Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3535

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
200.142.990
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:3145, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schadebegroting, boomschade, esthetische waarde, abstracte schadeberekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.142.990

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 864434)

arrest van 3 mei 2016

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Liander N.V.,

gevestigd te Arnhem,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Liander,

advocaat: mr. F.J. van Velsen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de gemeente Heiloo,

zetelende te Heiloo,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. R. Dijkema.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 mei 2013, 20 november 2013 en 8 januari 2014 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, locatie Arnhem) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep 19 februari 2014 met grieven,

- de schriftelijke conclusie van eis in hoger beroep,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van het stuk dat bij brief van 30 november 2014 door mr. Van Velsen namens Liander is ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De gemeente heeft in eerste aanleg gevorderd dat Liander wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die de gemeente heeft geleden als gevolg van de omstandigheid dat Liander bij werkzaamheden aan een laagspanningkast te Heiloo wortels van een zomereik heeft beschadigd. Deze schade heeft de gemeente, onder verwijzing naar een door Groenadvies Amsterdam B.V. (hierna: Groenadvies) op 16 augustus 2011 uitgebracht schadetaxatierapport gesteld op € 5.318 aan hoofdsom (de zogenaamde boomschade), vermeerderd met wettelijke rente (tot aan de dagvaarding gesteld op € 591,24) en de buitengerechtelijke kosten ad € 847.

3.2

Bij vonnis 20 november 2013 heeft de kantonrechter overwogen een deskundige te zullen benoemen ter beantwoording van de vraag of er schade is ontstaan aan de boom in kwestie en of er nog steeds sprake is van schade en, zo ja: op welk bedrag de schadevergoeding moet worden vastgesteld. In zijn of haar advies, zo vervolgde de kantonrechter, zal de deskundige het rapport van Groenadvies en ook de kritische kanttekeningen van Liander dienen te betrekken. De kantonrechter heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de te benoemen deskundige en de aan hem of haar voor te leggen vragen.

3.3

Van dat tussenvonnis heeft de kantonrechter op verzoek van Liander in het vonnis van 8 januari 2014 tussentijds hoger beroep opengesteld.

4 De beoordeling in tussentijds hoger beroep

4.1

Met haar tussentijds hoger beroep wenst Liander in de eerste plaats een juridisch oordeel van het hof te verkrijgen over de toelaatbaarheid van de wijze waarop Groenadvies Amsterdam de boomschade heeft vastgesteld. Volgens Liander betreft de vraag naar de toelaatbaarheid een rechtsvraag die door de rechter en niet door een deskundige dient te worden beantwoord. Omdat de door Groenadvies gehanteerde methode, het zogenaamde “Rekenmodel Boomwaarde” (hierna: het Rekenmodel) van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB) in veel gevallen wordt toegepast, heeft deze zaak voor Liander een principieel karakter, reden waarom zij ervoor heeft gekozen in deze zaak haar aansprakelijkheid niet te betwisten.

4.2

Het juridisch kader waarbinnen de voorgelegde vraag dient te worden beoordeeld is de vaste rechtspraak van de Hoge Raad die inhoudt dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel van die zaak in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering van die zaak en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten welke met het herstel gemoeid zullen zijn.

Indien de zaak geheel verloren is gegaan, en de zaak een exemplaar is zonder eigen, individueel bepaalde kenmerken, van een soort waarvoor een voor het publiek toegankelijke markt bestaat, zal de eigenaar van de zaak wanneer deze door een onrechtmatige daad geheel en al verloren gaat, door dit verlies een nadeel in zijn vermogen lijden dat in het algemeen moet worden gesteld op de waarde van de zaak in het economische verkeer (de marktwaarde).

4.3

Het gaat hier, zoals Liander steeds heeft benadrukt, om rechtsregels waaraan de methode van de NVTB dient te voldoen wil zij in een civiel geding als het onderhavige tot grondslag van de schadebepaling kunnen dienen. Daarbij dient echter wel te worden bedacht dat deze regels steeds in concrete gevallen dienen te worden toegepast en daarbij zo nodig te worden toegesneden op het desbetreffende schade-object teneinde te realiseren wat deze regels uiteindelijk tot doel hebben, te weten: dat het nadeel dat de gelaedeerde door de zaaksbeschadiging wordt berokkend zo passend (volledig) en doelmatig als mogelijk wordt opgeheven.

