Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3502

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
15/01549 en 15/01550
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:6876, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Eén of meer economische activiteiten? Belaste reclamediensten en onbelastbare fondswervende activiteiten. Via restaurants inzamelen van donaties voor voedselbanken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1072
V-N 2016/36.1.4
FutD 2016-1207
NTFR 2016/1608 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 15/01549 en 15/01550

uitspraakdatum: 3 mei 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 november 2015, nummers AWB 14/7556 en 14/7558, in de gedingen tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van de gedingen

1.1

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 5.227.

1.2

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 juli 2013 tot en met 30 september 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 606.

1.3

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 12 september 2014 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 12 november 2015 ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] , penningmeester van belanghebbende, en mr. [B] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [D] .

1.8

Partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is [in] 2012 opgericht op initiatief van Stichting [E] (hierna: [E] ) en [F] (hierna: [F] ). Bij [E] zijn de lokale en regionale voedselbanken in Nederland aangesloten. Volgens het overgelegde uittreksel van de inschrijving van belanghebbende bij de Kamer van Koophandel heeft belanghebbende ten doel het ondersteunen van goede doelen op het gebied van bestrijding van honger en/of voedselverspilling in Nederland in het algemeen en van de [E] (of haar rechtsopvolger) in het bijzonder.

2.2

Op 11 december 2012 heeft [F] een businessplan uitgebracht. Hierin is vermeld dat het concept “ [G] ” is ontwikkeld om een bijdrage te kunnen leveren aan de dekking van de operationele kosten van de voedselbanken. Belanghebbende hanteert hiervoor een concept waarbij gasten van restaurants een donatie ten behoeve van de voedselbanken kunnen doen van € 1 per tafel (rekening), waarbij de doelstelling is 100% van die donatie aan de voedselbanken ten goede te laten komen. Het concept is afgeleid van de fondsenwerving onder de naam ‘ [H] ’, zoals die onder meer in Zuid-Afrika en het Verenigd Koninkrijk wordt toegepast. Belanghebbende heeft in verband hiermee restaurants benaderd om het concept uit te voeren. In het businessplan is over het concept onder andere het volgende opgenomen:

“Belangrijk is te onderkennen dat door het uitrollen van die concept over heel Nederland het concept en de conceptnaam als zodanig ook een bepaalde waarde krijgt. Zodanig zelfs dat er een omslagpunt zal komen waarop restaurants om marketing technische redenen mee willen doen met [G] . Onderdeel van het concept is dan ook dat er aan de deelnemende restaurants een deelname fee gevraagd wordt. In de beginfase zal de toegevoegde waarde van de naam [G] nog niet zoveel toegevoegde waarde hebben voor de deelnemende restaurants. In de beginfase zal er dus met kortingen (oplopend tot 100%) gewerkt moeten worden om volume in aantal restaurants te verkrijgen. Bij voldoende restaurants gaat het vliegwiel werken en krijgt het concept an sich een waarde voor restaurants om mee te doen.

De netto opbrengsten, naast eventuele specifieke landelijke projectkosten, worden verdeeld, via de Stichting [E] , over alle voedselbanken ter financiering van een belangrijk deel van de operationele kosten. (…)” (pagina 4)

De Stichting [X] is voornemens de volgende activiteiten uit te voeren

► Het uitvoeren van een lokale pilot om de logistieke opzet, benadering van restaurants en marketing-uitingen binnen de restaurants te testen

► Evalueren van de pilot en zo nodig aanpassingen doorvoeren

► Ontwikkelen marketingmaterialen voor gebruik landelijke aftrap/uitrol

► Het optuigen van een landelijke kick-off

► De landelijke kick-off wordt gevolgd door een continue landelijke campagne.

► De stichting wil vanaf 2015 self-supporting zijn, dit wordt gerealiseerd door het werven van fondsen en samenwerkingen met het bedrijfsleven en door middel van het afbouwen van de startkortingen van de deelnemersfee van de deelnemende restaurants.

