Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3725

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
200.174.367
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:300, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prorogatie. Verhouding en bevoegdheidsverdeling tussen een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds en CAO-partijen bij de vaststelling van de verdeling van de pensioenpremies.

Vervolg van ECLI:NL:GHARL:2015:9543

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0534
AR 2016/1390
PJ 2016/86 met annotatie van W. van Heest
PJ 2016/72 met annotatie van W. van Heest
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.174.367

arrest op grond van artikel 329 Rv van 17 mei 2016

in de zaak van

de stichting

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

hierna: PMT,

advocaat: prof.dr.mr. E. Lutjens,

tegen:


de vereniging

Bovag,

gevestigd te Bunnik,

gedaagde,

hierna te noemen: Bovag,

advocaat: mr. J.W. de Bruin.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 december 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- een akte van PMT van 12 januari 2016 met producties;

- een akte van Bovag van 12 januari 2016 met producties.

2 De verdere beoordeling van het geschil
2.1 Het hof heeft in rechtsoverweging 4.3 van het tussenarrest van 15 december 2015 overwogen dat kern van het geschil tussen partijen de vraag betreft of PMT als verplicht bedrijfstakpensioenfonds bevoegd is om voor de op grond van de onder de in rechtsoverweging 2.8 vermelde verplichtstellingsbeschikking vallende (werknemers en) werkgevers een bindend besluit te nemen over de hoogte van de door deze (werknemers en) werkgevers verschuldigde pensioenpremie (waaronder de zogenaamde VPL-premie) en daarbij tevens de hoogte vast te stellen van het deel van deze premies die deze werkgevers ten hoogste op deze werknemers mogen verhalen door inhouding op het salaris.

2.2

In aanvulling op de in rechtsoverweging 2.8 van het tussenarrest van 15 december 2015 door het hof vastgestelde feiten, staat tevens vast dat naar aanleiding van de aanvraag van de Vakraad namens - onder andere - Bovag bij besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015, Stcrt. 28 april 2015, nr 11859 het besluit van
7 januari 2010, Stcrt. 2010, nr. 576, waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, is gewijzigd.

2.3

Op grond van de door partijen bij de onder 1.2 vermelde aktes overgelegde stukken en de toelichting op die stukken staat het volgende vast.

Doel, bevoegdheden, besluitvorming PMT

2.4

In artikel 1 Pw is een pensioenreglement gedefinieerd als de door de pensioenuitvoerder opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer. Een uitvoeringsreglement is in ditzelfde artikel onder andere gedefinieerd als de door een bedrijfstakpensioenfonds opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en werkgever. Op grond van artikel 35 lid 1 Pw stelt de pensioenuitvoerder een pensioenreglement vast in overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement.

2.5

In artikel 2.1. van de statuten van PMT van 6 februari 2007, 18 februari 2011,
12 oktober 2011, 12 november 2012 en 1 juli 2014 (productie H akte PMT) is bepaald dat de stichting (hof: soms ook aangeduid als het pensioenfonds) zich ten doel stelt om, op de voet en onder de voorwaarden als in de desbetreffende reglementen nader is bepaald, uitkeringen te verstrekken ter zake van ouderdom en/of overlijden aan hen die, hetzij als werknemer, hetzij in een andere hoedanigheid (doch in het laatste geval uitsluitend, indien de deelneming in de stichting op grond van de wet verplicht is gesteld), werkzaam zijn of geweest zijn in de Metaal en Techniek, alsmede aan hun nagelaten betrekkingen.
In artikel 2.2. van deze statuten is bepaald dat tot (de bedrijfstak) Metaal en Techniek worden gerekend onder andere (f) het automobiel-, garage- en motorrijwielreparatiebedrijf, (j) het rijwielreparatiebedrijf en (o) iedere andere bedrijfstak, of deel daarvan, welke naar het oordeel van de Stichting Vakraad Metaal en Techniek tot de Metaal en Techniek behoort.

In artikel 6.2. van de statuten van PMT van 6 februari 2007, 18 februari 2011, 12 oktober 2011, 12 november 2012 en 1 juli 2014 is bepaald dat het bestuur voorts bevoegd is met betrekking tot alle onderwerpen welke tot zijn competentie behoren, ten aanzien van hen die rechten aan de stichting (hof: soms ook aangeduid als het pensioenfonds) ontlenen, alsmede ten aanzien van hun eventuele werkgevers, zowel algemeen bindende voorschriften te geven, als in bepaalde gevallen aanwijzingen te verstrekken.

In artikel 8.4. van de statuten van PMT van 6 februari 2007, 18 februari 2011, 12 oktober 2011 en 12 november 2012 is bepaald dat besluiten slechts rechtsgeldig worden genomen, indien zowel aan werkgevers- als aan werknemerszijde ten minste drie bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en bij de stemming zich aan elke zijde ten minste zesendertig stemmen voor aanvaarding van het besluit verklaren.
In artikel 8.4. van de statuten van PMT van 1 juli 2014 is bepaald dat besluiten slechts rechtsgeldig kunnen worden genomen, indien ten minste vier stemmen door bestuursleden die als vertegenwoordigers van de werkgevers voor benoeming zijn voorgedragen door Federatie Werkgeversorganisaties Techniek voor het voorstel worden uitgebracht en vier stemmen door bestuursleden die door FNV Bondgenoten en/of CNV Vakmensen voor benoeming zijn voorgedragen en/of door de pensioengerechtigden in het verantwoordingsorgaan, dan wel zijn gekozen door de pensioengerechtigden.


