Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3541

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
200.164.043
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg CAO: is ‘objecttoeslag’ een bij de VUT-uitkering in acht te nemen ‘onregelmatigheidstoeslag’ of anderszins loon? Hof beantwoord vraag met kantonrechter bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0554
AR 2016/1444

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.164.043

(zaaknummer rechtbank Midden Nederland 3212273)

arrest van 3 mei 2016

in de zaak van

de stichting

de Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden voor de Particuliere Beveiliging,

gevestigd te De Meern,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Stichting,

advocaat: mr. S. Leurink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.A.A.C. Traa.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 november 2015 hier over.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de (meervoudige) comparitie van partijen van 17 februari 2016.

1.3

Na afloop van de comparitie van partijen heeft het hof arrest bepaald.

1.3

De Stichting vordert in het hoger beroep - kort samengevat - dat het hof het bestreden vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 1 december 2014 zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, althans [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren en hem zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

2.2

[geïntimeerde] is per 1 april 2012 vervroegd uitgetreden en ontving sinds die datum een

VUT-uitkering van de Stichting.

2.3

In artikel 6 lid 1 van de tussen partijen toepasselijke Collectieve Arbeidsovereenkomst voor vervroegd uittreden uit de particuliere beveiligingsorganisaties (2012) (hierna: VUT cao) is het volgende opgenomen:

Als grondslag voor de uitkering geldt het laatstgenoten brutoloon, per vier weken dan wel

maandelijks, op jaarbasis, vermeerderd met de onregelmatigheidstoeslag(en) en

vakantietoeslag(en), maar exclusief incidentele overwerktoeslagen.’

2.4

De Stichting heeft bij brief van 24 januari 2012 aan [geïntimeerde] geschreven dat aan hem

een VUT-uitkering is toegekend van € 1.469,89 netto per maand. Verder heeft de Stichting

geschreven: ‘Dit bedrag is exclusief de objecttoeslag omdat dit geen toeslag is zoals

omschreven in de VUT-CAO. Het bestuur van de stichting kan hierin eventueel een

afwijkende beslissing nemen. Wij leggen uw verzoek tot het meenemen van deze toeslag aan

het bestuur voor. Zodra wij de beslissing hebben ontvangen zullen wij u nader informeren.’

2.5

Bij brief van 5 maart 2012 heeft De Stichting aan [geïntimeerde] geschreven: ‘In uw brief van

25 oktober 2012 verzoekt u ons om de objecttoeslag van € 360,50 mee te nemen in de

uitkeringstoeslag. (...) Het bestuur heeft het verzoek afgewezen omdat uit de voorlegger niet

duidelijk blijkt wat de onderliggen reden is voor de objecttoeslag. Het bestuur wenst

aanvullende informatie. Wij zullen de aanvullende informatie opvragen bij uw werkgever.

(...)’.

2.6

[A.], districtspersoneelsmanager van de werkgever van [geïntimeerde], Trigion

Beveiliging B.V., heeft bij brief van 28 maart 2012 aan de Stichting geschreven dat de

objecttoeslag is ontstaan door het wijzigen van de dag- en avondsurveillance. Om het

inkomen niet teveel te laten fluctueren is besloten om de onregelmatigheidstoeslag om te

zetten in een vaste toeslag onder de noemer “objecttoeslag”. [A.] benadrukt in haar brief

dat de toeslag werd betaald voor het werken in een los/vast rooster. [A.] heeft bij haar

brief een e-mail bijgevoegd van de heer [B.], voormalig directeur van Trigion, die

heeft geschreven dat een opdrachtgever voor de onregelmatigheid een vast bedrag

(objecttoeslag) betaalde, waardoor het inkomen van de medewerker niet fluctueerde en dat

de toeslag werd betaald voor het onregelmatig werken in een los/vast rooster.

2.6

Bij brief van 17 juni 2012 heeft de Stichting het verzoek van [geïntimeerde] afgewezen omdat

onvoldoende is aangetoond dat de toeslag bij het vaste salaris behoort’.

2.7

[geïntimeerde] heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt, maar de Stichting heeft het

bezwaar van [geïntimeerde] afgewezen.

2.8

De VUT-uitkering is geëindigd per 13 juli 2014.