4.4

Het Rekenmodel (hierna: het Rekenmodel) is onderdeel van de Richtlijnen van de NVTB 2013 ter bepaling van de monetaire waarde van bomen, zoals overgelegd bij conclusie van repliek (hierna: de Richtlijnen). Die Richtlijnen beschrijven drie methoden, te weten berekening van achtereenvolgens de handelswaarde, de vervangingswaarde en het Rekenmodel Boomwaarde. Die methoden, zo vermelden deze Richtlijnen, “zijn afgeleid uit het schaderecht” en zij moeten bij taxaties “op basis van het schaderecht in de genoemde hierarchische volgorde worden toegepast: de meest concrete methodieken van de handelswaarde of de vervangingswaarde gaan voor het abstracte rekenmodel.”

4.5

De eerste methode (handelswaarde) is toe te passen bij bomen met een primair economische gebruiksfunctie waarbij de financiële handelswaarde bijvoorbeeld op basis van een concrete koopovereenkomst bekend is, en bomen waarvan de waarde direct of indirect van een marktconforme handelswaarde kan worden afgeleid. Daarbij moet, zo begrijpt het hof, onder meer worden gedacht aan voorraden van boomkwekers of aan opstanden productiehout. Deze methode kan, zo impliceert de toelichting, zowel bij enkele beschadiging (zonder noodzaak tot vervanging) als bij het volledig verloren gaan van de boom worden toegepast. Deze methode speelt in de onderhavige zaak verder geen rol.

4.6

De tweede concrete methode, die naar vervangingswaarde, vereist dat de beschadigde boom, die geen primair economische gebruiksfunctie mag hebben (gehad) in dat geval wordt immers de eerste methode gehanteerd geheel verloren is gegaan en/of beheertechnisch onherstelbaar is beschadigd, en dat er een noodzaak is tot vervanging daarvan op dezelfde locatie. Daarbij gaat het om bomen met een lokale functie, gekoppeld aan de standplaats. Dit zijn naar het hof begrijpt bomen, vaak grotere althans markante exemplaren, die ter plaatse niet kunnen worden gemist en derhalve in beginsel door een vergelijkbaar exemplaar moeten worden vervangen. Die vervanging moet “boomtechnisch” wel reëel zijn, hetgeen vooral bij zeer oude volgroeide exemplaren - gezien de kleine(re) kans van aanslaan - een beperking zal zijn. Voor dergelijke exemplaren geldt voorts dat deze maar beperkt en tegen hoge prijzen bij gespecialiseerde kwekers verkrijgbaar zijn. Ook deze methode is in dit geding niet aan de orde.

4.7

Voor de gevallen waarin de eerste noch de tweede methode toepasbaar is, zoals wanneer vervanging door een gelijkwaardig (ouder) exemplaar niet aan de orde is, voorziet de derde methode, het Rekenmodel, in een waardebepaling op basis van de stichtingskosten. Dit zijn de kosten die nodig zijn voor het (op den duur) verkrijgen van een vergelijkbare boom op dezelfde locatie. Daartoe wordt aan de hand van variabelen als de “functievorm” van de boom, de verwachte levensduur en de “investeringsbereidheid”, in abstracto bepaald welke kosten moeten worden gemaakt totdat de boom zijn moment van functievervulling heeft bereikt. Het gaat daarbij om het totaal van de kosten van het plantgoed zoals dat voor dergelijke bomen op dergelijke locaties in het algemeen wordt ingeboet en de jaarlijks te maken specifieke begeleidingskosten, zoals die van snoei. Aldus neemt de waarde van de boom tot het moment van functievervulling jaarlijks toe. Na het moment van functievervulling begint een periode van jaarlijkse afschrijving, waardoor de waarde weer daalt.

4.8

Ingeval van boombeschadiging wordt vervolgens door middel van 6 optionele schadecomponenten de boomschade berekend. De componenten vervroegde uitval (D1), risico van uitval (D2) en waardevermindering door verlies van functioneel weefsel (D3) staan steeds in direct verband met de boomwaarde zoals die op de zojuist geschetste wijze wordt bepaald. De overige, los van die boomwaarde te bepalen, componenten, zijn de directe behandelkosten (D4), de verhoogde toekomstige beheerskosten (D5) en de bijkomende (overige) kosten (D6).

4.9

In het schadevergoedingsrecht impliceert de constatering dat de beschadiging niet zodanig is dat de zaak als geheel verloren moet worden beschouwd, normaliter dat herstel mogelijk is. In de onderhavige zaak wordt de vraag of herstel mogelijk is echter gecompliceerd door de omstandigheid dat het schade-object een boom is, een levend organisme dat de bijzonderheid heeft dat het zichzelf zal kunnen herstellen. Zal kunnen, want beschouwt men herstel zuiver feitelijk als het terugbrengen in de oorspronkelijke vorm, dan is dat bij beschadiging van een boom vaak niet mogelijk, althans niet meteen. Wel kan de eigenaar van de boom proberen het proces van natuurlijk herstel te stimuleren en te begeleiden, zodanig dat de oorspronkelijke vorm weer wordt bereikt. Indien het herstel wordt benaderd vanuit de functie die de boom voor de eigenaar heeft, is herstel slechts aan de orde indien de functievervulling door de beschadiging is aangetast. Bij herstel kan dan worden gedacht aan maatregelen die nodig zijn om te bewerkstelligen dat de boom die functie weer in vergelijkbare vorm kan vervullen. Ook met het herstel in deze zin kan tijd gemoeid zijn en het is niet altijd zeker dat het herstel volledig zal zijn.

