbelasting, maar dat de inspecteur over het opleggen van die aanslag nog een beslissing moet nemen. Ter zitting is namens [appellante] toegelicht dat het hier gaat om een suppletievordering, waarmee in het aanbod reeds rekening is gehouden en dat buiten deze suppletievordering er geen andere vorderingen zijn, buiten de ter zitting door [de medewerker] toegelichte vordering van € 3.004. Het hof stelt vast dat in het ter zitting namens de Belastingdienst overgelegde overzicht schuldpositie per 10 mei 2016 volgt dat de saneerbare vordering van de Belastingdienst € 3.004,- bedraagt. Het hof is van oordeel dat de Belastingdienst haar stelling dat zij bij faillissement van [appellante] haar schuld volledig zal kunnen verhalen, gelet op de positie van de Belastingdienst ten opzichte van de Rabobank als pandhouder, onvoldoende heeft onderbouwd. Zoals hiervoor reeds overwogen, gaat het hof uit van een pandrecht van de Rabobank mede ten aanzien van de paarden. Tegenover het (in eerste aanleg reeds gevoerde en) onderbouwde verweer van [appellante] dat de bedrijfsopstallen niet een zodanige waarde vertegenwoordigen dat - na voldoening van de hypotheekhouder - in ieder geval de Belastingdienst volledig kan worden voldaan, heeft de Belastingdienst geen nadere voldoende onderbouwde stellingen betrokken, zodat die stelling wordt gepasseerd.

3.10

Met het voorgaande zijn, naar het oordeel van het hof, de door [geïntimeerde sub 2] geformuleerde twijfels of het aanbod het maximaal haalbare is en op welke wijze het aanbod is gefinancierd ook voldoende weggenomen. Ook heeft mr. Van der Vliet in voldoende mate toegelicht dat de door [geïntimeerde sub 2] in de brief van 3 mei 2016 genoemde preferente schuldenlast van € 165.413,33 niet juist is.

3.11

De vordering van [geïntimeerde sub 3] van € 657,- vormt een te gering aandeel (ongeveer 0,2%) van de totale schuldenlast van [appellante] om daarmee het belang van [appellante] bij een schuldregeling opzij te zetten. Dit geldt ook indien het aandeel van [geïntimeerde sub 3] in samenhang wordt gezien met de overige drie weigerachtige crediteuren. Het totale belang van deze weigerachtige crediteuren is thans ongeveer 20% van de totale schuldenlast.

3.12

Op grond van al het voorgaande dient de vraag of de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellante] of van de belangen van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad, bevestigend te worden beantwoord. Voorts is niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd gesteld of gebleken dat de schuldeisers in geval [appellante] in staat van faillissement zal verkeren, uiteindelijk meer zouden ontvangen dan de op grond van het huidige akkoord aangeboden 10% dan wel 20%. Uit de in randnummer 34 en 35 van de brief van 25 februari 2016 opgenomen berekening volgt, onweersproken, dat de schuldeisers bij het thans voorliggende aanbod meer ontvangen dan in de situatie dat [appellante] failliet gaat.

3.13

Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 maart 2016 en, opnieuw recht doende:

beveelt de schuldeisers:

1. de Belastingdienst;

2. [persoon 1] ( [geïntimeerde sub 2] );

3. [geïntimeerde sub 3] ( [bedrijfsnaam] );

4. Gemeente Lochem,

in te stemmen met de door [appellante] aangeboden schuldregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, H. Wammes en S.M. Evers, en is op 23 mei 2016 in het openbaar uitgesproken door mr. L.J. de Kerpel-van de Poel in tegenwoordigheid van de griffier.