Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3753

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
200.186.847
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling; afwijzing verzoek tot benoeming bijzondere curator. Verwijzing naar wetsgeschiedenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/58.21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.186.847/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 167801)

beschikking van de familiekamer van 12 mei 2016 op het verzoek

tot benoeming van een bijzondere curator

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. T.J.H. Zwiers te Hengelo (O),

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.J.A. Assink te Enschede.

1 Het geding in eerste aanleg in de hoofdzaak

(tussen de man en de vrouw betreffende gezag, omgang, informatie en

het verzoek van de man tot ondertoezichtstelling,

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 januari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot

benoeming van een bijzondere curator

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 februari 2016;

- het verweerschrift, ingekomen op 25 maart 2016.

2.2

De hierna genoemde minderjarigen [kind 1] en [kind 2] zijn door het hof in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij zijn daartoe door het hof, direct voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de zaak, gehoord. Ter zitting heeft het hof de mening van [kind 1] en [kind 2], met hun instemming, zakelijk weergegeven medegedeeld aan partijen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 15 april 2016 te Zwolle plaatsgevonden. Partijen zijn daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts is namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) verschenen mevrouw [vertegenwoordiger van de raad].

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn gewezen echtelieden. Het tussen hen op 12 september 1996 te Zeist gesloten huwelijk is op 10 juli 2014 door echtscheiding geëindigd.

3.2

Uit het huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren namelijk:
- [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999 ([kind 1]); en
- [kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004 ([kind 2]),
over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen verblijven bij de vrouw.

3.3

Partijen hebben op 27 mei 2014 een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan ondertekend waarin onder meer een zorgregeling tussen de kinderen en de man is opgenomen van een weekend per twee weken van vrijdag tot en met zondag en daarnaast eens per twee weken op dinsdag en donderdag, met verdeling van de feest- en vakantiedagen bij helfte zoals blijkt uit de van het ouderschapsplan deel uitmakende bijlage. Bij beschikking van 6 juni 2014 is het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan aangehecht en is opgenomen dat deze deel uitmaken uit van de beschikking.

3.4

Bij het inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 10 februari 2015, heeft de man verzocht om bij beschikking zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a) primair te bepalen dat de vrouw de door partijen overeengekomen zorg- en
contactregeling, neergelegd in het ouderschapsplan zal nakomen;
b) subsidiair te bepalen dat de raad een onderzoek zal doen naar de gewenste zorg- en
contactregeling tussen de man en de kinderen.

3.5

De vrouw heeft op 30 maart 2015 een verweerschrift ingediend waarin zij de rechtbank heeft verzocht om de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken (onder a en b) af te wijzen. Daarbij heeft de vrouw het zelfstandig verzoek gedaan om de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling te wijzigen door te bepalen dat er geen omgang zal zijn tussen de man en de kinderen, subsidiair de man het recht op omgang te ontzeggen.

3.6

Op 31 maart 2015 heeft bij de rechtbank een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan het eind van die mondelinge behandeling heeft de rechtbank de raad gevraagd een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden voor omgang tussen de vader en de kinderen en in afwachting van de bevindingen en het advies van de raad de zaak vier maanden aangehouden.

3.7

De raad heeft op 30 juni 2015 rapport uitgebracht en daarin geadviseerd om geen omgang op te leggen tussen de kinderen en de man. Blijkens het rapport heeft de mening van de kinderen dat zij geen omgang met hun vader willen daarbij een belangrijke rol gespeeld mede gelet op het feit dat de kinderen standvastig zijn in hun mening en hun leeftijd. De raad adviseert een informatieplicht op te leggen aan de vrouw om de man elk kwartaal op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de kinderen.

3.8

Op 3 september 2015 heeft bij de rechtbank een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan het einde van die behandeling is de zaak tot 21 december 2015 aangehouden nadat partijen hadden afgesproken dat de man elke eerste zaterdag van de maand om 14.00 uur bij de Mac Donalds zal zijn om de kinderen te kunnen zien en spreken (als de kinderen daartoe bereid zijn). Die afspraak is niet van de grond gekomen, volgens de vrouw omdat de kinderen daartoe niet bereid waren.

3.9

Namens de vrouw is op 11 november 2015 een aanvullend verzoek gedaan aan de rechtbank om bij beschikking zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te ontheffen van de verplichtingen zoals neergelegd in artikel 4.2 en 4.4 van
het ouderschapsplan;
II. een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw eenmaal per kwartaal aan de
man per mail informatie omtrent de kinderen dient te verschaffen bestaande uit
schoolresultaten, dagelijkse bezigheden, sportresultaten en een recente foto van beide
kinderen, onder de uitdrukkelijke bepaling dat zij niet gehouden is lesroosters en
inloggegevens van schoolwebsites te verstrekken aan de man.

3.10

Namens de vrouw is op 1 december 2015 tevens het aanvullend verzoek gedaan aan de rechtbank om te bepalen dat zij met ingang van de door de rechtbank te geven beschikking alleen zal zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3.11

Namens de man is op 10 december 2015 een verweerschrift ingediend met betrekking tot de aanvullende verzoeken van de vrouw waarin is geconcludeerd tot afwijzing van die verzoeken. Daarbij heeft de man het aanvullend verzoek gedaan tot ondertoezichtstelling van de kinderen dan wel een raadsonderzoek naar het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel.

3.12

Op 10 december 2015 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden.

3.13

In de in de hoofdzaak bestreden beschikking van 14 januari 2016 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de man het recht op omgang met de kinderen ontzegd en het meer of anders verzochte afgewezen met beslissing omtrent de proceskosten.