4.10

Het komt het hof voor, en ook partijen lijken op dit punt niet wezenlijk van mening te verschillen, dat deze laatste herstelkosten, gerelateerd aan de functie, voor vergoeding in aanmerking komen. Een beschadiging is rechtens relevant wanneer daarmee de functie van de boom wordt aangetast. Daarmee leidt de eigenaar een nadeel dat dient te worden opgeheven door vergoeding van de objectieve kosten die nodig zijn om dit nadeel op te heffen, of, zoals bij bomen doorgaans het geval zal zijn, zo veel als mogelijk en redelijk is te bestrijden. Dat geldt ook wanneer de boom, zoals in deze zaak, onderdeel is van het openbaar groen. Tussen partijen is niet in geschil dat (ook) bomen in de openbare ruimte een belangrijke ecologische en esthetische functie (kunnen) hebben. Omdat de gemeente geldt als eigenaar van de boom en bevoegd is om de aanwezigheid van die boom, met het oog op die functies te waarborgen, is zij ook degene die vermogensschade kan lijden wanneer de hiervoor bedoelde maatregelen nodig zijn. Het gaat dan steeds om de extra kosten als gevolg van de beschadiging die nodig zijn om de boom te verzorgen en om te controleren en zo nodig te bewerkstelligen dat deze geen (extra, door de beschadiging veroorzaakt) gevaar voor zijn omgeving oplevert.

4.11

Het nadeel dat de eigenaar van een boom als gevolg van de beschadiging leidt, bestaat feitelijk echter ook in de omstandigheid dat volledig herstel in de oorspronkelijke functie onzeker is en in elk geval tijd vergt. De realiteit is anders gezegd dat de eigenaar na de beschadiging zit met een kwetsbaardere en/of tijdelijk en wellicht blijvend minder toonbare boom. De kernvraag van deze zaak is of dit nadeel, bestaande in de al dan niet tijdelijk beperkte functie en belevingswaarde van de boom en/of de mogelijke aantasting van diens gezondheid, het risico op uitval, ook leidt tot een rechtens relevante waardevermindering en vermogensschade voor de gemeente oplevert. Aansluitend is aan de orde of deze schade door het Rekenmodel op juiste wijze wordt vastgesteld.

4.12

Anders dan Liander wil, ziet het hof voldoende reden om de eerste vraag bevestigend te beantwoorden. De omstandigheid waaraan Liander lijkt voorbij te zien is het gegeven dat de waarde die de aanwezigheid van een gezonde boom ter plaatse vertegenwoordigt mede tot uitdrukking komt in de kosten die de gemeente – ten behoeve van het algemeen nut – bereid is te maken om die aanwezigheid te faciliteren. Indien een beschadiging ertoe leidt dat een boom voortijdig uitvalt of deze al dan niet tijdelijk zijn functie niet of minder goed kan vervullen bijvoorbeeld in esthetisch opzicht, doordat hij minder fraai oogt of minder privacy of beschutting biedt, dan wel in ecologisch opzicht kunnen deze kosten worden geacht hun doel in zoverre te hebben gemist. Die gedachte biedt, zo komt het hof voor, een valide, bij de aard van de boomschade passend uitgangspunt om het nadeel dat de gemeente door de beschadiging van de boom lijdt wanneer herstel niet meteen mogelijk is, op doelmatige en rechtvaardige wijze op te heffen. In die opzet komt aan het bezwaar dat de gemeente wettelijk en boekhoudkundig gezien geen kosten mag activeren, geen betekenis toe. De vraag of het Rekenmodel ook buiten gevallen van schadeberekening voor taxatiedoeleinden mag worden gebruikt, is hier niet aan de orde.

4.13

Voorts strookt het met de doelstellingen van het schadevergoedingsrecht en met het bepaalde in artikel 6:97 BW om, buiten de tamelijk schaarse gevallen waarin concrete schadeberekening mogelijk is omdat een handelswaarde aanwezig en bekend is, of waarin onmiddellijke vervanging door een gelijkwaardig exemplaar is aangewezen, een model op te stellen waarmee de schade aan “gewone park-, laan- en straatbomen”, schade die zoals Liander zelf stelt frequent en op grote schaal voorkomt, snel en doelmatig af te wikkelen.

