Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:3440

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
200.184.041/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Geen noodzaak tot nader onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.184.041/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/159439 / JE RK 15-561)

beschikking van 26 april 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J. Zennipman te Den Haag,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] / de grootouders (mz).

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 oktober 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 januari 2016;

- het verweerschrift met producties;

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 21 januari 2016;

- een journaalbericht van mr. Zennipman van 17 februari 2016 met bijlage.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2016 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, vergezeld van haar begeleidster mevrouw [B] (werkzaam bij [C] ) en bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is mevrouw [D] verschenen. Voorts zijn verschenen de pleegouders. Namens de raad is niemand verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de - inmiddels verbroken - relatie van de moeder en de heer [E] (verder te noemen: de vader) is [in] 2015 [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ) geboren. De moeder is met het gezag over [de minderjarige1] belast.

3.2

De moeder heeft nog een dochter, [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 (verder te noemen: [de minderjarige2] ). De moeder is begin 2014 ontheven van het gezag over [de minderjarige2] . [de minderjarige2] verblijft bij de grootouders (mz).

3.3

Bij beschikking van 21 april 2015 heeft de kinderrechter de toen nog ongeboren [de minderjarige1] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van zes maanden vanaf het moment van zijn geboorte. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de toen nog ongeboren [de minderjarige1] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstellingstermijn, vanaf zijn geboorte.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot (uiterlijk) 6 november 2016.

3.5

[de minderjarige1] verblijft sinds zijn geboorte bij de pleegouders (grootouders mz) waar ook zijn zus [de minderjarige2] woont.

3.6

Tot en met januari 2016 zag de moeder [de minderjarige1] elke maandagochtend van 8.30 uur tot 11.00 uur bij de pleegouders thuis. Met ingang 25 januari 2016 heeft de GI de bezoekregeling middels een schriftelijke aanwijzing gewijzigd in die zin dat de bezoeken eens per drie weken plaatsvinden in plaats van wekelijks. De vader heeft geen contact met [de minderjarige1] .

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 oktober 2015. De moeder verzoekt in het petitum van haar beroepschrift het hof deze beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] slechts te verlengen tot 1 mei 2016 alsmede een (onafhankelijk) deskundig onderzoek te gelasten. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder haar verzoek met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling ingetrokken en haar verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing gewijzigd in die zin dat zij verzoekt deze machtiging te verlengen voor een kortere termijn dan tot 6 november 2016, rekening houdende met het door haar verzochte deskundigenonderzoek.

4.2

De GI heeft verweer gevoerd en verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Verlenging ondertoezichtstelling

5.1

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep haar verzoek met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling ingetrokken. Dit maakt dat een inhoudelijke beoordeling van de verlenging van de ondertoezichtstelling achterwege kan blijven. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] is verlengd tot 6 november 2016, bekrachtigen en het verzoek van de moeder om de ondertoezichtstelling slechts tot 6 mei 2016 te verlengen, afwijzen.

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

5.2

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

De moeder heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - er een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden naar haar persoonlijkheid en haar opvoedingsvaardigheden. De moeder is van mening dat de inhoud van de door de GI overgelegde rapportages en informatie niet (meer) de conclusie rechtvaardigen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] met een jaar verlengd dient te worden.

5.4

Het hof is van oordeel dat de kinderrechter met betrekking tot het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] de door de moeder in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren op toereikende gronden heeft verworpen, met welke gronden het hof zich verenigt en die het hof - na eigen onderzoek - tot de zijne maakt. Het hof voegt hieraan het volgende toe.

5.5

Bij de beoordeling van de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing aangewezen is, staat het belang van [de minderjarige1] voorop. Het hof dient een beslissing te geven op basis van alle op het moment van zijn beslissing bestaande en naar zijn oordeel ter zake dienende omstandigheden van het geval.