4 De omvang van het geschil in de hoofdzaak

4.1

De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat er tussen de man en de kinderen, althans tussen de man en [kind 2], een
zorg- en contactregeling zal plaatsvinden inhoudende een weekend per veertien dagen
van vrijdag tot en met zondag, alsmede gedurende de helft van de vakanties en
feestdagen, althans een door het hof te bepalen zorg- en contactregeling en de vrouw

te veroordelen deze regeling na te komen op straffe van verbeurte
van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat zij deze regeling niet nakomt;
II. de kinderen onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling;
III. een bijzondere curator te benoemen conform het bepaalde in artikel 1:250 van het
Burgerlijk Wetboek (BW) met als doel omgang tussen de man en de kinderen te
bewerkstelligen;
IV. de raad te gelasten onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor de vaststelling van
een zorg- en contactregeling tussen de man en de kinderen, de noodzakelijkheid van
een ondertoezichtstelling en de benoeming van een bijzondere curator.

4.2

De vrouw heeft, voor zover hier van belang, verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot benoeming van een bijzondere curator dan wel dat verzoek af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing met betrekking tot het verzoek

tot benoeming van een bijzondere curator

5.1

Aan de orde is het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator voor [kind 1] en [kind 2]. De overige verzoeken worden afzonderlijk behandeld (200.186.842 en 200.189.116).

5.2

Overeenkomstig artikel 1:250 BW kan het hof een bijzondere curator benoemen wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige indien het hof dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen. De bijzondere curator vertegenwoordigt de belangen van de minderjarige, zowel in als buiten rechte.

5.3

Blijkens de wetsgeschiedenis is bij de mogelijkheid van benoeming van een bijzondere curator ingeval de belangen van het kind met die van beide ouders in strijd zijn, in de eerste plaats gedacht aan vermogensrechtelijke belangentegenstellingen. Bij de herziening van het artikel in 1995 (Wet van 6 april 1995, Stb. 240, tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen, in werking getreden op 2 november 1995) is aan deze bepaling een uitbreiding gegeven doordat daarin is opgenomen dat benoeming van een bijzondere curator over een minderjarige ook kan geschieden in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding. Daarbij is gedacht aan een belangenstrijd tussen ouder(s) en kind in een concreet geschil. De bijzondere curator is niet een soort gezinsvoogd. Hij vertegenwoordigt de belangen van de minderjarige in een concreet probleem. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest dat de bijzondere curator de taak krijgt algemene opvoedingsproblemen tussen ouders en kind op te lossen. In dit laatste geval is niet voldaan aan de eis van een concrete belangenstrijd (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1993/94, 23 012, nr. 5, blz. 6 en blz. 8-9).

5.4

In het onderhavige geval is het hof gebleken dat sprake is van een hevige - en naar het zich laat aanzien in de loop van de tijd steeds verder geëscaleerde - echtscheidingsstrijd tussen partijen. De vrouw heeft in dit verband onder meer het voortdurend dwingende gedrag van de man benadrukt en de weerslag daarvan op de vrouw en de kinderen. De man heeft zorgen geuit over de opvoedingssituatie van de kinderen bij de vrouw en de mogelijkheid van het bestaan van het ouderverstotingsyndroom (PAS) bij de kinderen.

5.5

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is het niet de taak van een bijzondere curator om algemene opvoedingsproblemen tussen de ouders en hun kinderen of ernstige systeemproblematiek als hier aan de orde op te lossen. Het is het hof voorts gebleken dat [kind 1] en [kind 2] tot op heden volharden in hun standpunten ten aanzien van de omgang met de man en verder dat de spanningen bij de kinderen rondom de procedure een grote belasting voor hen oplevert. Zo waren zij tijdens het kinderverhoor zichtbaar van slag en willen zij eigenlijk alleen maar met rust gelaten worden door de man. De enige reden waarom zij eventueel in zouden kunnen stemmen met de benoeming van een bijzondere curator is dat deze wellicht hun mening nog duidelijker naar voren zou kunnen brengen, zodat het de man eindelijk duidelijk wordt dat zij geen contact met hem willen. De kinderen voelen zich in dit verband niet gehoord door de man in hun wens om met rust gelaten te worden. Volgens de kinderen heeft de man in het verleden te weinig sensitiviteit jegens hen getoond en hebben zij er geen vertrouwen in dat de man daarin is veranderd.

5.6

Bij de huidige stand van zaken ziet het hof vooralsnog geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen voor [kind 1] en [kind 2]. Het desbetreffende verzoek van de man kan naar het oordeel van het hof niet los worden gezien van de zorgen die partijen over en weer hebben over de opvoedingscapaciteiten van de ander. Dat betreft echter geen concrete belangenstrijd tussen de ouders en de kinderen in de zin als hierboven (onder 5.3) bedoeld en, zoals aldaar overwogen, is het niet de taak van een bijzondere curator om als gezinsvoogd te fungeren. Daarbij acht het hof aannemelijk dat de benoeming van een bijzondere curator belastend zal zijn voor de kinderen, mede omdat zij aan de vooravond staan van een belangrijke schoolperiode. [kind 1] heeft een examenjaar gymnasium voor de boeg en [kind 2] gaat naar de brugklas van het gymnasium.

5.7

Voor zover de man een beroep heeft gedaan op het adviesrapport van de kinderombudsman van 31 maart 2014, oordeelt het hof dat dit rapport enkel aanbevelingen bevat. In de bovenstaande overwegingen ligt tevens besloten dat het hof de raad geen opdracht zal geven om nader onderzoek te doen naar de benoeming van een bijzondere curator.

5.8

Het voorgaande betekent dat het hof het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator zal afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende op het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator:


wijst het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator voor de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. A. Smeeïng-van Hees en

mr. G. Jonkman, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Smeeïng-van Hees en is op 12 mei 2016 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.