In artikel 16.1. van de statuten van PMT van 6 februari 2007, 18 februari 2011, 12 oktober 2011, 12 november 2012 en 1 juli 2014 is bepaald dat bij (het) pensioenreglement door het bestuur de rechten en verplichtingen van de deelnemers met betrekking tot de te verlenen pensioenen en/of andere uitkeringen worden vastgesteld.

In artikel 17.1. van de statuten van PMT van 6 februari 2007 is bepaald dat besluiten betreffende het vaststellen en wijzigen van het pensioenreglement niet in werking treden dan na goedkeuring door de Vakraad.

In artikel 16.3. van de statuten van PMT van 18 februari 2011, 12 oktober 2011,

12 november 2012 en 1 juli 2014 is onder andere bepaald dat het bestuur slechts tot wijziging van het in artikel 16.1. genoemde reglement zal besluiten, nadat de Vakraad in staat is gesteld daarover te adviseren.

2.6

Gesteld noch gebleken is dat in de periode 1 juli 2014 tot de datum van de akte van PMT (12 januari 2016) de statuten van PMT zijn gewijzigd.

Doel en bevoegdheden van de Vakraad

2.7

In artikel 1 lid 2 van de statuten van de Vakraad zoals die gelden vanaf 25 maart 2004 (productie I akte PMT) is onder andere bepaald dat tot de metaalnijverheid voor de toepassing van deze statuten geacht worden te behoren de bedrijfstakken vallende onder de werkingssfeer als omschreven in de collectieve arbeidsovereenkomst of regelingen van lonen en andere arbeidsvoorwaarden het motorvoertuigenbedrijf, (…) het tweewielerbedrijf (…) en voorts die bedrijfstakken welke door het algemeen bestuur van de stichting (hof: bedoeld is de Vakraad) als zodanig worden aangewezen.

In artikel 2 van deze statuten is bepaald dat aan de stichting kunnen medewerken de organisaties van werkgevers en werknemers die partij zijn bij een collectieve arbeidsovereenkomst in de metaalnijverheid, onder voorwaarde dat alle bij een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst betrokken organisaties aan de stichting meewerken.

In artikel 3 van deze statuten is bepaald dat de stichting zich ten doel stelt de bevordering van goede sociale verhoudingen in de metaalnijverheid.

In artikel 4 van deze statuten is onder e bepaald dat de stichting haar doel tracht te bereiken door het voldoen aan haar bij statuten en/of reglementen, van (het hof begrijpt) andere organen of instellingen op het gebied van de metaalnijverheid opgelegde verplichtingen.

In artikel 5 lid 1 van deze statuten is bepaald dat het algemeen bestuur wordt gevormd door personen, die worden aangewezen door de werkgevers- en werknemersorganisaties die aan de stichting medewerken. In artikel 5 lid 2 van deze statuten is bepaald dat iedere werkgeversorganisatie één lid en één plaatsvervangend lid voor het algemeen bestuur aanwijst en dat de gezamenlijke werknemersorganisaties dertien leden en dertien plaatsvervangende leden voor het algemeen bestuur aanwijzen.

Pensioenreglement 2014

2.8

In het - op grond van hoofdstuk I Algemeen sub 10 - met ingang van 1 januari 2014 geldende pensioenreglement van PMT is onder andere het volgende bepaald (het hof herhaalt hier omwille van de duidelijkheid een aantal bepalingen die ook al in het tussenarrest van
15 december 2015 zijn vermeld):

I. Algemeen

1 Definities
(…)
1.5 Deelnemer
De persoon die op grond van artikel I.2.1 (Deelnemer) wordt aangemerkt als deelnemer in het Fonds.
2. Deelnemerschap

2.1

Deelnemer
Als Deelnemer wordt aangemerkt:
a. In geval van verplicht deelnemerschap:
- de Werknemer (…) die, voor zover is vastgesteld door PMT (mogelijk na onderzoek) dat de verplichtstelling op de deelnemer van toepassing is, volgens de Wet Bpf en de Ministeriële Beschikking betreffende verplichtstelling van deelneming als werkzaam in de Metaal en Techniek wordt beschouwd;

(…)

7. Overeenkomsten
Het Bestuur is bevoegd om zich bij samenwerkingsverbanden/circuits van pensioenuitvoerders aan te sluiten en met afzonderlijke pensioenuitvoerders of ondernemingen nadere overeenkomsten aan te gaan waarbij van bepalingen in het Reglement wordt afgeweken. Voorwaarde is dat deze overeenkomsten niet ten nadele van de overige Deelnemers uitwerken.
(…)
II. Pensioenaanspraken
(…)

2. Opsomming pensioenaanspraken

De Deelnemer heeft aanspraak op:
– een levenslang ouderdomspensioen ten behoeve van zichzelf;
– een levenslang partnerpensioen ten behoeve van de Partner;
– een levenslang bijzonder partnerpensioen ten behoeve van de Gewezen Partner (…);
– een tijdelijk wezenpensioen ten behoeve van het Kind of de Kinderen;
– een tijdelijk ANW Pensioen ten behoeve van de Partner, indien dit op grond van het bepaalde in artikel III.1 (ANW Pensioen) is verzekerd;
(…)

XII. Financiering

1 Premieheffing

1.1

Vaststelling premie

a. Voor iedere Deelnemer worden vanaf de eerste dag van de maand waarin de Deelnemer

18 jaar wordt en voorts zolang het deelnemerschap voortduurt, jaarlijkse premies geheven ten behoeve van de in hoofdstuk II (Pensioenaanspraken) gedefinieerde pensioensoorten.

