Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3836

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
200.170.310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een zeer langlopende zaak, waarbij partijen (voormalige echtelieden) over en weer vele procedures tegen elkaar hebben gevoerd, komt de man net voor het wijzen van (eind)arrest erachter dat hij geen eigenaar meer is van een appartement, terwijl zowel de rechtbank als het hof daarvan wel steeds zijn uitgegaan. De man meent dat hier sprake is van valsheid” van een stuk in de zin van de herroepingsgrond in artikel 382 sub b Rv, omdat hetgeen in de uitspraken staat niet juist is. Deze grond gaat echter niet op: het is aan de stellingen van de man zelf te danken, dat zowel de rechtbank als het hof steeds zijn uitgegaan dat de eigendom van het appartement toebehoorde aan partijen en toegedeeld kon worden aan de man, onder betaling van de helft van waarde aan de vrouw. Dat dit achteraf bezien ander is ligt in zijn risicosfeer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 384
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2016/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.170.310

arrest van 17 mei 2016

in de hoofdzaak tot herroeping

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eiser,

hierna: de man,

advocaat: mr. Ch.M. de Ruiter Kardol.

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

gedaagde,

hierna: de vrouw,
advocaat: mr. M. Vleesch du Bois,

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

In het tussenarrest van 28 juli 2015 heeft het hof de incidentele vordering van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 386 Rv (schorsing tenuitvoerlegging van het eindarrest van 14 april 2015) afgewezen en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak tot herroeping.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de conclusie van antwoord met productie 1 en 2;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing

2.1

De man legt aan zijn vordering tot herroeping en heropening van de procedure die heeft geleid tot het arrest van dit hof van 14 april 2015 (zaaknummer 200.096.300) het navolgende, samengevat, ten grondslag.

Bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen is het appartement nummer 607 in het gebouw [gebouwnaam] te Gran Canaria (hierna: het appartement) kennelijk toegedeeld aan de man, waarbij de waarde ervan door de rechtbank Utrecht op € 95.000,- is gesteld. De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 november 2005 overwogen dat het voor de hand ligt dat het appartement aan de man wordt toegedeeld en in haar eindvonnis van 6 juli 2011 partijen bevolen met inachtneming van die beslissing over te gaan tot verdeling. Gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overgegaan tot de hun bevolen verdeling anders dan door betaling door de man aan de vrouw van de overwaarde van het appartement. Deze toedeling en waardebepaling zijn bij arrest van dit hof van 14 april 2015 bekrachtigd. Over de vraag of dit appartement eigendom is/was van de man heeft de Vereniging van Eigenaren [gebouwnaam] (hierna: de VvE) een procedure aanhangig gemaakt bij het gerecht te San Bartelomé de Tirajana te Gran Canaria en gevorderd dat zij tot eigenaar van het appartement zal worden benoemd. Bij uitspraak van 11 mei 2009 is de vordering van de VvE afgewezen, omdat de VvE haar eigendomsrecht op het appartement niet kon bewijzen. De VvE heeft tegen de uitspraak van 11 mei 2009 hoger beroep ingesteld bij het Provinciale Hof van Beroep te Las Palmas de Gran Canaria. Bij uitspraak van 31 juli 2014 heeft dit hof de beslissing van de het gerecht te San Bartelomé de Tirajana te Gran Canaria vernietigd en geoordeeld dat het appartement toebehoort aan de VvE. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld. De man stelt dat hij nimmer door zijn advocaat op de hoogte is gesteld van de procedure in hoger beroep bij het Provinciale Hof van Beroep te Las Palmas de Gran Canaria en de uitkomst daarvan. Hij kwam daarvan eerst op de hoogte nadat zijn Nederlandse advocaat de mogelijkheid om alsnog de huurpenningen te innen onderzocht. Hij heeft getracht die informatie in de procedure met zaaknummer 200.096.300 in te brengen, maar het hof heeft zijn verzoek daartoe afgewezen, omdat de procedure was afgerond en de zaak voor arrest stond.

De man stelt voorts dat het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 november 2005 deel uitmaakte van de algehele onderbouwing van de door partijen ingenomen stellingen in hoger beroep en dat het vonnis als een stuk in de zin van artikel 382 sub b BW moet worden aangemerkt. Dit vonnis gaat ervan uit dat het appartement aan partijen toebehoorde, terwijl uit de uitspraak van het Provinciale Hof van Beroep te Las Palmas de Gran Canaria volgt dat dit niet waar is, zodat het vonnis van de rechtbank Utrecht een bepalende onwaarheid bevat en dus als vals in de zin van artikel 382 sub b BW moet worden aangemerkt, aldus nog steeds de man.

2.2

Het hof is, gelet op artikel 384 lid 1 Rv, bevoegd van de vordering van de man kennis te nemen, nu het hof de rechter is die in laatste feitelijke instantie over de te herroepen zaak heeft beslist.

