Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3809

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
200.123.738/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen opdracht van tussenpersoon aan met verzekeringnemer gelieerde vennootschap tot het voor zijn rekening uitvoeren van opruimingswerkzaamheden na een brand.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 400
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/261 met annotatie van H.J. Bos
AR 2016/1392

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.123.738/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 123620/HA ZA 11-16)

arrest van 17 mei 2016

in de zaak van

[bedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [bedrijf],

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Univé Stad en Land B.V. (hierna: Univé) als rechtsopvolgster van [verzekeringsbedrijf] (hierna: [verzekeringsbedrijf] ),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers, kantoorhoudend te Rotterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 november 2014 (gewezen in het incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst subsidiair voeging hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord (met productie);

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Als gesteld en niet weersproken staan de navolgende feiten tussen partijen vast.

2.2

De besloten vennootschap [naam] (hierna [naam] te noemen) heeft in eigendom het bedrijfsterrein met opstallen staande en gelegen aan [adressen] te [vestigingsplaats] . De (middellijk) bestuurder van deze vennootschap is de heer [bestuurder] .

2.3

Op 19 oktober 2008 is brand uitgebroken in de bedrijfsgebouwen van [A] staande en gelegen aan [adres] te [vestigingsplaats] .Tijdens de brand zijn asbestdelen vrijgekomen welke op het -naastgelegen- perceel van [naam] zijn beland.

2.4

[naam] is tegen brandschade verzekerd bij Aegon. Bij de totstandkoming van deze verzekeringsovereenkomst trad [verzekeringsbedrijf] (de rechtsvoorganger van Univé) op als tussenpersoon.

2.5

Op 20 oktober 2008 heeft [naam] de door haar ten gevolge van de brand geleden schade bij [verzekeringsbedrijf] gemeld.

2.6

[verzekeringsbedrijf] heeft Aegon op 20 oktober 2008 een schadeaangifteformulier doen toekomen. Aegon heeft aan een medewerker van [verzekeringsbedrijf] verklaard dat de opruimingskosten van het asbest door de verzekering gedekt zouden worden. Op 20 oktober 2008 heeft [verzekeringsbedrijf] (bij monde van medewerker [Y] ) deze informatie aan de heer [bestuurder] doorgegeven.

2.7

Op of omstreeks 21 oktober 2008 heeft [bedrijf] , waarvan de heer

[bestuurder] eveneens de (middellijk) bestuurder is, de opruimwerkzaamheden op het terrein van [naam] uitgevoerd.

2.8

Op 22 oktober 2008 heeft Aegon aan [verzekeringsbedrijf] verklaard dat de door [naam] geleden schade ten gevolge van asbestvervuiling van dekking is uitgesloten nu dat het gevolg was van een naburige brand.

2.9

Op 28 november 2008 heeft [bedrijf] een factuur betreffende de opruimwerkzaamheden ten bedrage van € 42.422,60 (inclusief btw) aan [verzekeringsbedrijf] gezonden.

2.10

Aegon heeft expertisebureau Toplis Hettema ingeschakeld teneinde de door [naam] geleden schade vast te stellen. Op 11 december 2008 heeft Toplis Hettema de door [naam] ten gevolge van de brand door asbest vervuiling geleden schade vastgesteld op een bedrag van € 30.000,-.

2.11

Op basis van het rapport van Toplis Hettema heeft [bedrijf] de kosten van haar werkzaamheden op € 30.000,- begroot. Op 31 december 2008 heeft [bedrijf] een creditnota betreffende de opruimwerkzaamheden aan [verzekeringsbedrijf] gezonden, ten bedrage van € 6.722,60 (inclusief btw).

2.12

Bij brief van 24 april 2009 heeft Aegon aan [verzekeringsbedrijf] geschreven (voor zover hier van belang):

Wanneer wij dit schadebeeld naast de polisdekking leggen kunnen wij niet anders concluderen dan dat alleen het verwijderen van de asbestdeeltjes van het pand van verzekerde voor vergoeding in aanmerking komen. Bij het verwijderen van het asbest van de grond is namelijk de grond ook behandeld en bewerkt. Daarnaast hebben wij de grond niet meeverzekerd. Ook het afgraven van de niet meeverzekerde berg puin en zand komt niet voor vergoeding in aanmerking. Aangezien in het rapport geen splitsing voor de werkzaamheden is opgenomen, gaan wij de expert vragen het schadebedrag te splitsen in de wel en niet gedekte schade.