3
3. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd (na wijziging van eis), bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de Stichting tot het meenemen van de door [geïntimeerde] genoten objecttoeslag in de hoogte van de VUT-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2012, waardoor deze op € 2.449,51 bruto wordt vastgesteld en tot betaling van deze maandelijkse uitkering vanaf 1 april 2012 onder aftrek van hetgeen reeds is voldaan, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

3.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 1 december 2014 de vorderingen toegewezen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

In de kern gaat het, ook in hoger beroep, om de vraag of de door [geïntimeerde] ontvangen zogenoemde objecttoeslag mede de hoogte van de VUT-uitkering bepaalt, en dus of deze toeslag onder de in artikel 6 lid 1 van de VUT cao genoemde “laatstgenoten brutoloon” dan wel “de onregelmatigheidstoeslag(en)” worden begrepen, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en de Stichting heeft bestreden. Daarmee gaat het primair om uitleg van deze bepaling.

4.2

Het hof stelt voorop dat voor de uitleg van cao-bepalingen als uitgangspunt geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoeling van partijen bij de cao voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

4.3

In de VUT cao is de term ‘objecttoeslag” als zodanig niet expliciet opgenomen. In de VUT cao wordt in artikel 6 weliswaar het begrip “onregelmatigheidstoeslag” genoemd, maar dit begrip wordt in deze cao niet gedefinieerd of toegelicht. Daarmee biedt de VUT cao zelf geen enkel kader voor de uitleg van het beding en de daarin gebruikte begrippen. Het hof ziet daarom aanleiding om aansluiting te zoeken bij de tevens tussen partijen geldende cao voor de Particuliere Beveiliging (2012) (hierna: cao Particuliere Beveiliging), die bij memorie van antwoord als productie 11 in het geding is gebracht. Artikel 78 van deze cao Particuliere Beveiliging luidt, voor zover van belang,: “Met ingang van 1 oktober 1993 is in samenhang met deze cao een regeling voor vrijwillig vervroegd uitgetreden van kracht. Deze regeling is opgenomen in de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor vervroegd uittreden uit de particuliere beveiligingsorganisaties. (…) De tekst van de VUT cao is opgenomen in bijlage 1 van deze cao.”. Het hof leidt hieruit af dat de beide cao’s aldus met elkaar verbonden zijn en is van oordeel dat voor de uitleg van de VUT cao tevens aansluiting kan worden gezocht bij hetgeen in de cao Particuliere Beveiliging is bepaald. Het hof gaat hiermee voorbij aan de ter zitting van het hof aangevoerde bezwaren van de zijde van de Stichting tegen het betrekken van deze laatste cao bij de uitleg van artikel 6 van de VUT cao.

4.4

Het hof stelt vast dat ook in de cao Particuliere Beveiliging het begrip onregelmatig-heidstoeslag niet expliciet voorkomt, zoals partijen desgevraagd bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben bevestigd. In artikel 21 van de cao Particuliere Beveiliging is echter wel bepaald, kort samengevat, dat de arbeidstijd door middel van een vast rooster of invulrooster wordt vastgelegd. In artikel 43 van deze cao is voorts onder het kopje ‘beloning bijzondere uren’ bepaald dat voor het verrichten van arbeid tijdens bijzondere uren op het basisuurloon over de gewerkte uren een toeslag moet worden betaald overeenkomstig het opgenomen overzicht, onder meer en voor zover hier van belang, met 10% op weekdagen tussen 18.00 uur en 24.00 uur. Het hof leidt hieruit af dat in de cao Particuliere Beveiliging niet wordt gesproken over een ‘onregelmatigheidstoeslag’ maar over een toeslag voor het werken in de avonduren (een vorm van bijzondere beloning). Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] vanaf de invoering van de objecttoeslag in 2005 steeds heeft gewerkt in een rooster met twee diensten, de ene week werkte hij van 8.00 uur tot 16.00 uur en de week daarna van 16.00 uur tot 24.00 uur (zie onbestreden memorie van grieven pagina 2 en productie 1).
Dit betekent dat [geïntimeerde] in de laatstgenoemde weekperiode deels werkte ná 18.00 uur en hij dus krachtens de cao Particuliere Beveiliging gerechtigd was tot de in artikel 43 genoemde bijzondere beloning voor het werk in de avonduren. Gesteld noch gebleken is dat deze vergoeding als zodanig aan hem is uitgekeerd. Het hof begrijpt dat de zogenoemde objecttoeslag onder meer deze component van 10% toeslag bevatte.

4.5

[geïntimeerde] heeft voorts, onvoldoende bestreden door de Stichting, aangevoerd dat hij ook buiten het genoemde rooster werkzaam was als invaller, piketdiensten draaide en bij calamiteiten beschikbaar moest zijn. Dat hij daarvoor apart betaald kreeg, is onvoldoende komen vast te staan. De voormelde objecttoeslag strekte er daarom tevens toe om deze extra werkzaamheden, lees overwerk, te vergoeden maar dan wel middels een forfaitair bedrag. Het hof overweegt voorts dat gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van zodanig incidenteel overwerk door [geïntimeerde] dat deze ingevolge artikel 6 lid 1 van de VUT cao is uitgesloten van het loonbegrip.