5.6

[de minderjarige1] woont reeds vanaf zijn geboorte, thans derhalve bijna één jaar, bij de pleegouders. De moeder heeft naar het oordeel van het hof in deze periode voldoende kans gehad om aan te tonen dat zij in staat is [de minderjarige1] te verzorgen en op te voeden. Zij heeft echter niet laten zien dat zij gedurende een langere periode voor een stabiele situatie kan zorgen, waarin zij de met de GI gemaakte afspraken, bijvoorbeeld met betrekking tot de bezoekmomenten nakomt. De GI heeft gedurende het eerste half jaar van de ondertoezichtstelling de mogelijkheid van een moeder-kind opname om te bezien of terugplaatsing van [de minderjarige1] mogelijk was, onderzocht, maar is tot de conclusie gekomen dat er een onvoldoende stabiele basis bij de moeder aanwezig was om een dergelijk traject te starten. Tijdens haar zwangerschap had de moeder geen vaste verblijfplaats. Ook nadat [de minderjarige1] geboren was is de moeder verschillende keren van woon-/verblijfplaats gewisseld. De situatie van de moeder was instabiel en de moeder had moeite met de basale zorg voor zichzelf. Daarbij kwam dat de moeder tijdens de bezoekmomenten niet leerbaar bleek en in bijzijn van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in discussie ging met en heftig reageerde naar de hulpverlening. Het hof is van oordeel dat de GI vervolgens terecht heeft geconcludeerd dat de situatie van de moeder te instabiel was om een moeder-kind opname te starten. Voor een baby van een paar maanden oud is een dergelijke opname, waarbij hij derhalve moet wisselen van verblijfplaats, zeer ingrijpend. Een moeder-kind opname is daarom alleen een optie wanneer deze een gerede kans van slagen heeft. Naar het oordeel van het hof heeft de GI op juiste gronden geoordeeld dat in het onderhavige geval de risico's voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] te groot waren. Voor zover de moeder heeft gesteld dat het niet aan haar te wijten was dat zij zich in een instabiele situatie bevond, is het hof van oordeel dat, wat daar ook van zij, dit niet afdoet aan het feit dat de moeder kennelijk niet in staat was voor zichzelf een stabiel leven te creëren en voor zichzelf te zorgen. Bovendien is het hof, anders dan de moeder, van oordeel dat niet gebleken is dat haar situatie thans wel stabiel is. De enkele omstandigheden dat zij een eigen woning heeft en sinds 1,5 maand een nieuwe relatie heeft, waarbij bekend is dat de moeder de afgelopen jaren verschillende (kortdurende) relaties heeft gehad, zijn onvoldoende om te concluderen dat thans wel sprake zou zijn van een bestendige, stabiele situatie.

5.7

Het hof constateert dat in de periode tot heden ook verder geen zodanige ontwikkelingen in positieve zin hebben plaatsgevonden dat hetgeen in de bestreden beschikking is overwogen, niet onverkort van toepassing zou zijn. Zo is gebleken dat de moeder in 2016 een aantal keer het bezoekmoment heeft afgezegd dan wel niet is verschenen. De GI heeft eind januari 2016 aanleiding gezien het aantal bezoekmomenten te verminderen van wekelijks naar eens in de drie weken. Ook tijdens de bezoekmomenten in de afgelopen maanden is gebleken dat de moeder onvoldoende leerbaar is en haar aandacht niet volledig op [de minderjarige1] en [de minderjarige2] richt en haar aandacht ook niet evenredig verdeelt tussen beide kinderen. Nu er tijdens de bezoekmomenten het afgelopen jaar geen vooruitgang is gebleken en het aantal bezoekmomenten juist is verminderd, ziet het hof hierin evenmin een basis voor nader onderzoek.

5.8

Het hof neemt voorts in aanmerking dat [de minderjarige1] inmiddels is gehecht aan de pleegouders en zijn zus [de minderjarige2] . De pleegouders en de GI hebben aangegeven dat het goed gaat met [de minderjarige1] , dat hij zich goed ontwikkelt en dat hij en [de minderjarige2] heel goed met elkaar omgaan. Het hof is van oordeel, zoals de GI ook heeft aangevoerd, dat de aanvaardbare termijn waarbinnen terugplaatsing nog mogelijk is, inmiddels is verstreken en dat het een bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige1] zou zijn wanneer de hechting met de pleegouders waarvan inmiddels sprake is, doorbroken zou worden.

5.9

Gelet op de aanvaardbare termijn, de leeftijd van [de minderjarige1] (bijna één jaar) en het feit dat hij reeds sinds zijn geboorte bij de pleegouders verblijft en daar is gehecht, is het hof met de rechtbank van oordeel dat het toekomstperspectief van [de minderjarige1] niet bij de moeder ligt, ook niet als nog vastgesteld zou worden dat de moeder over voldoende opvoedingsvaardigheden zou beschikken. Daarnaast is het hof op grond van het voorgaande met de GI van oordeel dat er ook onvoldoende basis is om een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder te laten verrichten en de frequentie van de bezoekmomenten te vermeerderen, hetgeen nodig is om de mogelijkheden van terugplaatsing te onderzoeken. Gelet hierop ziet het hof dan ook geen aanleiding voor het alsnog gelasten van een onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder.

5.10

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat het belang van [de minderjarige1] bij duidelijkheid over, continuïteit van en stabiliteit in zijn huidige opvoedsituatie, zwaarder dient te wegen dan de wens van de moeder om haar opvoedingsvaardigheden te laten onderzoeken.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 oktober 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.W. Beversluis en A.W. Jongbloed, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 26 april 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.