Voor het ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen stelt het Bestuur jaarlijks een jaarlijkse premie vast met een maximum van 37% van de Ouderdomspensioengrondslag I en 24% van de ouderdomspensioen grondslag II, gecorrigeerd met de Deeltijdfactor.

(…)

1.2

Verdeling premie

a. De (gekorte) premies zijn verschuldigd door de Werkgever.

b. De Werkgever heeft het recht om een door het Bestuur te bepalen percentage van de voor de Deelnemer betaalde (gekorte) premies voor de in hoofdstuk II (Pensioenaanspraken) gedefinieerde pensioensoorten - door inhouding bij elke uitbetaling van het salaris - te verhalen op de betreffende Deelnemer.

c. De Werkgever heeft het recht de betaalde premie voor ANW Pensioen - door inhouding bij uitbetaling van het salaris - geheel te verhalen op de Deelnemer.
(…)

XIII. Overgangsbepalingen

1 Compensatie en overbruggingsregeling

De Deelnemer die in aanmerking kwam voor de overgangsregelingen vroegpensioen, conform het bepaalde in artikel II.3 (Overgangsregelingen vroegpensioen) van het op
31 december 2005 geldende Reglement, komt met ingang van 1 januari 2006 op de Pensioeningangsdatum in beginsel in aanmerking voor een compensatie- en overbruggingsregeling op basis van onderstaande voorwaarden.

(…)”

Uitvoeringsreglement 2014

2.9

In het - op grond van hoofdstuk I Algemeen sub 4 - met ingang van 1 januari 2014 geldende uitvoeringsreglement van PMT is onder andere het volgende bepaald (het hof herhaalt hier omwille van de duidelijkheid een aantal bepalingen die ook al in het tussenarrest van 15 december 2015 zijn vermeld):
I. Algemeen
(…)

2 Deelnemerschap

Als Deelnemer wordt aangemerkt:
In geval van verplicht deelnemerschap:
- de Werknemer (…) die volgens de Wet Bpf en de Ministeriële Beschikking betreffende verplichtstelling van deelneming als werkzaam in de Metaal en Techniek wordt beschouwd;

3 Omschrijving van de regeling
(…)
3.3 Opsomming pensioenaanspraken
De Deelnemer heeft - indien en voor zover de daartoe verschuldigde premie aan het Fonds is betaald - aanspraak op:

– een levenslang ouderdomspensioen ten behoeve van zichzelf;
– een levenslang partnerpensioen ten behoeve van de Partner;
– een levenslang bijzonder partnerpensioen ten behoeve van de Gewezen Partner (…);
– een tijdelijk wezenpensioen ten behoeve van het Kind of de Kinderen;
– een tijdelijk ANW Pensioen ten behoeve van de Partner, indien dit op grond van het bepaalde in artikel III.1 (ANW Pensioen) is verzekerd;
(…)

3.4

Wijziging Pensioenreglement
Bij pensioenreglement worden door het bestuur de rechten en verplichtingen van de deelnemers met betrekking tot de te verlenen pensioenen en/of andere uitkeringen vastgesteld.
Het bestuur is bevoegd het Pensioenreglement te wijzigen mits het bestuur rekening houdt met de adviesrechten van de deelnemersraad. Het bestuur zal slechts tot wijziging van het pensioenreglement besluiten, nadat de Vakraad in staat is gesteld daarover te adviseren.

(…)

II. Financiering

1 Premieheffing

1.1

Vaststelling premie

a. Voor iedere Deelnemer worden vanaf de eerste dag van de maand waarin de Deelnemer

18 jaar wordt en voorts zolang het deelnemerschap voortduurt, jaarlijkse premies geheven ten behoeve van de in (het hof begrijpt) artikel I.3.3 van dit uitvoeringsreglement gedefinieerde pensioensoorten.

Voor het ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen stelt het Bestuur jaarlijks een jaarlijkse premie vast met een maximum van 37% van de Ouderdomspensioengrondslag I en 24% van de ouderdomspensioen grondslag II, gecorrigeerd met de Deeltijdfactor.

(…)”

1.2

Verdeling premie

a. De (gekorte) premies zijn verschuldigd door de Werkgever.

b. De Werkgever heeft het recht om een door het Bestuur te bepalen percentage van de voor de Deelnemer betaalde (gekorte) premies voor de (het hof begrijpt) in artikel I.3.3 gedefinieerde pensioensoorten - door inhouding bij elke uitbetaling van het salaris - te verhalen op de betreffende Deelnemer.

c. De Werkgever heeft het recht de betaalde premie voor ANW Pensioen - door inhouding bij uitbetaling van het salaris - geheel te verhalen op de Deelnemer.
(…)”


Beleidsregels 2014

2.10

In de beleidsregels 2014 van PMT is onder andere het volgende bepaald (het hof herhaalt hier omwille van de duidelijkheid een aantal bepalingen die ook al in het tussenarrest van 15 december 2015 zijn vermeld):
XII. Financiering

1 Premieheffing

1.2

b Verdeling premie
Met ingang van 1 januari 2014 heeft de werkgever het recht om ten hoogste 36,8% van de voor de betreffende deelnemer te betalen premie over pensioengrondslag I in te houden bij elke betaling van het salaris van deze Deelnemer. Van de te betalen premie over pensioengrondslag II kan de werkgever ten hoogste 46,8% inhouden op het salaris van de deelnemer.”