Na ontvangst van zijn bericht gaan wij de gedekte schade met verzekerde afwikkelen. Hiermee is het misverstand met de heer [Y] over het telefoongesprek van maandag

20 oktober 2008 uit de weg geruimd. (…)”

2.13

Bij ongedateerde brief heeft [verzekeringsbedrijf] aan [naam] geschreven (voor zover hier van belang):

(…) Wij hebben op 25 mei 2009 een bedrag van Aegon ontvangen van Eur. 4.476,00. Dit bedrag hebben wij niet uitgekeerd omdat het bedrag naar onze mening niet voldoende was. Wij hebben daarom de verzekeraar (Unive) van het pand [adres] aansprakelijk gesteld. Deze heeft inmiddels telefonisch meegedeeld dat de schade in behandeling is bij hun advocaat en dat er tot op heden nog geen uitkeringen zijn verricht. Daarom wordt ook uw schade niet uitgekeerd. De verzekeraar wenst eerst een uitslag van de advocaat te ontvangen.

Het door ons verkregen schadebedrag Eur. 4.476,00 zullen wij een dezer dagen aan u overmaken.

Tevens zijn wij van mening dat uw geleden schade vergoed dient te worden. Derhalve hebben wij de eigenaar van het pand (dhr. [Z] ) rechtstreeks aansprakelijk gesteld.

(…)”

2.14

Bij brief van 29 januari 2010 heeft advocaat mr. A. Scheidema namens [bedrijf] [verzekeringsbedrijf] aansprakelijk gesteld voor de door [bedrijf] geleden schade. [verzekeringsbedrijf] heeft de claim voorgelegd aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar Nassau Verzekeringen.

2.15

Bij brief van 31 mei 2010 heeft Nassau Verzekeringen de claim afgewezen. In deze brief staat het volgende geschreven (voor zover thans relevant):

(…)

Op basis van de ons ter beschikking gestelde stukken zijn wij van mening dat verzekerde niets te verwijten valt. Wij zullen dat hieronder toelichten.

(…)

Verzekerde heeft direct na de brand meerdere malen contact opgenomen met Aegon en de situatie duidelijk geschetst, waarna Aegon aangaf dat de opruimingskosten onder de polis meeverzekerd waren. Aegon gaf vervolgens toestemming om tot opruiming over te gaan. Verzekerde mocht derhalve vertrouwen op de mededeling van Aegon dat de sanerings- en opruimingskosten door hen zouden worden voldaan. Verzekerde heeft uw cliënte overeenkomstig de mededeling van Aegon geïnformeerd. Dat Aegon later heeft bericht dat een gedeelte van de schade niet onder de dekking valt, kan verzekerde niet worden verweten.

(…)

2.16

[bedrijf] heeft een bedrag van € 4.476,- van [verzekeringsbedrijf] ontvangen.

3 De beoordeling van de grieven en de vordering

3.1

De grieven I en II zijn gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Aangezien het hof zelf de feiten heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met hetgeen in genoemde grieven is aangevoerd, heeft [bedrijf] geen belang bij afzonderlijke bespreking van deze grieven. De grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

3.2

De grieven III tot en met VII zijn gericht tegen de verwerping door de rechtbank van de stelling van [bedrijf] dat zij opdracht heeft gekregen van [verzekeringsbedrijf] tot het uitvoeren van opruimwerkzaamheden. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

3.3

Niet in geschil is dat de heer [Y] van [verzekeringsbedrijf] aan de heer [bestuurder] (direct of indirect bestuurder van zowel [naam] als [bedrijf] ) heeft meegedeeld dat er voor de opruimingswerkzaamheden dekking bestond onder de (door [naam] gesloten) polis bij Aegon en dat er gestart kon worden met de opruimingswerkzaamheden (aldus gesteld in onder meer de inleidende dagvaarding onder 5 en 12, de memorie van grieven onder 19 en erkend in onder meer de conclusie van antwoord onder 6 en 21 en in de verklaring van [Y] overgelegd als productie 6 bij de conclusie van antwoord, waarop ook [bedrijf] zich beroept: memorie van grieven onder 8). Vast staat ook dat [verzekeringsbedrijf] wist dat deze werkzaamheden zouden worden uitgevoerd door [bedrijf] , een aan de verzekerde [naam] gelieerde onderneming (dit blijkt ook uit het door [naam] op 20 oktober 2008 ingevulde schadeaangifteformulier, in antwoord op vraag 6) en dat [verzekeringsbedrijf] dit ook zo heeft doorgegeven aan Aegon (vergelijk onder andere: antwoordconclusie na comparitie onder 5).

3.4

Naar het oordeel van het hof mocht de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder van de respectieve vennootschappen uit de hiervoor bedoelde mededeling binnen de hiervoor genoemde context niet zonder meer afleiden dat ofwel (i) [verzekeringsbedrijf] rechtstreeks opdracht aan [bedrijf] gaf tot het uitvoeren van de werkzaamheden (de oorspronkelijke grondslag voor de vordering), ofwel (ii) dat [verzekeringsbedrijf] aan [naam] volmacht gaf om namens haar ( [verzekeringsbedrijf] ) een opdracht aan [bedrijf] te geven tot het uitvoeren van die werkzaamheden (zoals [bedrijf] heeft doen stellen onder 6 van de conclusie na comparitie).