2.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 382 Rv kan een vonnis (hier: arrest) dat in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij worden herroepen op de gronden genoemd in dat artikel. De (limitatieve) gronden voor herroeping genoemd in artikel 382 Rv zijn:

a. het vonnis (arrest) berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;

b. het vonnis (arrest) berust op stukken, waarvan de valsheid na het arrest is erkend of bij gewijsde is vastgesteld;

c. een van de partijen heeft na het vonnis (arrest) stukken van beslissende aard in handen gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

2.4

Ambtshalve constateert het hof dat de dagvaarding herroeping op 18 mei 2015 is uitgebracht en dat op 26 mei 2015 de herroepingszaak bij het hof aanhangig is gemaakt. Het (eind)arrest van 14 april 2015 was op dat moment nog niet in kracht van gewijsde gegaan, gezien de destijds nog niet verstreken cassatietermijn van 3 maanden (artikel 402 lid 1 Rv). Van berusting door partijen in het arrest van het hof is niet gebleken. Er is aldus sprake van samenloop van cassatie en herroeping. Nu cassatieberoep van het eindarrest van het hof van 14 april 2015 niet mogelijk is op de gronden waarop de man herroeping vordert van dat arrest, staat de eis van artikel 382 aanhef Rv dat het vonnis (arrest) in kracht van gewijsde is gegaan in dit geval niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de man. Gelet ook op de discussie in de literatuur over samenloop van herroeping en cassatie, waarbij het vooral gaat om de vraag of in cassatie met succes kan worden opgekomen tegen de (feitelijke) gronden die gelden voor herroeping en het voorschrift in artikel 399 Rv (geen cassatieberoep indien herstel door de feitenrechter mogelijk is), oordeelt het hof dat de man in zijn vordering ontvankelijk is.

2.5

De centrale stelling van de man inzake de herroeping is dat het uitgangspunt van de rechtbank en het hof, dat Van der Meer eigenaar is van het appartement, onwaar en vals is: hij is, in ieder geval vanaf de uitspraak van de Spaanse rechter (het gerecht te San Bartelomé de Tirajana te Gran Canaria) van 11 mei 2009, ervan uitgegaan dat het appartement aan hem in eigendom toebehoorde – en dus in de (ontbonden) gemeenschap viel. Met de uitspraak in hoger beroep van de Spaanse rechter (het Provinciale Hof van Beroep te Las Palmas de Gran Canaria) van 31 juli 2014 blijkt dat dit standpunt rechtens (en achteraf bezien) onjuist is geweest. De vraag die dit hof in het kader van de herroeping moet beantwoorden is of deze onjuistheid is gegrond op bedrog van de vrouw (sub a), op “valse” stukken (sub b) of op door de vrouw achtergehouden stukken (sub c). Uit de toelichting van de man in de dagvaarding herroeping leidt het hof af dat de man zich uitsluitend beroept op de herroepingsgrond sub b van artikel 382 Rv, nu hij ook geen stellingen betrekt die zien op bedrog van de zijde van de vrouw dan wel dat door haar toedoen beslissende stukken (de uitspraak in hoger beroep van de Spaanse rechter) zijn achtergehouden.

2.6

Uit het vonnis van de rechtbank van 23 november 2005 (productie 2 bij dagvaarding herroeping) onder de rechtsoverwegingen 2.7 – 2.9 blijkt dat er ten aanzien van de feitelijke (maar ook de juridische, toev. hof) situatie van het appartement “nog steeds zoveel onduidelijkheid blijft bestaan”. De man heeft zich toen op het standpunt gesteld (vide 2.8) dat het appartement op 7 juni 2001 verkocht zou zijn aan de VvE, maar dat die koopovereenkomst (nog) niet perfect was geworden, omdat de vrouw haar medewerking aan de verkoop niet zou hebben verleend; de vrouw heeft deze stelling van de man toen bestreden. In rechtsoverweging 2.9 constateert de rechtbank dat de status van de verkoop van het appartement aan de VvE onduidelijk is, maar dat het appartement (kennelijk) nog niet is verkocht; op grond daarvan concludeert de rechtbank dat het appartement (nog) tot de te verdelen boedel behoort en voor verdeling in aanmerking komt. Niet gesteld of gebleken is (in deze herroepingsprocedure) dat de man de rechtbank op enig moment heeft geïnformeerd over de lopende procedure in Spanje, die, zo blijkt uit de overgelegde uitspraak van 11 mei 2009 (productie 4 bij dagvaarding herroeping), door de VvE was gestart in 2003 en waarbij de man werd vertegenwoordigd door zijn Spaanse advocaat (procureur). In die procedure was de inzet de vraag aan wie de eigendom van het appartement toebehoorde. De man was in die procedure gedaagde (en met hem de rechtspersoon Pisag S.A.); de vrouw was niet als procespartij betrokken. De man heeft betreffende de verdeling van het appartement in de onderhavige, Nederlandse procedure, ook geen voorbehoud gemaakt totdat de Spaanse rechter een oordeel zou hebben gegeven over de eigendomsvraag. Nu de man als procespartij in de procedure in Spanje was betrokken over de eigendomsvraag betreffende het appartement, had het op zijn weg gelegen om hierover de rechter en de wederpartij (de vrouw) te informeren (ex artikel 21 Rv) in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank Utrecht heeft ten aanzien van de verdeling van het appartement in het tussenvonnis van 23 november 2005 (en in het eindvonnis van 6 juli 2011) een beslissing gegeven die gegrond is (geweest) op de stellingen van de man en de informatie die hij zelf in rechte heeft verschaft. Daarmee is geen sprake van “valsheid” van een stuk in de zin van de herroepingsgrond in artikel 382 sub b Rv (en ook overigens niet in het eindvonnis van 6 juli 2011, gezien de uitspraak van de Spaanse rechter van 11 mei 2009). Het hof verwijst voorts naar de conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2012:BW7838) sub 2.4 – 2.5 bij een arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7838).