4.6

Daarmee heeft deze ‘objecttoeslag’ naar het oordeel van het hof niets van doen met het begrip ‘objectbeveiling’ zoals de Stichting heeft aangevoerd, nog daargelaten wat dat voor gevolgen zou hebben voor de vaststelling van de ontvangen beloning, maar heeft het karakter van een onregelmatigheidstoeslag als bedoeld in (artikel 6 van) de VUT cao. Het hof verenigt zich dan ook met het oordeel van de kantonrechter dat de in geding zijnde objecttoeslag niets anders is dan een forfaitaire onregelmatigheidstoeslag (er wordt ook gewerkt op uren waarvoor anders een onregelmatigheidstoeslag zou worden gegeven, althans sprake zou zijn van een bijzondere beloning) of in ieder geval een vaste toeslag die in bedragen per periode kunnen verschillen maar waarop de werknemer, behoudens de hoogte van het bedrag, kan rekenen en maakt dit oordeel tot het zijne (rechtsoverweging 4.3 in samenhang met rechtsoverweging 4.2).

4.7

De stelling van de Stichting dat niet sprake is van een - bij de VUT-uitkering in acht te nemen - onregelmatigheidstoeslag omdat [geïntimeerde] volgens een vast rooster werkte, moet gelet op het bovenstaande dan ook worden verworpen. Ook de omstandigheid dat de objecttoeslag een vast bedrag per maand bedroeg, baat de Stichting niet. Immers, gesteld noch gebleken is dat het werkgever en werknemer niet vrij zou hebben gestaan om, zo nodig in afwijking van de cao, een (voor de werknemer gunstiger) afspraak te maken (vergelijk artikel 4 lid 2 cao Particuliere Beveiliging), waarbij het werken op andere dan gebruikelijke kantoortijden alsmede overwerk via een forfaitaire vergoeding wordt vergoed. Daarbij komt dat vaststaat dat [geïntimeerde] in het verleden toen hij volcontinu werkte (in ‘drie ploegendienst”) een onregelmatigheidstoeslag ontving die, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, fluctueerde omdat deze afhankelijk was van de gewerkte uren in de betreffende maand. De onderhavige objecttoeslag is voor deze onregelmatigheidstoeslag in de plaats gekomen terwijl [geïntimeerde], net als voorheen, deels buiten de normale kantoortijden is blijven werken en in zoverre dan ook sprake was van onregelmatige diensten, in de termen van de cao: ‘bijzondere uren’. Weliswaar heeft [geïntimeerde] vanaf 2005 niet meer op reguliere basis ‘s nachts gewerkt maar dat doet daaraan niet af. Voor het overige veranderde er voor hem niets. Hij bleef immers in de avonduren werkzaam. Hij bleef dan ook aanspraak houden op extra vergoeding voor de ná 18.00 uur gewerkte uren.

4.8

Het hof voegt hieraan het volgende toe. De uitleg van [geïntimeerde] moet ook worden onderschreven wanneer gekeken wordt naar de strekking van artikel 6 van de VUT cao. Die strekking behelst, naar het oordeel van het hof, dat wat een werknemer structureel aan inkomsten verdiende tijdens zijn dienstverband, wordt meegenomen bij de berekening van de grondslag voor de VUT-uitkering. Het gaat dan zowel om de normale uren die volgens rooster moesten worden gewerkt ná 18.00 uur als om de (structurele) overuren die na afloop van de normale dienst moesten worden gewerkt en die onder het voorheen bestaande systeem ook als zodanig werden uitbetaald. De zogenoemde objecttoeslag ziet op deze uren en dient ook daarom als een onregelmatigheidstoeslag in de zin van artikel 6 van de VUT cao te worden aangemerkt dan wel tenminste als een (vast) onderdeel van het loon.

4.9

In het vorenstaande ligt besloten dat de door de Stichting voorgestane uitleg van artikel 6 van de VUT cao moet worden verworpen, waarmee de grieven tegen het bestreden vonnis niet opgaan.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de Stichting in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 311,-

- salaris advocaat € 1.896,- (3 punten x tarief I ad € 632,-)

Totaal € 2.207,-.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling Civiel recht, locatie Utrecht) van 1 december 2014;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 311,- voor verschotten en op € 1.896,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.F.J.N. van Osch, F.J. de Vries en G.H. Bunt en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2016.