Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3929

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
200.177.094/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4944
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.177.094/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, 342870)

beschikking van de familiekamer van 10 mei 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.R.J. Helmantel, kantoorhoudend te Dronten,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder,

verder te noemen: man,

advocaat: mr. F.L. Lischer, kantoorhoudend te Lelystad.


Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [A] ,
verder te noemen: de bijzondere curator,

en

Samen Veilig Midden-Nederland,
(gecertificeerde instelling)
kantoorhoudende te Almere,
verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 18 juni 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

1.2

In die - niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking is onder meer aan de man vervangende toestemming verleend voor de erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [A] [in] 2013 (verder te noemen: [de minderjarige] ).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Ingediend zijn de volgende stukken:
- het beroepschrift zijdens de vrouw, ingekomen op 18 september 2015;
- het verweerschrift zijdens de man, ingekomen op 27 november 2015;
- het verweerschrift zijdens de bijzondere curator, ingekomen op 25 november 2015;
- een journaalbericht met bijlagen van mr. Helmantel van 8 oktober 2015.

2.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 februari 2016. Partijen zijn daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts is de bijzondere curator verschenen, alsmede dhr. [C] namens de GI. In het kader van zijn adviserende taak is namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) verschenen dhr. [D] .

3 De vaststaande feiten

3.1

[in] 2013 is de vrouw bevallen van [de minderjarige] . De man is de verwekker van [de minderjarige] . De vrouw is van rechtswege alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

[de minderjarige] heeft een oudere broer [E] , geboren [in] 2011, die door de man is erkend en over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Daarnaast heeft zij een half zusje [F] , geboren [in] 1999 uit een andere relatie van de moeder.

3.3

De man heeft op 22 april 2013 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot onder meer het verlenen van vervangende toestemming aan de man tot erkenning van (de destijds nog ongeboren) [de minderjarige] . De man heeft nadien een aanvullend verzoekschrift ingediend betreffende onder meer het gezag over (de dan inmiddels geboren) [de minderjarige] en omgang tussen de man en [de minderjarige] . De vrouw heeft een verweerschrift ingediend met betrekking tot de verzoeken van de man.

3.4

Ten aanzien van [de minderjarige] en [E] gelden sinds 1 december 2015 de maatregelen van ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw verzoekt het hof om de bestreden beschikking op het punt van de vervangende toestemming te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek van de man af te wijzen.

4.2

De man heeft het verzoek van de vrouw en de gronden waarop dat berust, bestreden en verzoekt het hof dat af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking en compensatie van de proceskosten.

4.3

De bijzondere curator heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen op het punt van de vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] .

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:204, derde lid, van het BW (oud), dat in deze zaak van toepassing is, kan de toestemming tot erkenning van de vrouw wier kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits de man de verwekker van het kind is.

5.2

Volgens vaste rechtspraak moet dit artikel, mede gelet op zijn ontstaansgeschiedenis, aldus worden uitgelegd dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming aankomt op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechter (lees: thans het hof in hoger beroep) zullen het belang en de aanspraak van de man (en het kind) op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder (en het kind) bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is daarbij in artikel 1:204, derde lid, BW nader omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. Van schade aan de belangen van het kind als bedoeld in dat artikel is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning door de man voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Bij dit criterium is onvermijdelijk sprake van een verwachting omtrent toekomstige feiten.

5.4

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat na afweging van betrokken belangen en de door partijen over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden, aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] moet worden verleend. De vrouw heeft ook naar 's hofs oordeel onvoldoende onderbouwd dat zij door erkenning van [de minderjarige] door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [de minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat zij nodig heeft. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw eveneens onvoldoende onderbouwd dat er reële risico’s zijn dat [de minderjarige] ten gevolge van de erkenning wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Het hof is voorts van oordeel dat niet te verwachten is dat de erkenning door de man van [de minderjarige] zal leiden tot een verstoorde verhouding tussen de vrouw en [de minderjarige] .

5.5

De door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden, waaronder dat [de minderjarige] door verkrachting is verwekt, leiden het hof niet tot een ander oordeel. De man heeft die feiten en omstandigheden betwist en de vrouw heeft naar eigen zeggen geen aangifte gedaan van verkrachting bij de politie. De vrouw heeft evenmin de omstandigheden geschetst die voor haar de basis zijn om hetgeen is gebeurd als een verkrachting te beschouwen. De tot de stukken behorende mutatierapporten van de politie bieden ook onvoldoende aanknopingspunten om zulks aan te nemen. Wel blijkt daaruit dat partijen al vanaf in ieder geval mei 2011 bekend zijn bij de politie in verband met meerdere meldingen van ruzies en incidenten in de relationele sfeer tussen partijen. Dat sprake is bij weerstand bij de vrouw tegen de man is mede daardoor duidelijk maar dat gegeven is op zichzelf niet voldoende om [de minderjarige] en de man het recht te onthouden op een familierechtelijke betrekking met elkaar. Het hof acht het zorgelijk dat de vrouw niet in staat is deze grote, in het licht van de vaststaande feiten welhaast disproportionele, weerstand los te koppelen van de belangen van [de minderjarige] . De stellingen van de vrouw komen erop neer dat zij ernstig belemmerd wordt door de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, maar desalniettemin meent zij geen hulpverlening nodig te hebben.

5.6

Ook de overige door de vrouw aangevoerde omstandigheden, waaronder dat partijen twisten over de omgangsregeling en schoolkeuze voor de broer van [de minderjarige] , dat de man afspraken niet nakomt en onbetrouwbaar daarin is, dat de vrouw wordt belemmerd in haar bewegingsvrijheid door de man en het gedrag van de man grote weerstand bij haar oproept, dat [de minderjarige] nimmer door de man is verzorgd of opgevoed en geen contact heeft met de man, dat de man geen interesse heeft getoond en dat partijen een zeer uiteenlopende levensbeschouwing hebben, leiden het hof niet tot een ander oordeel. Al deze aangevoerde feiten en omstandigheden wegen, ook in onderlinge samenhang beschouwd, naar het oordeel van het hof minder zwaar dan het belang van [de minderjarige] en de man bij erkenning van hun familierechtelijke betrekking. Ook de bijzondere curator heeft daartoe geconcludeerd met het oog op de belangen van [de minderjarige] .

5.7

Overigens heeft de man ter zitting van het hof onbetwist gesteld dat de vrouw in het verleden ook moeite heeft gehad om de vader van haar andere dochter [F] toe te laten in het leven van [F] . Ook dat vindt het hof een zorgelijk signaal maar het hof gaat ervan uit dat hiervoor aandacht is in het kader van de lopende ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en [E] en de toekomstige beslissingen over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheden, die hier niet ter beoordeling voorliggen.


De slotsom

5.8

Het voorgaande leidt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking. Het hof zal de proceskosten aldus compenseren dat ieder de eigen kosten van het geding draagt.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 18 juni 2015 voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat ieder de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. A.W. Beversluis en
mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2016 in bijzijn van de griffier.