► De stichting is het aanspreekpunt voor de Voedselbanken en haar vrijwilligers omtrent de [G] actie. De stichting zal voorzien in informatie (en training indien nodig) aan de Voedselbanken, geselecteerde vrijwilligers en stakeholders

► De stichting ontwikkeld een marketingcommunicatie campagne en voert deze uit

► De stichting is tijdens de pilot, landelijke kick-off en landelijke uitrol verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van de marketing en operationele processen” (pagina 6)

“Al snel zal [G] als een keurmerk dienen voor restaurants en alle andere aangesloten partijen. Wanneer het uitgroeit tot een landelijk gedragen initiatief is niet meedoen voor restaurants geen optie. (…)” (pagina 7)

“De marketingdoelstellingen bestaan uit

► Het realiseren en uitbreiden van de naamsbekendheid

► Binding van de doelgroepen (bezoekers restaurants, restaurants) aan het merk [G]

► Optuigen en vormgeven van samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven

► Permanente publiciteit van [G] genereren

► De permanente publiciteit aanvullen met gerichte en prikkelende éénmalige marketingacties om de overkill van het concept tegen te gaan” (pagina 10)

2.3

In 2013 heeft belanghebbende een pilot uitgevoerd bij restaurants in [I] . Aan deze restaurants is geen vergoeding in rekening gebracht. In 2014 is een nieuwe pilot in de omgeving [J] en [K] gestart. Hieraan hebben 33 restaurants meegedaan. Deze restaurants hebben gedurende een jaar een korting van 80% gekregen op de vergoeding van € 8,33 per maand, zodat zij een vergoeding van € 1,66 per maand exclusief btw hebben betaald. Belanghebbende heeft aan de deelnemers hiertoe een factuur uitgereikt en daarbij 21% btw in rekening gebracht.

2.4

Belanghebbende verstrekt aan de deelnemende restaurants een informatiepakket bestaande uit diverse on- en offline communicatiematerialen. Zo verstrekt zij stickers voor op de voordeur van het restaurant, visitekaartjes voor op de tafels, een instructiepakket ten behoeve van het personeel en banners voor de website van het restaurant.

2.5

Belanghebbende heeft een eigen website waarop de deelnemende restaurants worden vermeld. Hierop is informatie vermeld over de wijze waarop restaurants kunnen deelnemen en de voorwaarden die daarvoor gelden. Tevens voert belanghebbende een landelijke publiciteitscampagne.

2.6

In het jaar 2013 heeft belanghebbende via de deelnemende restaurants € 334 aan donaties ontvangen ten behoeve van de voedselbanken. Op haar balans per 31 december 2013 is dit bedrag als schuld aan [E] opgenomen. Belanghebbende heeft in 2013 twee donaties ontvangen, € 25.000 van [E] en € 45.000 van het [L] Fonds. Hiermee heeft belanghebbende in 2013 de projectkosten van € 68.213 (organisatiekosten/materiaalkosten pilot project en kosten ontwikkeling website) en algemene kosten van € 4.363 gefinancierd.

2.7

Belanghebbende heeft bij brief van 5 maart 2013 de Inspecteur bericht dat zij heeft begrepen dat de Inspecteur haar niet als ondernemer voor de btw aanmerkt. In deze brief heeft belanghebbende de Inspecteur geïnformeerd over haar activiteiten en uiteengezet op welke gronden zij van mening is dat zij als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) moet worden aangemerkt. Zij verzoekt bevestiging van haar standpunt.

2.8

Omdat belanghebbende nog geen antwoord op haar brief had ontvangen, is namens haar op 23 mei 2013 telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst en is verzocht om te worden opgenomen als ondernemer voor de omzetbelasting. In de bijlage bij de brief van 29 mei 2013 van de Belastingdienst Amsterdam is vermeld dat belanghebbende belastingplichtige is voor de omzetbelasting.

2.9

Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2013 tot en met 30 juni 2013 en het tijdvak 1 juli 2013 tot en met 30 september 2013, welke aangiften leidden tot verzoeken om teruggaaf van respectievelijk € 5.227 en € 606. Deze teruggaven zijn op 23 augustus 2013 en 25 oktober 2013 verleend.