Pensioenreglement 2015

2.11

In het - op grond van hoofdstuk I Algemeen sub 11 - met ingang van 1 januari 2015 geldende pensioenreglement van PMT is onder andere het volgende bepaald (het hof herhaalt hier omwille van de duidelijkheid een aantal bepalingen die ook al in het tussenarrest van
15 december 2015 zijn vermeld):
I. Algemeen

1 Definities
(…)
1.9 Deelnemer

- De werknemer die onder de verplichtstelling valt.
(…)

2 Deelnemerschap

2.1

Deelnemer
Als Deelnemer wordt aangemerkt:
a. In geval van verplicht deelnemerschap:
- de Werknemer (…) die, voor zover is vastgesteld door PMT (mogelijk na onderzoek) dat de verplichtstelling op de deelnemer van toepassing is, volgens de Wet Bpf en de Ministeriële Beschikking betreffende verplichtstelling van deelneming als werkzaam in de Metaal en Techniek wordt beschouwd;

(…)

6Overeenkomsten
Het Bestuur is bevoegd om zich bij samenwerkingsverbanden/circuits van pensioenuitvoerders aan te sluiten en met afzonderlijke pensioenuitvoerders of ondernemingen nadere overeenkomsten aan te gaan waarbij van bepalingen in het Pensioenreglement wordt afgeweken. Voorwaarde is dat deze overeenkomsten niet ten nadele van de overige Deelnemers uitwerken.
(…)

7 Wijziging Pensioenreglement
Het Bestuur is bevoegd om dekkingen, aanspraken en regelingen uit hoofde van dit reglement te wijzigen of te verminderen. Dit gebeurt met inachtneming van artikel II.6 van het pensioenreglement, artikel 16 van de statuten van het Fonds en hoofdstuk 1, artikel 3 van het Uitvoeringsreglement.
(…)

II. Pensioenaanspraken
(…)

2. Opsomming pensioenaanspraken
De Deelnemer heeft aanspraak op:
– een levenslang ouderdomspensioen ten behoeve van zichzelf;
– een levenslang partnerpensioen ten behoeve van de Partner;
– een levenslang bijzonder partnerpensioen ten behoeve van de Ex-Partner (…);
– een tijdelijk wezenpensioen ten behoeve van het Kind of de Kinderen;
– een tijdelijk ANW Pensioen ten behoeve van de Partner, indien dit op grond van het bepaalde in artikel X.1 (ANW Pensioen) is verzekerd;
(…)

III. Beëindiging en/of voorzetting deelnemerschap

(…)
2. Voortzetting van het deelnemerschap bij werkloosheid met loongerelateerde uitkering
(…)
4. Vrijwillige voortzetting van het deelnemerschap

(…)

IX. Financiering

1 Premieheffing

1.1

Vaststelling premie

De premie voor de verplichte pensioenregeling tot de Salarisgrens is voor een periode van vijf jaar, te weten de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019 vastgesteld. Gedurende de in de vorige volzin omschreven periode van vijf jaar worden deze premiepercentages niet verhoogd of verlaagd, ongeacht mogelijke overschotten of tekorten.

Premiepercentage
2015 24,0%
(…)
De premie voor de pensioenregeling boven de Salarisgrens is voor 2015 vastgesteld op 19,2% van de Pensioengrondslag voor de regeling boven de salarisgrens.
(…)

1.3

VPL-premie

Ten behoeve van de Overgangsregeling VPL PMT is de werkgever een premie verschuldigd. Indien de pensioenopbouw wordt voortgezet op grond van artikel III.2 of artikel III.4 is de deelnemer verplicht de VPL-premie te voldoen.
Premiepercentage
2015 6,26%
(…)

1.4

Premieheffing

a. voor iedere Deelnemer worden vanaf de eerste dag van de maand waarin de Deelnemer

18 jaar wordt en voorts zolang het deelnemerschap voortduurt, jaarlijkse premies geheven ten behoeve van de in hoofdstuk II (Pensioenaanspraken en pensioenrechten) gedefinieerde pensioensoorten.

(…)

1.5

Verdeling premie

a. De (gekorte) premies zijn verschuldigd door de Werkgever.

b. De Werkgever heeft het recht om een door het Bestuur te bepalen percentage van de voor de Deelnemer betaalde (gekorte) premies voor de in hoofdstuk II (Pensioenaanspraken en pensioenrechten) gedefinieerde pensioensoorten - door inhouding bij elke uitbetaling van het salaris - te verhalen op de betreffende Deelnemer.

c. De Werkgever heeft het recht de betaalde premie voor ANW Pensioen - door inhouding bij uitbetaling van het salaris - geheel te verhalen op de Deelnemer.
(…)

XII. Overgangsbepalingen

1 Compensatie en overbruggingsregeling
De Deelnemer die in aanmerking kwam voor de overgangsregelingen vroegpensioen, conform het bepaalde in artikel II.3 (Overgangsregelingen vroegpensioen) van het op

31 december 2005 geldende Reglement en die in aanmerking kwam voor een compensatie- en overbruggingsregeling conform het bepaalde in artikel XIII.1 van het op 31 december 2014 geldende reglement komt met ingang van 1 januari 2015 op de Pensioeningangsdatum in beginsel in aanmerking voor een compensatie- en overbruggingsregeling.

