Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3936

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.184.454/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging verlenging uithuisplaatsing drieling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.184.454/01

(zaaknummer rechtbank C/17/144237 / FJ RK 15-920)

beschikking van 17 mei 2016

inzake

[ouder1] en

[ouder2] ,

verder te noemen: de ouders,

beiden wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. J. Pieters te Sneek,

en

Stichting Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling),

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 januari 2016;

- het verweerschrift met producties;

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 april 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Pieters. Namens de GI zijn mevrouw mr. [C] en mevrouw [D] verschenen. Mr. [C] heeft het woord gevoerd mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

[in] 2013 zijn te [A] in het ziekenhuis geboren [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ) en [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ).

3.2

De ouders, die in 2012 een relatie met elkaar hebben gekregen, zijn kort voor de geboorte van de drieling met elkaar gehuwd.

3.3

Op 29 oktober 2013 is de drieling voorlopig onder toezicht gesteld en vanuit het ziekenhuis met een spoedmachtiging uithuisgeplaatst. Deze spoedmachtiging is bij beschikking van 15 november 2013 verlengd tot 29 januari 2014.

3.4

Bij beschikking van 15 november 2013 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (definitief) onder toezicht gesteld met ingang van de datum van de beschikking tot 29 oktober 2014. Bij beschikking van 24 oktober 2014 is deze ondertoezichtstelling verlengd tot 29 oktober 2015.

3.5

Met ingang van 29 januari 2014 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 29 oktober 2014. Bij beschikking van 24 oktober 2014 heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd, met ingang van 29 oktober 2014 tot 29 oktober 2015. Bij beschikking van 26 maart 2015 heeft het hof die beschikking bekrachtigd.

3.6

De kinderen verblijven sinds hun uithuisplaatsing in hetzelfde pleeggezin.

3.7

Bij inleidend verzoekschrift van 15 september 2015 heeft de GI verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te verlengen.

3.8

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verlengd tot 29 oktober 2016. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 29 oktober 2016.

3.9

Bij beroepschrift hebben de ouders verzocht deze beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover deze de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en in zoverre opnieuw beslissende het verzoek van de GI ten aanzien van de verlenging van de drie minderjarigen alsnog af te wijzen, althans in duur te beperken, althans dat het hof die beslissingen zal nemen, zoals het in goede justitie mocht vermenen te behoren, kosten rechtens.

3.10

Bij verweerschrift heeft de GI het hoger beroep van de ouders bestreden en verzocht dit ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Bij beschikking van het hof van 26 maart 2015, waarbij het hof de voorlaatste beschikking van de rechtbank van 24 oktober 2014 heeft bekrachtigd, heeft het hof geoordeeld dat de uithuisplaatsing van de drieling gehandhaafd blijft, aangezien de gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof heeft daarbij onder meer geoordeeld dat er ernstige zorgen over de opvoedingsomgeving en -capaciteiten van de ouders bestaan en dat de kinderen zeer jong en kwetsbaar zijn. De door het hof geschetste ouder- en kindfactoren, in combinatie met de gestarte en vervolgens mislukte begeleidingstrajecten hebben gemaakt dat het hof het oordeel van de GI heeft onderschreven dat er geen perspectief bestaat op terugkeer van de kinderen naar de ouders.

4.2

Uit het beroepschrift en de overige beschikbare gegevens zijn het hof thans geen zodanige wijzigingen gebleken dat op grond daarvan anders zou moeten geoordeeld dan het hof op 26 maart 2015 heeft gedaan. Weliswaar hebben de ouders aangevoerd dat de vader het hulpverleningstraject bij de GGZ heeft afgerond, dat het thans goed met hen gaat en dat zij - anders dan voorheen het geval was - thans bereid zijn openheid van zaken over het traject bij de GGZ te geven, maar zij hebben geen concrete informatie verstrekt die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen. Voor zover de ouders hebben aangevoerd dat de GGZ zich niet gehouden voelt informatie te geven, is het hof van oordeel dat dit voor rekening en risico van de ouders dient te komen. Aan de stelling van de ouders dat de GI de benodigde informatie bij de GGZ behoort op te vragen gelet op hun bevoegdheid daartoe op grond van de Jeugdwet, gaat het hof voorbij, nu deze geen steun vindt in het recht.

4.3

De ouders hebben voorts nog aangevoerd dat zij de GI recentelijk hebben gevraagd bij het gesprek tussen de vader en de psychiater van de GGZ aanwezig te zijn om de GI op die manier van informatie te voorzien, hetgeen de GI heeft geweigerd. De GI heeft hiertegen ingebracht dat de vader de GI twee dagen voorafgaand aan de dag waarop de afspraak met de GGZ was ingepland heeft verzocht hem te vergezellen en dat deze tijdspanne voor de GI te kort was om de reeds geplande afspraken voor die dag te verzetten. Gelet hierop is het hof met de GI van oordeel dat de enkele stelling van de ouders dat de GI geweigerd heeft mee te gaan naar de afspraak een onjuist en in ieder geval een te ongenuanceerd beeld geeft van de gang van zaken hieromtrent.

4.4

De enkele stelling van de ouders dat het conflict in de gezinsherenigingskliniek van de GGZ te Beilen niet door toedoen van de vader is ontstaan, kan evenmin tot een ander oordeel leiden.

4.5

Het hof merkt ten overvloede nog op dat ook de omgang tussen de ouders en de kinderen moeizaam verloopt. De ouders hebben eenmaal per maand, gedurende ongeveer een uur, onder begeleiding van de gezinsvoogd een bezoekmoment met de kinderen. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat er weliswaar een geringe positieve ontwikkeling is in de wijze waarop de ouders hun kinderen benaderen, maar dat dit zo is omdat de bezoekmomenten steeds strak worden ingekaderd. Volgens de GI zijn de bezoekmomenten erg spannend voor de kinderen en zijn zij nadien uitgeput. De GI heeft bovendien te kennen gegeven dat de begeleiding van de bezoekmomenten van zowel de gezinsvoogd als de pleegmoeder veel inspanning vergt.

4.6

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen de continuïteit van en veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding niet is gewaarborgd en beoordeelt het hof de verlenging van de uithuisplaatsing dan ook nog steeds noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.

4.7

Concluderend is het hof van oordeel dat de door de rechtbank uitgesproken verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd moet blijven, nu de gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn.

4.8

Het hof hecht eraan nog het volgende op te merken. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel tijdelijk van aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van de kinderen naar de ouders. Indien er geen perspectief is op terugkeer van de kinderen naar de ouders, ligt in beginsel een verderstrekkende maatregel (beëindiging van het ouderlijk gezag) in de rede, mede gelet op het belang van de kinderen bij duidelijkheid omtrent hun toekomstperspectief en het beëindigen van de onzekerheid die nu eenmaal inherent is aan de tijdelijke maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Ook duidelijkheid jegens de pleegouders is voor de kinderen van belang aangezien hechting een wederzijds proces is. Nu terugkeer van de kinderen naar de ouders in deze niet meer aan de orde is, acht het hof het raadzaam dat een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel op korte termijn in gang wordt gezet zodat duidelijkheid bestaat omtrent het nemen van een verderstrekkende maatregel alvorens de termijn van de huidige verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen eindigt.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 oktober 2015 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. A.W. Beversluis en mr. J.P. Evenhuis en is op 17 mei 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.