2.10

De Inspecteur heeft bij brieven van 24 september 2013 en 26 november 2013 het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet kwalificeert als ondernemer voor de omzetbelasting.

2.11

Naar aanleiding hiervan heeft de Inspecteur de met betrekking tot de onderhavige tijdvakken verleende teruggaven ongedaan gemaakt door het opleggen van de thans in geschil zijnde naheffingsaanslagen met dagtekening 24 december 2013.

2.12

Belanghebbende heeft een in november 2014 gesloten contract met een restaurant in [J] als voorbeeld overgelegd. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“1. De horecagelegenheid zal zich [met pen is toegevoegd: “vanaf 1 december 2014”] gedurende de periode voor een half jaar inzetten om donaties voor de voedselbank te incasseren middels 1 euro extra per tafel te berekenen. Deze donaties zullen direct ten goede komen aan de Voedselbanken.

2. De horecagelegenheid zal een speciale knop in de kassa programmeren waarin de donaties belastingvrij kunnen worden aangeslagen.

3. De horecagelegenheid zal door [X] worden voorzien van marketingmateriaal, zoals: kaartjes voor op de tafel, kaartjes om bij de rekening te geven en stickers voor op de voordeur.

4. De horecagelegenheid zal een banner ontvangen van [X] die zij op hun eigen website kunnen plaatsen.

5. De horecagelegenheid zal een vermelding krijgen op de website van [X] waarin zij worden gepresenteerd door middel van een foto en een stuk tekst. (…)

6. Na deelname zal de horecagelegenheid een vermelding krijgen op de Facebooksite van [X] .

7. Maandelijkse kosten voor de horecaondernemer zijn € 1,66 per mand voor het eerste half jaar. Bij verlenging na dit halfjaar zullen de deelname kosten € 1,66 blijven. Indien de horecaondernemer en [X] na een jaar de samenwerking voortzetten worden de deelnamekosten verhoogd tot € 8,33 per maand. Deze inkomsten zullen gebruikt worden om de gemaakte kosten zoals marketingmateriaal te bekostigen.”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Primair is in geschil of belanghebbende voor al haar activiteiten ondernemer is voor de heffing van omzetbelasting. Subsidiair is in geschil of belanghebbende volledig recht op aftrek van voorbelasting heeft. Meer subsidiair is in geschil of belanghebbende aan de brief van 29 mei 2013 en de verleende teruggaven het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat zij wordt aangemerkt als belastingplichtige voor de heffing van omzetbelasting en dat zij recht heeft op aftrek van alle aan haar in rekening gebrachte voorbelasting.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij voor alle activiteiten moet worden aangemerkt als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting en dat alle aan haar in rekening gebrachte voorbelasting aftrekbaar is. De donaties worden geïnd door de restaurants en niet door belanghebbende. De restaurants storten de donaties op de rekening van belanghebbende, die de donaties doorstort naar [E] . Belanghebbende doet dus niet aan fondsenwerving voor [E] . Indien al fondsenwerving plaatsvindt, is deze ondergeschikt aan de reclamediensten zodat belanghebbende toch gerechtigd is alle voorbelasting af te trekken. Deze fondsenwerving betreft namelijk het werven van subsidies om de organisatorische kosten van belanghebbende te dekken. Het is de bedoeling om uiteindelijk alle organisatorische kosten van belanghebbende te dekken uit de vergoedingen van de restaurants. Tot de kritische massa is bereikt, is dit niet mogelijk. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat zij aan de brief van 29 mei 2013 en de verleende teruggaven het vertrouwen kan ontlenen dat haar standpunt juist is.