(…)”

Uitvoeringsreglement 2015

2.12

Het Uitvoeringsreglement 2015 is geïncorporeerd in de in rechtsoverweging 2.20 van het tussenarrest deels geciteerde BUO die de ROM, de Vakraad, PME en PMT op

18 december 2014 zijn aangegaan.
Beleidsregels 2015

2.13

In de Beleidsregels 2015 van PMT is onder andere het volgende bepaald (het hof herhaalt hier omwille van de duidelijkheid een aantal bepalingen die ook al in het tussenarrest van 15 december 2015 zijn vermeld):
Hoofdstuk IX. Financiering
(…)
1. Premieheffing
(…)
1.4 Verdeling premie
Met ingang van 1 januari 2015 heeft de Werkgever het recht om ten hoogste 46,30% van de voor de betreffende deelnemer te betalen premie over Pensioengrondslag tot Salarisgrens in te houden bij elke betaling van het salaris van deze Deelnemer. Van de te betalen premie over pensioengrondslag boven de Salarisgrens kan de Werkgever ten hoogste 46,8% inhouden op het salaris van de Deelnemer.

De Werkgever mag geen deel van premie VPL (6,26%) inhouden op het salaris van de Deelnemer.

(…)”

Principe akkoord 2005-2008

2.14

In het Principe akkoord arbeidsvoorwaarden in de metaal en techniek (aangegaan door de werkgevers- en werknemersorganisaties samenwerkend in de Stichting Vakraad Metaal en Techniek) met een looptijd van 1 mei 2005 tot en met 31 januari 2008 (productie 9 bij akte Bovag) is niets bepaald met betrekking tot de pensioenpremie(verdeling).

2.15

Met inachtneming van het voorgaande en van hetgeen in het tussenarrest van
15 december 2015 is overwogen en beslist, zal het hof hierna het geschil tussen partijen verder beoordelen.

2.16

Bovag heeft aangevoerd dat de vorderingen van PMT ten onrechte betrekking hebben op de premiebesluiten voor de jaren 2014 en 2015. Volgens Bovag was 2014 een gedoogjaar, zodat de eventuele vorderingen slechts betrekking kunnen hebben op 2015. Bovag heeft verwezen naar de brief van PMT aan haar van 20 november 2014, zoals deels geciteerd in rechtsoverweging 2.17 van het tussenarrest van 15 december 2015. PMT heeft in deze brief aan Bovag geschreven dat zij Bovag en de vakorganisaties die betrokken waren bij de CAO Motorvoertuigentechniek het jaar 2014 heeft gegeven om een aanvullende CAO-afspraak te maken omtrent kostenontwikkelingen en premieverdeling. Daarmee heeft PMT naar het oordeel van het hof, wanneer Bovag er niet in zou slagen bedoelde afspraken te maken, geen afstand gedaan van haar recht om de volgens haar door Bovag verschuldigde premies (ook) voor het jaar 2014 te innen. Dit sluit ook aan bij de tijdelijke oplossing die partijen met betrekking tot de periode 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 zijn overeengekomen, waarin de “oude” premieverdeling zou blijven gelden, in afwachting van onderhandelingen tussen Bovag en de vakorganisaties (zie rechtsoverweging 2.12 van het tussenarrest). De eventuele vorderingen van PMT hebben dan ook betrekking op zowel 2014 als 2015.

2.17

Op grond van artikel 1 Pensioenwet (hierna: Pw) is een pensioenovereenkomst hetgeen tussen een werkgever en werknemer is overeengekomen betreffende pensioen. Op grond van artikel 2 lid 2 sub a Pw wordt met een pensioenovereenkomst (cursivering door het hof) gelijkgesteld de uit de dienstbetrekking voortvloeiende rechtsbetrekking tussen een werkgever en een werknemer met betrekking tot pensioen in geval van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op basis van een verplichtstelling.

2.18

In artikel 2 Wet Bpf 2000 is bepaald dat de minister op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, kan verplichtstellen. Een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een voldoende representatieve vertegenwoordiging van sociale partners (één of meer verenigingen van werkgevers samen met één of meer verenigingen van werknemers) in de bedrijfstak waarvoor verplichtstelling wordt aangevraagd (zie de Beleidsregels Toetsingskader wet Bpf 2000).

2.19

Op het gebied van pensioenen brengt de hiervoor vermelde wettelijke verplichtstelling mee dat individuele werkgevers in de bedrijfstak (in dit geval de bedrijfstak Metaal en Techniek) geen keuze (meer) hebben of hun werknemers deelnemen in het bedrijfstakpensioenfonds, althans voor zover deze werknemers werkzaam zijn in ondernemingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak werkzaamheden worden verricht zoals omschreven in de verplichtstellingsbeschikking. Op grond van artikel 4 Wet Bpf 2000 leven de deelnemers alsmede, voor zover het werknemers betreft, hun werkgevers de statuten en reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds na. De deelnemer in artikel 4 Wet Bpf is blijkens de definitie in artikel 1 Wet Bpf 2000 de deelnemer als bedoeld in artikel 1 Pw, te weten de werknemer of gewezen werknemer die op grond van een pensioenovereenkomst pensioenaanspraken verwerft jegens een pensioenuitvoerder. Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat op het gebied van de pensioenen bij deelname in een verplicht bedrijfstakpensioenfonds er geen onderhandelingsruimte en contracteervrijheid meer bestaat tussen (individuele) werkgevers en (individuele) werknemers. De statuten, de reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds zijn leidend en bindend voor de onder de verplichtstellingsbeschikking vallende werkgevers en werknemers.

2.20

De in artikel 4 Wet Bpf omschreven verplichting van de werkgevers om de statuten, reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van in dit geval PMT na te leven, laat onverlet dat het hof dient te toetsen of de door PMT voor 2014 en 2015 vastgestelde premiebesluiten in overeenstemming zijn met de hiervoor vermelde reglementen en besluiten van PMT. Concreet gaat het hierbij om de pensioenreglementen, de uitvoeringsreglementen en de beleidsregels van PMT.

