Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3505

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
21-001811-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaard dat verdachte het slachtoffer

- meermalen tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt

- met kracht een vuistslag tegen het gezicht heeft gegeven.

Geslaagd beroep op noodweer t.a.v. het onder het eerste gedachtestreepje bewezenverklaarde handelen. In zoverre ontslag van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaarde levert op: mishandeling.

Geslaagd beroep op noodweerexces t.a.v. het onder het tweede gedachtestreepje bewezenverklaarde handelen. OVAR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001811-15

Uitspraak d.d.: 3 mei 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 22 januari 2015 met parketnummer 05-214560-14 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.P.T. Peters, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing omtrent de strafbaarheid komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 1 oktober 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) heeft gestompt en/of geslagen in/op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam , ten gevolge waarvan die [aangeefster] op de grond is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 1 oktober 2014 te [pleegplaats] [aangeefster] heeft mishandeld door - meermalen althans eenmaal, te stompen en/of te slaan op/tegen het lichaam, en/of - meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) te stompen en/of te slaan in/op/tegen het gezicht/hoofd,

ten gevolge waarvan die [aangeefster] op de grond is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het hof acht op grond van de wettige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte aangeefster meermalen tegen het lichaam heeft geslagen tijdens een handgemeen in de woning van aangeefster en dat hij haar een vuistslag tegen het hoofd heeft gegeven toen zij eenmaal buiten de woning stonden. Net als de politierechter vindt het hof niet bewezen dat het handelen van verdachte een poging tot zware mishandeling oplevert, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof zal bewezen verklaren dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de mishandeling van [aangeefster].

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
hij op of omstreeks 1 oktober 2014 te [pleegplaats] [aangeefster] heeft mishandeld door - meermalen althans eenmaal, te stompen en/of te slaan op/tegen het lichaam, en/of - meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) te stompen en/of te slaan in/op/tegen het gezicht/hoofd,

ten gevolge waarvan die [aangeefster] op de grond is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Beroep op noodweer, strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Verdachte heeft consequent verklaard dat hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf door aangeefster. Verdachte werd in de woning van aangeefster door haar geslagen met een sleutelbos. Verdachte heeft geprobeerd zich hieraan te onttrekken door haar (weg) te duwen. Door de [getuige A] is gezien dat verdachte al vechtend met aangeefster naar buiten kwam. Eenmaal buiten heeft verdachte haar met de vuist in het gezicht geslagen om aangeefster tot stoppen te brengen. Er was sprake van een noodweersituatie waartegen noodzakelijke verdediging geboden was, aldus de raadsman.

Op grond van op de bewijsmiddelen kan het hof niet vaststellen wat de precieze aanleiding voor het handgemeen tussen verdachte en aangeefster is geweest, maar duidelijk is dat zij beiden onder invloed van alcohol waren en over en weer hebben geslagen toen zij zich nog in de woning van aangeefster bevonden. Hierover heeft [getuige A] ook verklaard. Volgens [getuige A] ging het er heftig aan toe en deelden beiden forse tikken uit. Aangeefster ging volgens hem door het lint en sloeg verdachte meermalen met een sleutelbos. De verklaring van verdachte dat hij werd geslagen met een sleutelbos, wordt ook gesteund door het feit dat er nabij aangeefster buiten de woning een sleutelbos is aangetroffen.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte zich in de woning heeft moeten verdedigen tegen het fysieke geweld van aangeefster. Het beroep op noodweer slaagt voor wat betreft het meermalen stompen en slaan tegen het lichaam van aangeefster.

Het subsidiair bewezenverklaarde, voor zover het betreft het onder het eerste gedachtestreepje bewezenverklaarde handelen, levert daarom geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof denkt daar anders over ten aanzien van de vuistslag die verdachte de aangeefster tenslotte buiten, voor de woning, heeft gegeven, waardoor zij op de grond viel en een hoofdwond heeft opgelopen. Door zo te handelen heeft hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Voor dat gedeelte van de bewezenverklaring komt hem daarom geen beroep op noodweer toe.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Beroep op noodweerexces, strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat in het geval het hof van oordeel zou zijn dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, die overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van de hevige gemoedstoestand waarin verdachte op dat moment verkeerde. Hij was volledig in paniek toen hij de vuistslag gaf. Aangeefster bleef verdachte achtervolgen en belette hem om zich aan de situatie te onttrekken, terwijl hij al naar buiten was gevlucht. In de paniek die bij hem is ontstaan door de wederrechtelijke aanranding door aangeefster heeft hij haar de vuistslag gegeven. Volgens de raadsman komt hem een beroep toe op noodweerexces en dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof vindt het aannemelijk geworden dat de laatste klap is gegeven als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de aan deze klap voorafgaande wederrechtelijke aanranding door aangeefster. Voor de bewezenverklaarde vuistslag slaagt het beroep op noodweerexces.

De verdachte is ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde, voor zover betreffende het onder het tweede gedachtestreepje bewezenverklaarde handelen, niet strafbaar en dient daarom ook in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.769,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het primaire tenlastegelegde en ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 41 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde, voor zover betreffende het eerste gedachtestreepje, niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde, voor zover betreffende het tweede gedachtestreepje, strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr. R. van den Heuvel, voorzitter,

mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr. H.H.M. van Dijk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.P. Rekmans-Snijder, griffier,

en op 3 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.