3.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende wel economische activiteiten verricht, namelijk reclamediensten aan de restaurants, maar dat deze ondergeschikt zijn aan de fondswervende activiteiten. Het zijn juist de fondswervende activiteiten waarvoor belanghebbende is opgericht. De Inspecteur verwijst naar de statuten van belanghebbende, naar het uittreksel van de Kamer van koophandel en de eigen uitlating van de gemachtigde van belanghebbende. Belanghebbende vergaart fondsen voor de voedselbanken en stort deze door, hetgeen de vraag oproept of belanghebbende soms vrijgestelde financiële prestaties verricht, namelijk handelingen betreffende overmakingen van geld. Het lijkt erop dat de economische activiteiten in de weg staan aan de verwezenlijking van de hoofddoelstelling van belanghebbende, te weten de fondsenwerving voor [E] . In de onderhavige tijdvakken heeft belanghebbende voor de reclamediensten geen vergoeding ontvangen. Er dient voor deze tijdvakken een pre pro rata te worden vastgesteld. Deze pre pro rata moet op 0% worden gesteld. Belanghebbende onderbouwt niet waarom van de pre pro rata zou moeten worden afgeweken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel dient te worden verworpen.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Primair is in geschil of belanghebbende één economische activiteit (belaste reclamediensten) verricht of twee activiteiten (belaste reclamediensten en onbelastbare fondswervende activiteiten ten behoeve van [E] ). Niet langer is in geschil dat belanghebbende vanwege de belaste reclamediensten ondernemer is voor de omzetbelasting.

4.2

Uit de Business Case, de (huidige) tekst van de website van belanghebbende en de verklaring ter zitting leidt het Hof af dat de feitelijke activiteiten van belanghebbende bestaan uit het opzetten en uitvoeren van een campagne om restaurants te bewegen mee te doen aan een inzamelingsactie. Via sociale media, een internetsite, tv, kranten en bezoeken aan restaurants probeert belanghebbende de bekendheid van de inzamelingsactie te vergroten en zoveel kritische massa te genereren, dat restaurants geen andere keuze hebben dan mee te doen. Belanghebbende heeft verklaard dat zij hoopt in dat stadium van de restaurants een kostendekkende vergoeding te zullen ontvangen. Belanghebbende ontwerpt materialen, zoals stickers en kaarten, en stelt publiciteitspakketten samen. Ook ziet belanghebbende erop toe dat de restaurants een speciale knop op de kassa programmeren voor het registreren van de donaties en behoudt zij zich het recht voor inzage te krijgen in de administratie van de restaurants om de opbrengsten te controleren. Tevens verzorgt belanghebbende het doorbetalen van de donaties aan [E] . De restaurants kopen de publiciteitspakketten en krijgen het recht om de actie van belanghebbende (naam en logo) te gebruiken om reclame te maken voor hun eigen bedrijf. De feitelijke en onmiddellijke activiteiten van belanghebbende zijn dus gericht op het werven van deelnemende restaurants en het controleren van de donaties conform de met de restaurants gemaakte afspraken. Ook de desgevraagd door belanghebbende genoemde kosten (de advieskosten voor het opstellen van de Business Case, het ontwerpen en maken van de materialen en de inhuur van twee oproepkrachten om de restaurants te bezoeken) ondersteunen de conclusie dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende bestaan uit het werven van restaurants en het opstarten en uitvoeren van de campagne die in de Business Case is beschreven. Niet is gebleken dat belanghebbende voor [E] en de aangesloten lokale voedselbanken meer doet dan voorlichting geven over wat de campagne inhoudt. Het voorgaande voert het Hof tot de conclusie dat belanghebbende primair belaste, economische activiteiten verricht en dat de fondswervende aspecten ten behoeve van [E] het gevolg daarvan zijn. Belanghebbende heeft dan ook het recht om de aan haar in rekening gebrachte voorbelasting volledig af te trekken.

4.3

Dat het uiteindelijke doel van belanghebbende is gelegen in het – via de restaurants – inzamelen van donaties voor [E] , doet hieraan niet af (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (hierna: HvJ) van 6 april 1995, zaak C-4/94, BLP Group plc). Dat het uiteindelijke doel als statutaire doelomschrijving in de officiële stukken van belanghebbende is opgenomen, betekent, gelet op het doorslaggevende belang dat aan de feitelijke werkzaamheden moet worden toegekend, niet dat aan de vastgelegde doelstelling toch meer belang moet worden gehecht. Het honoreren van het andersluidende standpunt zou tot gevolg hebben dat het te gemakkelijk wordt om via een wijziging van de officiële stukken een bepaalde omzetbelastingbehandeling deelachtig te worden.