3.5

Bijkomende feiten en omstandigheden op grond waarvan [bestuurder] niettemin een van deze twee, bepaald niet voor de hand liggende en niet met de taak van een assurantietussenpersoon overeenstemmende, verwachtingen gerechtvaardigd mocht koesteren, heeft [bedrijf] in onvoldoende mate gesteld.

Het enkele feit dat [bedrijf] haar factuur aan [verzekeringsbedrijf] heeft verzonden en dat [verzekeringsbedrijf] daar niet tegen heeft geprotesteerd, of zelfs daarom heeft gevraagd, is voor het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, temeer nu, naar onweersproken door [verzekeringsbedrijf] is gesteld (antwoordconclusie na comparitie onder 6), het wel vaker voorkomt dat herstelbedrijven de nota direct ter vergoeding inzenden aan de assurantietussenpersoon van hun opdrachtgever.

Ook de brief van Nassau Verzekeringen (de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verzekeringsbedrijf] ) d.d. 31 mei 2010 (prod. 15 bij dagvaarding in eerste aanleg) leidt het hof niet tot een ander oordeel. In deze brief valt geen erkenning te lezen van de stelling dat [bedrijf] opdracht heeft gekregen van [verzekeringsbedrijf] , noch een afstand van het recht om verweer te voeren op dit punt.

3.6

De grieven III tot en met VII falen.

3.7

Met grief VIII komt [bedrijf] op tegen het oordeel van de rechtbank dat ook de grondslag van onrechtmatig handelen niet tot toewijzing van de vordering kan leiden. Het hof begrijpt dat [bedrijf] deze (in eerste aanleg niet aangevoerde) alternatieve grondslag in hoger beroep (alsnog) tot de hare maakt.

Onduidelijk is op welke feitelijke grondslag [bedrijf] zich beroept. Haar stellingen schieten in zoverre tekort. Voor zover [bedrijf] zich erop heeft willen beroepen dat [verzekeringsbedrijf] jegens [naam] een beroepsfout heeft gemaakt door mee te delen dat er dekking bestond onder de polis terwijl een onvoorwaardelijke toezegging van Aegon dienaangaande zou ontbreken (welk verwijt het hof overigens niet concreet leest in de stellingen van [bedrijf] ), dan is dat handelen nog niet als vanzelf onrechtmatig jegens een derde zoals [bedrijf] .

Denkbaar is dat indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van een overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt kunnen meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Of dit het geval is zal dienen te worden beoordeeld aan de hand van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling (o.a. HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO9069, Vleesmeesters/Alog).

Omtrent deze omstandigheden, toegespitst op het onderhavige geval, heeft [bedrijf] onvoldoende, gesteld. Weliswaar wist [verzekeringsbedrijf] dat de opruimwerkzaamheden door [bedrijf] zouden worden uitgevoerd en waren haar belangen aldus voor [verzekeringsbedrijf] kenbaar, maar met dat enkele feit is niet gegeven dat naar de hiervoor omschreven maatstaven [verzekeringsbedrijf] onrechtmatig jegens [bedrijf] heeft gehandeld indien zij een beroepsfout zou hebben gemaakt jegens [naam] . Op grond van welke bijkomende feiten en omstandigheden dat het geval zou zijn, heeft [bedrijf] niet gesteld. Daarbij is voorts van belang dat [bedrijf] op grond van de door [naam] aan haar gegeven opdracht recht heeft op nakoming door [naam] , met als gevolg dat in beginsel alleen [naam] schade lijdt en niet tevens [bedrijf] .

De grief faalt.

3.8

Nu [bedrijf] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot toewijzing van haar vordering kunnen leiden, komt het hof niet toe aan het door haar gedane bewijsaanbod.

4 De slotsom

4.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [bedrijf] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Anders dan Univé heeft betoogd, ziet het hof daarbij onvoldoende aanleiding om [bedrijf] te veroordelen tot betaling van de werkelijk gemaakte kosten in plaats van conform het liquidatieschema. Voor misbruik van procesrecht is onvoldoende gesteld.

4.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Univé zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.862,-

- salaris advocaat € 1.158,- (conform 1 punt in tarief III)

Totaal € 3.020,-

4.4

Ter zake van nakosten is geen concreet bedrag gevorderd en in zoverre zal de vordering worden afgewezen.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen (in de hoofdzaak) gewezen vonnis van de rechtbank Groningen van 17 oktober 2012 ;

veroordeelt [bedrijf] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Univé vastgesteld op € 1.826,- voor verschotten en op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. I. Tubben en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 mei 2016.