2.7

In het verlengde van hetgeen hiervoor is geoordeeld, overweegt het hof verder als volgt. Het oordeel van de rechtbank inzake de verdeling van het appartement is geen onderdeel geweest van de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep. De vrouw heeft enkel met grief I (in principaal appel) de beslissing van de rechtbank (in het tussenvonnis van 27 september 2006) aangevochten, dat de vrouw geen bewijs heeft geleverd dat de man huurinkomsten uit de verhuur van het appartement heeft genoten, die voor de helft aan haar toekomen. Het hof was daarom gehouden, gelet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, aan het oordeel van de rechtbank betreffende de toedeling van het appartement aan de man, die hiertegen geen grief (in incidenteel appel) had opgeworpen. Het hof heeft in het tussenarrest van 10 december 2013 onder rechtsoverweging 4.3 daarom het volgende overwogen: “Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort een appartementsrecht (...) in Gran Canaria (Spanje). Partijen gingen in het begin van de procedure in eerste aanleg ervan uit dat het dit appartement was verkocht en dat zij de verkoopopbrengst nog dienden te delen. Later bleek dat dit appartement niet was verkocht. (...) De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 november 2005 uiteindelijk beslist dat het appartement aan de man wordt toegedeeld voor een waarde van € 95.000,- en partijen bevolen met inachtneming van die beslissing over te gaan tot verdeling (vonnis van 6 juli 2011....).” Vervolgens heeft het hof onder rechtsoverweging 4.4 grief I van de vrouw beoordeeld en geoordeeld dat deze grief faalt. Daarmee is het debat over verdeling van de huurinkomsten van het appartement beëindigd. In het eindarrest van 14 april 2015 heeft het hof in rechtsoverweging 2.1 samengevat en gepersisteerd bij de eindbeslissingen ten aanzien van de beoordeling van de grieven, waaronder de verwerping van grief 1 en in het dictum onder 5. (blad 4) onder meer het tussenvonnis van 23 november 2005 bekrachtigd. Begrijpt het hof de stelling van de man (sub 8-9 dagvaarding) in deze herroepingsprocedure goed, dan stelt hij dat het eindarrest van het hof aldus ook berust op een “vals” stuk, namelijk het tussenvonnis van de rechtbank van 23 november 2005. Deze stelling snijdt geen hout gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.6 is overwogen.

2.8

De man voert ook aan dat hij pas eind oktober 2014 bij toeval erachter is gekomen dat er een hoger beroep procedure in Spanje liep en dat er een (inmiddels onherroepelijk geworden) uitspraak was van het Provinciale Hof van Beroep (te Las Palmas de Gran Canaria) van 31 juli 2014, waaruit bleek dat de man niet (meer) de eigendom had van het appartement. Omdat de zaak bij het hof al in staat van wijzen was, heeft het hof geen nieuwe stukken meer geaccepteerd (brief van 26 november 2014 van de griffier van het hof). De man heeft na de uitspraak van 11 mei 2009 in de veronderstelling verkeerd, dat hij eigenaar was van het appartement; hij wist niets van een (door de VvE ingesteld) hoger beroep, aldus de man. Dit moge zo zijn, doch dit gegeven ligt geheel in de risicosfeer van de man: hij is in Spanje de procespartij geweest en hij werd in eerste aanleg vertegenwoordigd door een advocaat, die hem had moeten en kunnen informeren over het feit dat er hoger beroep was ingesteld door de VvE. De man is in hoger beroep bijgestaan door een procureur en een advocaat, zo blijkt uit het vonnis in hoger beroep van de Spaanse rechter. Indien en voor zover hij door dezen niet is geïnformeerd over deze procedure, dan ligt dat ook geheel in zijn risicosfeer. In ieder geval kunnen ook deze feiten en omstandigheden geen grond voor herroeping ex artikel 382 Rv opleveren.

3 Slotsom

3.1

Concluderend oordeelt het hof dat de door de man aangedragen feiten en omstandigheden zijn vordering tot herroeping van het arrest van 14 april 2015 niet kunnen dragen. Zijn vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.2

De man zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak en in het incident (tarief II, 3 punten) die aan de zijde van de vrouw zijn.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in de hoofdzaak tot herroeping:

- wijst de vordering van de man af;

- veroordeelt de man in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw begroot op € 2.682,-.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2016.