4.4

Dat, zoals de Inspecteur heeft aangevoerd, belanghebbende als gevolg van de doorstorting van de donaties tevens als kassier optreedt en in zoverre vrijgestelde prestaties zou verrichten, doet hier evenmin aan af. Het doorstorten van gelden maakt onverbrekelijk onderdeel uit van het concept dat belanghebbende aan de restaurants aanbiedt waarbij alle donaties bij [E] terecht moeten komen. Er is geen sprake van een afzonderlijk te onderkennen vrijgestelde prestatie en een hieraan toe te rekenen vergoeding. Ook de door belanghebbende uitgevoerde controles maken onderdeel uit van het concept dat belanghebbende aanbiedt. Tot slot is niet van belang of het vragen van een vergoeding voor de reclamediensten wellicht aan het slagen van de actie in de weg staat. Of een bedrijfsmodel levensvatbaar is, is iets dat alleen de ondernemer aangaat.

4.5

Het Hof komt tot het oordeel dat het gelijk op het primaire punt aan belanghebbende is. De naheffingsaanslagen zijn ten onrechte opgelegd en dienen te worden vernietigd. De overige geschilpunten behoeven geen behandeling.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

5.1

Belanghebbende heeft verzocht om de Inspecteur in de werkelijke proceskosten te veroordelen. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Deze regel sluit niet uit dat ook in andere gevallen – bijvoorbeeld indien het bestuursorgaan verregaand onzorgvuldig handelt – aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb (zie HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

5.2

Belanghebbende voert ter onderbouwing van haar verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten tot en met de hogerberoepsfase het volgende aan. De intentie van belanghebbende is altijd geweest een vergoeding te vragen voor de belaste reclamediensten. De gemachtigde heeft de Inspecteur gewezen op de toepasselijke jurisprudentie van het HvJ. Hieruit blijkt dat het gelijk aan belanghebbende is. Ook de Rechtbank heeft dit miskend en tegen beter weten in een onjuist oordeel gegeven.

5.3

De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende. De intentie van een belastingplichtige is niet doorslaggevend. De Inspecteur mag vragen om objectieve gegevens om deze intentie te onderbouwen. De Inspecteur wijst op het hoorverslag, waarin om meer gegevens is gevraagd. Belanghebbende heeft deze gegevens niet verstrekt.

5.4

Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de Inspecteur het verwijt treft dat bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen reeds duidelijk was dat die belastingaanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden. Evenmin geeft de handelwijze van de Inspecteur aanleiding om van de forfaitaire bedragen in het Bpb af te wijken. Belanghebbende heeft tijdens de eerste pilot in [I] geen vergoeding aan de restaurants gevraagd en op de website van belanghebbende stond destijds niets vermeld over een door de restaurants te betalen vergoeding. Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat met deze restaurateurs niet over een vergoeding is gesproken. De in de Business Case opgenomen intentie om een vergoeding in rekening te brengen aan de restaurants is pas later, na afloop van de onderhavige tijdvakken, in praktijk gebracht tijdens de tweede pilot in [J] , zij het met een aanzienlijke korting van 80% tijdens het eerste jaar. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de latere ontwikkelingen tijdens de tweede pilot zijn standpunt over het ondernemerschap van belanghebbende gewijzigd. Gelet op al deze feiten en omstandigheden kan de Inspecteur geen verwijt worden gemaakt dat een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Het Hof ziet evenmin aanleiding aan belanghebbende een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat de Rechtbank tegen beter weten in een onjuist oordeel zou hebben gegeven of verregaand onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Belanghebbende heeft geen begin van bewijs geleverd voor haar standpunt. Niet is gebleken dat de Rechtbank enig verwijt kan worden gemaakt.

5.4

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 246 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift), € 992 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor zitting) en € 992 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor zitting), ofwel in totaal op € 2.230.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vernietigt de naheffingsaanslagen,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.230,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 328 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 497 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en
mr. R.A. Wolf, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 3 mei 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(de griffier is verhinderd te tekenen)

(A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 3 mei 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.