4.14

Dat belang lijkt te worden gediend door een methode zoals die van het Rekenmodel, een methode waarmee wordt beoogd om de schade zoveel mogelijk ineens, kort na de beschadiging, te begroten. Liander bekritiseert deze aanpak mede met het argument dat op deze wijze zou worden geabstraheerd van de omstandigheid of er schade is geleden: dat zou pas (veel) later kunnen blijken. Gaat men echter, zoals hierboven is gedaan, uit van de gedachte dat een relevante beschadiging, een aantasting van de functie, op zichzelf reeds (vermogens)schade kan vertegenwoordigen, dan houdt de methode van het rekenmodel niets wezenlijk anders in dan het begroten van de schade aan de hand van het schatten van de goede en kwade kansen. Juist gelet op de grote aantallen waarin dergelijke beschadigingen voorkomen en de ruime mate van tijd die vaak zal zijn verstreken voordat duidelijk is geworden of de boom zich heeft weten te herstellen, verdient een dergelijke aanpak de voorkeur boven het afwachten tot een eindtoestand is bereikt om vervolgens, in geval van uitval, kostbare procedures te moeten voeren over de vraag of deze uitval in causaal verband staat met de beschadiging. Het tijdsverloop compliceert immers een zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid komende schadeberekening doordat zich intussen andere mogelijke oorzaken van uitval kunnen voordoen. Het is bovendien niet onaannemelijk dat de realiteit dan vaak zal blijken te zijn dat de gemeente, wanneer een boom jaren na de beschadiging is uitgevallen, gelet op de bewijsproblemen en de te verwachten kosten van een aansprakelijkheidstelling zal afzien. Dat zou Liander feitelijk een ongerechtvaardigd voordeel (kunnen) opleveren. De keerzijde is het risico dat Liander in een concreet geval op voorhand “uitvalschade” betaalt, terwijl de desbetreffende boom zich volledig herstelt. Dat risico kan echter bij een juiste vaststelling van de goede en kwade kansen gerechtvaardigd worden doordat in andere gevallen, waarin onverhoopt toch volledige uitval van de boom volgt, slechts een deel van die schade wordt vergoed. Bevoordeling en benadeling vallen dan tegen elkaar weg.

4.15

Teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre het Rekenmodel in zijn huidige opzet met voornoemde uitgangspunten in overeenstemming is, heeft het hof behoefte aan nadere voorlichting. Daarbij gaat het om te beginnen om een uitgebreide toelichting van de NVTB hoe en door wie het huidige Rekenmodel tot stand is gekomen, met wie daarover overleg is gepleegd en welke expertise daarbij is betrokken, met bijzondere aandacht voor de vraag waarop de gemaakte inschatting van de goede en kwade kansen is gebaseerd. Voorts heeft het hof behoefte aan een gedetailleerde toelichting op het model zelf. Om te beginnen met de bepaling van de boomwaarde en de (gedachte achter en de noodzaak van) de vele daarbij te betrekken variabelen. Verder dient nader inzichtelijk te worden gemaakt hoe in het Rekenmodel de relatie tussen de feitelijke beschadiging van de boom en de aantasting van diens functie wordt gelegd en hoe de verschillende percentages zijn bepaald. Ten slotte zou het hof ook graag van het NVTB vernemen hoe het onder 4.12 vermelde uitgangspunt zich naar haar mening verhoudt tot de waardebepaling volgens het Rekenmodel, meer in het bijzonder de wijze waarop - zoals in de grafiek op bladzijde 12 van de Richtlijnen is weergegeven - de waarde en schade variëren met het tijdsverloop.

4.16

Het hof zal de gemeente als de meest gerede partij in de gelegenheid stellen de gevraagde informatie bij akte in het geding te brengen, waarna Liander zal kunnen reageren. Aansluitend stelt het hof zich voor om, zo de nadere gegevens daartoe aanleiding geven, met partijen op een meervoudige comparitie nader te bezien op welke wijze (bijvoorbeeld door inschakeling van een of meer deskundigen, aan wie ter zitting vragen kunnen worden gesteld) kan worden vastgesteld of en zo ja: hoe het Rekenmodel dient te worden aangepast.

4.17

Gelet op het principiële karakter van de zaak, zal het hof overeenkomstig het subsidiaire verzoek van Liander op de voet van artikel 401a lid 2 Rv bepalen dat van dit tussenarrest beroep in cassatie mogelijk is.

4.18

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in tussentijds hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 14 juni 2016 voor het nemen van een akte zijdens de gemeente;

bepaalt dat van dit arrest beroep in cassatie mogelijk is;

houder verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, H.E. de Boer en I.E. van Wijland-Kalkman, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2016.