2.21

Artikel 1.1 van hoofdstuk XII van het pensioenreglement 2014 bevat een regeling voor de vaststelling van de premie. In artikel 1.2 van hoofdstuk XII van het pensioenreglement 2014 is onder het kopje “Verdeling premie” bepaald dat de werkgever het recht heeft een door het bestuur van PMT te bepalen percentage van de voor de deelnemer (dat is de werknemer die onder de verplichtstellingsbeschikking valt) betaalde (gekorte) premies voor een aantal limitatief omschreven pensioensoorten te verhalen op de betreffende deelnemer. Deze pensioensoorten zijn opgesomd in hoofdstuk II onder 2 van het pensioenreglement 2014. Het gaat hierbij om het ouderdomspensioen, het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het tijdelijk wezenpensioen en het tijdelijk ANW pensioen.
De artikelen 1.1 en 1.2 van hoofdstuk II van het uitvoeringsreglement 2014 zijn gelijkluidend aan de artikelen 1.1 en 1.2 van hoofdstuk XII van het pensioenreglement 2014. De bevoegdheid van het bestuur van PMT om ten aanzien van deze pensioensoorten voor 2014 een premiebesluit te nemen vloeit voort uit artikel 16.1. en 16.3. van de in rechtsoverweging 2.5 vermelde statuten van PMT.

2.22

Artikel 1.1 van hoofdstuk IX van het pensioenreglement 2015 bevat een regeling voor de vaststelling van de premie. In artikel 1.3 van hoofdstuk IX van dit pensioenreglement is bepaald dat de werkgever ten behoeve van de Overgangsregeling VPL PMT een premie is verschuldigd. In artikel 1.5 van hoofdstuk IX van het Pensioenreglement 2015 is onder het kopje “Verdeling premie” bepaald dat de werkgever het recht heeft een door het bestuur van PMT te bepalen percentage van de voor de deelnemer (dat is de werknemer die onder de verplichtstellingsbeschikking valt) betaalde (gekorte) premies voor een aantal limitatief omschreven pensioensoorten te verhalen op de betreffende deelnemer. Deze pensioensoorten zijn opgesomd in hoofdstuk II onder 2 van het pensioenreglement 2015. Het gaat hierbij om het ouderdomspensioen, het partnerpensioen, het bijzonder partnerpensioen, het tijdelijk wezenpensioen en het tijdelijk ANW pensioen.

2.23

In artikel 14 van (het algemene) hoofdstuk 1 getiteld “Sociale Partners en Fondsen” van de BUO (zie rechtsoverweging 2.20 van het tussenarrest van 15 december 2015) is bepaald dat de Sociale Partner de verdeling van de verschuldigde premie vaststelt waarbij de Sociale Partner bepaalt tot welk deel van de premie de werkgever gerechtigd is dit bij de werknemer te verhalen. Het betreffende fonds bepaalt vervolgens of het de premieverdeling in zijn pensioenreglement vastlegt. Met de hiervoor vermelde Sociale Partner is de ROM dan wel de Vakraad bedoeld. Het fonds betreft PMT. Onder het kopje “2. Premie” van hoofdstuk 1 is in artikel 2.4 bepaald dat de premie voor de Overgangsregeling VPL PMT door de werkgever verschuldigd is aan het fonds voor alle deelnemers in dienst van de werkgever en voorts dat de werkgever deze premie niet kan inhouden op het salaris van de werknemer tenzij de desbetreffende Sociale Partner een andere afspraak maakt. Met de Sociale Partner is de ROM dan wel de Vakraad bedoeld.

Artikel 2.1 van het van de BUO deel uitmakende uitvoeringsreglement 2015 (zie hoofdstuk 2 van de BUO) bevat een regeling voor de vaststelling van de premie voor de verplichte pensioenregelingen tot de salarisgrens. In artikel 2.3 lid 3 van dit uitvoeringsreglement is bepaald dat de werkgever het recht heeft om een door Sociale Partners te bepalen percentage van de werknemersbijdrage in de premie, door inhouding bij elke uitbetaling van het salaris te verhalen op de betreffende deelnemer. Met de hiervoor vermelde Sociale Partners zijn de ROM en de Vakraad gezamenlijk bedoeld. In artikel 13 van dit uitvoeringsreglement is vastgelegd dat de premie voor de Overgangsregeling VPL PMT door de werkgever verschuldigd is aan het fonds voor alle deelnemers in dienst van de werkgever en voorts dat de werkgever deze premie niet kan inhouden op het salaris van de werknemer tenzij de desbetreffende Sociale Partner een andere afspraak maakt. Met de Sociale Partner is de ROM dan wel de Vakraad bedoeld.

2.24

Op grond van artikel 4 onder e van de statuten van de Vakraad (zie hiervoor rechtsoverweging 2.7) tracht de Vakraad zijn doel (hof: de bevordering van goede sociale verhoudingen in de metaalnijverheid) te bereiken door het voldoen aan hem bij statuten en/of regelementen, van andere organen of instellingen op het gebied van de metaalnijverheid opgelegde verplichtingen. In artikel 17.1. van de statuten van PMT van 6 februari 2007 is bepaald dat besluiten betreffende het vaststellen en wijzigen van het pensioenreglement niet in werking treden dan na goedkeuring door de Vakraad. In artikel 16.3. van de statuten van PMT van 18 februari 2011, 12 oktober 2011, 12 november 2012 en 1 juli 2014 is onder andere bepaald dat het bestuur slechts tot wijziging van het in artikel 16.1. genoemde reglement (hof: het pensioenreglement) zal besluiten, nadat de Vakraad in staat is gesteld daarover te adviseren. Hoewel de Vakraad, gelet op de eerste zin van artikel 14 van de BUO, met de “vaststelling” van het deel van de premie dat de werkgever gerechtigd is op de werknemer te verhalen, mogelijk meer heeft gedaan dan waartoe hij op grond van zijn statuten bevoegd was, heeft de Vakraad in ieder geval terzake zijn adviserende taak uitgeoefend. Het hof acht echter van doorslaggevend belang dat PMT voor 2015 een zelfstandig premiebesluit heeft genomen. Daartoe was zij op grond van de artikelen 16.1. en 16.3. van haar in rechtsoverweging 2.5 vermelde statuten ook bevoegd. Dat PMT de vaststelling van de Vakraad heeft overgenomen, althans het advies van de Vakraad heeft opgevolgd, doet geen afbreuk aan deze bevoegdheid en kan zonder nadere toelichting door Bovag, die ontbreekt, niet de conclusie rechtvaardigen dat PMT op deze wijze misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt.

2.25

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat PMT ten aanzien van de in rechtsoverweging 2.21 en 2.2 vermelde “reguliere” pensioensoorten mocht besluiten zoals zij dat voor 2014 en 2015 heeft gedaan. Dat deze besluiten niet in overeenstemming met artikel 8.4. van de in rechtsoverweging 2.5 vermelde statuten zijn genomen, is gesteld noch gebleken. Bovag was dan ook op grond van artikel 4 Wet Bpf gehouden deze besluiten na te leven.

2.26

Zoals hiervoor is overwogen bevat hoofdstuk II onder 2 van de pensioenreglementen 2014 en 2015 een opsomming van de pensioensoorten ten aanzien waarvan PMT bevoegd was én de voor de deelnemer geldende premie vast te stellen én het door de werkgever te verhalen deel van deze premie op de werknemer. De VPL-premie is niet vermeld in de opsomming van hoofdstuk II onder 2 van de pensioenreglementen 2014 en 2015, zodat PMT ten aanzien van de VPL-premie niet bevoegd was te besluiten zoals zij dat voor 2014 en 2015 heeft gedaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat op grond van artikel 65 lid 1 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet een geldelijke, vastgestelde uitkering die op basis van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 wordt overeengekomen geen pensioen is als bedoeld in de Pensioenwet of de Wet Verplichte beroepspensioenregeling voor zover deze nog niet is gefinancierd. PMT heeft niet betwist dat financiering van deze aanspraken (nog) niet heeft plaatsgevonden.

2.27

In artikel 8 lid 1 Wet Bpf is bepaald dat de door of voor de deelnemers verschuldigde bijdrage voor alle deelnemers gelijk is of voor alle deelnemers een gelijk percentage bedraagt van het loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat er voor verschillende vormen van pensioen en voor verschillende pensioenregelingen verschillende bijdragen kunnen worden vastgesteld. Bovag heeft met een beroep op artikel 8 Wet Bpf aangevoerd dat verschillende doorsneepremies zijn toegestaan en dat PMT ten aanzien van haar een afwijkende werknemersbijdrage in de pensioenpremie had moeten vaststellen.

2.28

Met betrekking tot de vraag of PMT voor Bovag een afwijkende werknemersbijdrage in de pensioenpremie had mogen/moeten vaststellen, verwijst het hof naar de volgende passages in de wetsgeschiedenis:

A. Memorie van Toelichting II 1999/2000, 27073, nr 3:

bladzijde 4:
“Onder de doorsneepremie wordt begrepen de totale pensioenpremie die

door de werkgever wordt afgedragen aan het bedrijfstakpensioenfonds.

De doorsneepremie wordt naar rato van de loonsom of van de som van

de pensioengrondslagen verdeeld over de aangesloten werkgevers en is

inclusief de eventuele werknemersbijdrage. Onderscheid in bijdrage op

grond van met name leeftijd, geslacht of gezondheid is niet toegestaan.”
bladzijde 17:

“De «zinsnede door of voor de deelnemers verschuldigde bijdrage» geeft aan dat de doorsneepremie zowel voor het werkgevers- als het werknemersdeel van de bijdrage verplicht is als deze beide aan de orde zijn, het woordje «of» moet in dit geval gelezen worden als «en/of». In de situatie dat zowel een werkgevers- als een werknemersdeel verschuldigd is zal het niet mogelijk zijn om de delen met elkaar te compenseren, ze

zullen ieder afzonderlijk aan de verplichting van de doorsneepremie moeten voldoen. De verplichting tot het hanteren van een doorsneepremie geldt ook indien er slechts sprake is van een werkgeversdeel.”

B. Nota naar aanleiding van het verslag II 1999-2000, 27073, nr 6 bladzijde 8 en 9:
“De doorsneepremie is het meest vergaande instrument om solidariteit in de regeling te bewerkstelligen, niet alleen binnen een onderneming of tussen de werknemers maar ook tussen de ondernemingen in de bedrijfstak. Het kabinet is van mening dat met de eis van doorsneepremie een wezenskenmerk van de verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen

wordt vastgelegd. In de praktijk zal het vastleggen van deze voorwaarde in een wettelijke bepaling weinig problemen opleveren, omdat vrijwel alle verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen reeds zo’n doorsneepremie hanteren. Met het vastleggen van deze eis wordt wettelijk gewaarborgd dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. De solidariteit die hiermee wordt gerealiseerd is naar de mening van het kabinet een rechtvaardiging voor

de beperking van de marktwerking in de tweede pijler die via het instrument van verplichtstelling, mede door toedoen van de overheid, plaatsvindt.

In het wetsvoorstel wordt in het bepaalde ten aanzien van de doorsneepremie de mogelijkheid gecreëerd om binnen een bedrijfstakpensioenfonds verschillende doorsneepremies te hanteren. Voorwaarde daarbij is wel dat de regelingen waarvoor een verschillende doorsneepremie geldt inhoudelijk verschillend is. De leden van de VVD- en SGP-fracties vragen naar de reden hiervan.

In een bedrijfstakpensioenfonds kunnen verschillende subsectoren verenigd zijn. Er kan in verband met flexibiliteit behoefte zijn aan meerdere collectieve regelingen binnen een bedrijfstakpensioenfonds. In de huidige situatie, maar ook op basis van onderhavig wetsvoorstel is dit toegestaan.

In theorie is het mogelijk dat de subsectoren verschillende deelnemersbestanden hebben en een bepaalde subsector een gunstiger bestand heeft dan de andere.

Met de beperking dat verschillende doorsneepremies alleen mogelijk zijn wanneer de inhoud van de regelingen verschillend is, wordt beoogd te voorkomen dat de bedrijfstakbrede solidariteit wordt uitgekleed. Het onderscheiden van diverse deelnemersbestanden binnen een bedrijfstakpensioenfonds met als enige doel onderscheid in doorsneepremie aan te

brengen wordt hierdoor onmogelijk. Wanneer solidariteit met andere subsectoren door sociale partners niet gewenst is, moet maar een afzonderlijk bedrijfstakpensioenfonds voor dat deel worden opgericht.

Gezien de (toenemende) behoefte aan flexibiliteit, ook in pensioenregelingen bij bedrijfstakpensioenfondsen, is het niet ondenkbaar dat diverse regelingen binnen een bedrijfstakpensioenfonds aanwezig zijn. Er zijn diverse bedrijfstakpensioenfondsen waarin meerdere sectoren aanwezig zijn. Als voorbeelden kunne worden genoemd het ABP, PGGM

en het bpf voor de Bouwnijverheid.

Van de eis dat voor verschillende regelingen verschillende doorsneepremies kunnen gelden zolang de inhoud van die regelingen verschillend is, kan worden afgeweken wanneer sprake is van een substantiële basisregeling.

Om invulling te geven aan het begrip substantieel heeft het kabinet ervoor gekozen te bepalen dat de basisregeling substantieel is wanneer deze minimaal 2⁄3 van de actuariële waarde van het totaal aan collectieve pensioenverplichtingen beslaat.
(…)”

2.29

Uit de hiervoor geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de doorsneepremie het meest vergaande instrument is om solidariteit in de regeling te bewerkstelligen, niet alleen binnen een onderneming of tussen de werknemers maar ook tussen de ondernemingen in een bedrijfstak. Op grond van de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis is niet uitgesloten dat binnen een bedrijfstakpensioenfonds verschillende doorsneepremies worden gehanteerd, doch voorwaarde daarbij is wel dat de regelingen waarvoor een verschillende doorsneepremie geldt inhoudelijk verschillend zijn. Die situatie doet zich niet voor, aangezien het in de onderhavige zaak gaat om een en dezelfde pensioenregeling. Het beroep van Bovag op artikel 8 Wet Bpf faalt.

2.30

In artikel 105 lid 2 Pw is bepaald dat de personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede bepalen zich bij de vervulling van hun taak richten naar de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever en ervoor zorgen dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.

2.31

Bovag heeft, meer subsidiair en kort samengevat, aangevoerd dat PMT voor de jaren 2014 en 2015 voor haar een uitzondering had moeten maken. Het hof is van oordeel dat die enkele omstandigheid, te weten de weigering van PMT om aan de wensen van Bovag tegemoet te komen - ten koste van de solidariteit binnen de bedrijfstak - onvoldoende is om op grond daarvan aan te nemen dat Bovag zich niet op evenwichtige wijze vertegenwoordigd heeft kunnen voelen door PMT. Bovag heeft, om haar moverende redenen, ervoor gekozen een eigen weg in te slaan binnen de sector MvT. Dat PMT, door haar opstelling destijds in de overleggremia, mede heeft bijgedragen aan deze keuze, doet niet af aan het feit dat Bovag deze keuze heeft gemaakt en ook niet wenst terug te komen op deze keuze. Het beroep op artikel 105 lid 2 Pw faalt.

2.32

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof voor recht verklaren dat PMT bevoegd was de premiebesluiten 2014 en 2015 te nemen, behoudens voor zover deze betrekking hebben op de VPL- premie en voorts dat de Bovag-werkgeversleden verplicht zijn tot naleving van deze besluiten.

2.33

De daarnaast door PMT gevorderde verklaringen voor recht dat de hiervoor vermelde besluiten niet onrechtmatig zijn en dat PMT bevoegd was hierover te communiceren zullen worden afgewezen wegens een gebrek aan belang aan de zijde van PMT.

2.34

Aangezien partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten tussen hen compenseren, zoals hierna in het dictum te vermelden. zal het hof

3 De beslissing

Het hof, recht doende:


verklaart voor recht dat PMT bevoegd was de premiebesluiten 2014 en 2015 te nemen, behoudens voor zover deze betrekking hebben op de VPL premie;

verklaart voor recht dat de BOVAG-werkgeversleden verplicht zijn tot naleving van de hiervoor vermelde besluiten;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, I.A. Katz-Soeterboek en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2016.